| Han G. Hoekstra | ||||
|---|---|---|---|---|
Hoekstra (rechts) en Piet Esser bij de uitreiking van de prijzen van Stichting Kunstenaarsverzet, 17 februari 1957 | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Hendricus Gerard Hoekstra | |||
| Pseudoniem(en) | Victor le Chaste | |||
| Geboortedatum | 4 september 1906 | |||
| Geboorteplaats | Den Haag | |||
| Overlijdensdatum | 15 april 1988 | |||
| Overlijdensplaats | Amsterdam | |||
| Geboorteland | Nederland | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep | dichter, journalist, kinderboekenschrijver en vertaler | |||
| Werken | ||||
| Genre(s) | poëzie, jeugdliteratuur | |||
| Bekende werken | De ceder, Het verloren schaap | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Werken in collectie | Stedelijk Museum Amsterdam, Het Scheepvaartmuseum | |||
| Prijzen en onderscheidingen | Constantijn Huygens-prijs (1972), Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet (1956), Jacobsonprijs (1985) | |||
| Links | ||||
| Dbnl-profiel | ||||
| ||||
Hendricus Gerard (Han G.) Hoekstra (Den Haag, 4 september 1906 – Amsterdam, 15 april 1988) was een Nederlands dichter, journalist, kinderboekenschrijver en vertaler. Zijn kinderpoëzie brak met de belerende toon van veel oudere kinderversjes. Samen met Annie M.G. Schmidt vertaalde en bewerkte hij de Gouden Boekjes. In 1972 kreeg hij de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre.
Hoekstra groeide in Den Haag op als enig kind van een beeldhouwer en een coupeuse. Na de mulo volgde hij de kweekschool. In 1924 publiceerde hij het gedicht Bij het vallen in Eigen haard. Hij behaalde in 1927 zijn onderwijzersdiploma. Na korte tijd in het onderwijs en een betrekking bij de Pensioenraad koos hij voor de journalistiek. In 1929 ging hij werken bij De Nieuwsbron. Daar leerde hij Jan Campert kennen.
In 1933 verhuisde Hoekstra naar Amsterdam en trad hij in dienst van uitgeverij Strengholt. Hij werkte er aan Sport in Beeld, Revue der Sporten en Den Gulden Winckel. Samen met Cola Debrot en Ed. Hoornik richtte hij in 1940 het literaire tijdschrift Criterium op.
Tijdens de bezetting bleef hij aanvankelijk bij Strengholt werken. Hij sloot zich ook aan bij het door de bezetter toegestane Verbond van Nederlandsche Journalisten. In 1942 beëindigde hij zijn redacteurschappen toen publicatie afhankelijk werd van aansluiting bij de Kultuurkamer. Daarna werkte hij in de illegaliteit. Hij verzorgde correspondentie en zamelde geld in voor het kunstenaarsverzet. Met Jan H. de Groot en Halbo C. Kool stelde hij in 1944 Het Vrij Nederlandsch liedboek samen. Na de bevrijding behoorde hij tot de oprichters van de coöperatieve uitgeverij De Bezige Bij. Zijn lezingen over de overleden Campert vormden de basis voor het essay Over Jan Campert.
Van 1945 tot zijn pensionering in 1971 werkte Hoekstra bij Het Parool. Hij begon als algemeen verslaggever en schreef later over film, radio en televisie. Zijn televisierubriek heette Uit de lucht gegrepen. Met collega's als Schmidt en Simon Carmiggelt trad hij op in het journalistencabaret De Inktvis. Hoekstra overleed in 1988 in Amsterdam.
Hoekstra's eerste dichtbundel, Dubbelspoor, verscheen in 1933 als aflevering van De Vrije Bladen. In zijn gedichten beschreef hij liefde en alledaagse ervaringen in taal die dicht bij de omgangstaal bleef. Humor en ironie gingen samen met weemoed en bitterheid. Hij gebruikte traditionele versvormen, waaronder de ballade, het kwatrijn en het rondeel.
Het gedicht De ceder verscheen in het Boekenweekgeschenk Novellen en gedichten van 1941. Het contrasteert een grauwe binnenplaats met een boom die alleen de spreker ziet. Daarmee stelt het de kracht van de verbeelding tegenover de zichtbare werkelijkheid. Het gedicht werd later opgenomen in Panopticum en veelvuldig in bloemlezingen herdrukt.
Onder het pseudoniem Victor le Chaste publiceerde Hoekstra de erotische gedichten van Amorosa. Zijn poëzie werd gebundeld in De zandloper en later in Verzamelde gedichten. Toen de Vijftigers de poëzie vernieuwden, bleef hij de traditionele vorm trouw. Recensenten waardeerden juist zijn vormbeheersing en begrijpelijke taal.
Hoekstra schreef zijn eerste kinderversjes tijdens de oorlog voor zijn kinderen Joost en Annebet. Een belangrijke inspiratiebron was A.A. Milne, wiens gedichten hij hun voorlas. In 1947 verscheen Het verloren schaap, met tekeningen van Fiep Westendorp. De bundel gaf ruimte aan ondeugende kinderen en spot met gezagsdragers. Daarmee week hij af van kinderpoëzie waarin opvoedkundige lessen centraal stonden.
Fantasie, klankspel en nonsens liepen vooruit op de kinderpoëzie van Schmidt. Hoekstra's spot was daarbij minder scherp. Samen schreven zij het tweede deel van de schoolleesserie De Trapeze.
In 1953 introduceerde De Bezige Bij de Nederlandse Gouden Boekjes. Hoekstra en Schmidt vormden de redactie van deze oorspronkelijk Amerikaanse reeks prentenboeken. Hoekstra selecteerde meestal de Amerikaanse titels. Beiden kregen van de uitgever ruimte om de teksten vrij te bewerken. Volgens het overzicht van Erna Staal uit 1991 verzorgde Hoekstra 46 van de toenmalige 76 Nederlandse deeltjes. Voor de reeks schreef hij ook het oorspronkelijke verhaal De jarige stad, met illustraties van Veronica van Vliet.
Zijn vertaalwerk beperkte zich niet tot kinderboeken. Hij vertaalde ook gedichten van onder anderen Christina Rossetti, Ralph Waldo Emerson, Oscar Wilde en Ernest Dowson. Met Schmidt vertaalde hij Zó-zit-dat van Rudyard Kipling.
Onderstaande selectie is gebaseerd op de bibliografie van Van der Paardt.
| Jaar | Titel | Toelichting |
|---|---|---|
| 1933 | Dubbelspoor | Gedichten |
| 1939 | De dorstige dichter | Bloemlezing |
| 1940 | Het ongerijmde leven | Gedichten |
| 1944 | Het Vrij Nederlandsch liedboek | Met Jan H. de Groot en Halbo C. Kool |
| 1946 | Amorosa | Als Victor le Chaste |
| 1946 | Panopticum | Gedichten |
| 1949 | Amsterdam in de vier jaargetijden | Fotoboek met Emmy Andriesse en Cas Oorthuys |
| 1952 | Dit is onze hoofdstad Amsterdam | Met Cas Oorthuys |
| 1956 | De zandloper | Verzamelde poëzie |
| 1970 | De dolle dwaze zomer van '45 | Kroniek, met Evert Werkman |
| 1972 | Verzamelde gedichten | Gedichten |
Onderstaande titels en illustratoren staan vermeld in de bibliografie van Van Coillie.
| Jaar | Titel | Illustrator |
|---|---|---|
| 1947 | Het verloren schaap | Fiep Westendorp |
| 1948 | Appeltjes van Oranje | Frans ter Gast |
| 1948 | De ijsmuts van Prins Karel en een paar andere versjes | Wim Bijmoer |
| 1952 | Rijmpjes en versjes uit de nieuwe doos | Fiep Westendorp |
| 1953 | Versjes uit de grabbelton | Fiep Westendorp |
| 1955 | Het schoentje van Roosmarijn | Mance Post |
| 1987 | De kikker van Kudelstaart | Jenny Dalenoord |