Hans Posse

Hans Posse
Hans Posse (1938)
Hans Posse (1938)
Algemene informatie
Titulatuur Dr. phil.
Geboren 6 februari 1879
Dresden
Overleden 7 december 1942
Berlijn
Doodsoorzaak Tongkanker
Nationaliteit Duitse
Geboorteland Vlag van Duitse Keizerrijk Duitse Keizerrijk
Religie Evangelisch-Luthers
Beroep Kunsthistoricus, museumdirecteur
Bekend van Sonderauftrag Linz
Prijzen en onderscheidingen Ereburgerschap van Linz (1943, postuum)
Carrière
1910 - maart 1938
juni 1938 - 1942
Directeur Gemäldegalerie, Dresden
Familie
Vader Otto Posse
Portaal  Portaalicoon   Tweede Wereldoorlog
Kunst & cultuur

Hans Posse (Dresden, 6 februari 1879 – Berlijn, 7 december 1942) was een Duitse kunsthistoricus, museumdirecteur en als 'speciaal vertegenwoordiger' verantwoordelijk voor de samenstelling van de kunstcollectie van het geplande Führermuseum in Linz.

Posse werd in 1910 aangesteld als museumdirecteur van de Gemäldegalerie in Dresden, wat werd beschouwd als een van de meest prestigieuze posities in de Duitse museumwereld. Onder zijn leiding werd de museumcollectie uitgebreid met modernistische werken, wat in 1933 leidde tot een lastercampagne vanuit nationaalsocialistische kringen. In maart 1938 ging hij gedwongen met pensioen, maar werd enkele maanden later door Adolf Hitler persoonlijk gerehabiliteerd.

Posse werd in juni 1939 door Hitler aangesteld om de kunstcollectie van het geplande Führermuseum samen te stellen. De werken voor deze verzameling waren veelal illegaal verkregen, onder andere door inbeslagname van Joodse eigenaren. Daarnaast verwierf Posse kunstwerken voor bestaande Oostenrijkse musea. Hij ontwikkelde zich hiermee tot een van de hoofdrolspelers in de nazi-kunstroof. In totaal verzamelde Posse ongeveer 1200 schilderijen voor het Führermuseum en verdeelde hij ruim 5000 kunstwerken onder musea in Oostenrijk.

Posse overleed op 7 december 1942 in Berlijn en kreeg in Dresden een staatsbegrafenis. Hij ontving in 1943 postuum het ereburgerschap van de stad Linz.

Jeugd en opleiding

Hans Posse werd geboren in Dresden op 6 februari 1879. Hij was de zoon van Otto Adalbert Posse en Selma Helene Tischer. Zijn vader was archivaris, genealoog, historicus en vanaf 1906 directeur van het Staatsarchief van Dresden. Posse groeide op in een conservatief, hoogopgeleid burgerlijk gezin met twee broers.

Van 1889 tot 1898 studeerde hij aan Gymnasium zum Heiligen Kreuz in Dresden en volgde daarnaast privélessen tekenen en schilderen. Direct na het afronden van het gymnasium voltooide hij zijn dienstjaar bij het vervangingsbataljon van het 1e Grenadier Regiment nr. 100. In mei 1899 begon hij met een studie Hilfswissenschaften en Duits in Marburg an der Lahn, maar stopte in 1900 met deze opleiding zonder een diploma behaald te hebben. In oktober van dat jaar startte hij met een studie kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Wenen. Posse had aanvankelijk kunstschilder willen worden, maar realiseerde zich dat hij niet voldoende vaardigheden had. In 1903 behaalde hij zijn doctoraat met een proefschrift over Italiaanse schilder Andrea Sacchi (1599-1661).

Start loopbaan

Na het behalen van zijn doctoraat werkte Posse als vrijwilliger in de Berlijnse Gemäldegalerie die werd geleid door kunsthistoricus en curator Wilhelm Bode. Na de opening van het Kaiser-Friedrich-Museum in 1904 verhuisde een deel van de collectie van de Gemäldegalerie naar deze nieuwe locatie. Posse hielp als onderzoeksassistent bij de inventarisatie van de Nederlandse, Duitse en Engelse schilderijencollectie van het Kaiser-Friedrich-Museum. De catalogisering van de collectie leidde tot bekendheid in de kunsthistorische wereld. In 1905 vertrok Posse voor een jaar naar de Italiaanse stad Florence waar hij als assistent aan het Duitse Instituut voor Kunstgeschiedenis verbonden was. Daarnaast deed hij in de Bibliotheca Hertziana in Rome onderzoek naar Romeinse plafondschilderingen van Pietro da Cortona, waarover hij een dissertatie schreef. Na zijn terugkeer werd Posse in april 1909 benoemd tot de assistent van Bode.

De Hermitage in Sint-Petersburg met een wandvullende collectiepresentatie (1917)

Museumdirecteur

Mede dankzij Bode werd Posse in 1910 aangesteld als directeur van de Gemäldegalerie in Dresden, wat werd beschouwd als een van de meest prestigieuze posities in de Duitse museumwereld. Onder Posses leiding werd de collectie tussen 1911 en 1914 sterk gereorganiseerd. Posse verving onder meer het wandvullende Petersburgse ophangsysteem (salonhang) voor een rustigere museumpresentatie. Hij breidde de collectie Duitse schilderijen van het museum uit met werken uit de negentiende eeuw. Zijn voorkeur ging met name uit naar romantische werken van kunstschilders uit Dresden.

Posses loopbaan bij de Gemäldegalerie in Dresden werd onderbroken door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Posse diende van augustus 1914 tot en met september 1918 aan het Westfront in Frankrijk en aan het Oostfront. Voor zijn inzet tijdens de oorlog kreeg hij het IJzeren Kruis eerste klasse en tweede klasse. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog keerde hij terug naar Dresden waar hij zijn positie als museumdirecteur opnieuw opnam.

Een versie van het werk Det syke barn (1907) van Edvard Munch werd in 1928 aangekocht en tentoongesteld in de Gemäldegalerie.

Museumhervormingen

Reeds voor de Eerste Wereldoorlog waren hervormingen gestart binnen het museale cultuurbeleid. Het Pruisische Ministerie van Cultuur ondersteunde een liberaal beleid waarbij musea steeds meer werden omgevormd tot openbare onderwijscentra, in plaats van enkel gericht te zijn op de elite. Het ministerie zorgde ervoor dat museumcollecties werden uitgebreid met modernistische kunst, met name expressionistische werken. Het beschouwde het expressionisme als het toonbeeld van de Duitse culturele identiteit en democratie.

In 1919 eisten onder meer kunstschilder Conrad Felixmüller en journalist Carl Puetzfeld het ontslag van Posse, omdat er nog geen expressionistische werken voor het museum waren verworven. Dit had echter niet te maken met de voorkeur van Posse, maar met de conservatieve aankoopcommissie van de Gemäldegalerie. Posse voerde een conflictvermijdend acquisitiebeleid: door controversiële kunstwerken, met name abstracte of provocerende werken, in (permanente) bruikleen te nemen in plaats van ze aan te kopen, vermeed Posse de verantwoordelijkheid voor de verwerving ervan. De aankopen die Posse voor het museum deed waren vrij conservatief; hij kocht onder meer werken van kunstenaars als Caspar David Friedrich, Lovis Corinth en Ferdinand von Rayski.

Vanaf de zomer van 1919 werden meerdere expressionistische werken, van onder anderen Oskar Kokoschka, Edvard Munch en Emil Nolde, aan de collectie toegevoegd. Na de hervorming van de aankoopcommissie in 1920 kreeg Posse meer ruimte moderne kunst voor de collectie te verwerven. Hij ondersteunde onder meer het werk van Kokoschka, wiens werk in conservatieve kunstkringen als controversieel werd beschouwd. Posse had een persoonlijke connectie met Kokoschka, die huurder was van een van de panden die Posse bezat.

Sekundogenitur aan de Brühlsche Terrasse, Dresden.
Sempergalerie gezien vanaf de Theaterplatz, Dresden.

Vanwege zijn brede netwerk binnen het Europese museumlandschap en zijn uitgebreide ervaring als tentoonstellingsorganisator, werd Posse benoemd tot commissaris voor het Duitse paviljoen op de de Biënnale van Venetië in 1922 en 1930. Bij de Internationale Kunsttentoonstelling Dresden in 1926 was hij als voorzitter van de artistieke leiding betrokken. Posse presenteerde avant-garde kunst tijdens deze tentoonstellingen als toonaangevend voor de Duitse kunst. De stad Dresden kocht op aanwijzing van Posse tijdens de Internationale Kunsttentoonstelling meerdere werken aan voor de Staatliche Kunstsammlungen Dresden. Posses toewijding aan moderne kunst en steun aan kunstenaars als Kokoschka zorgde voor negatieve reacties van nationalistisch-conservatieve kunstenaars zoals Walther Gasch en Richard Müller. Naar aanloop van de Biënnale in 1930 werd Posse herhaaldelijk in de pers aangevallen.

Voor de Eerste Wereldoorlog had Posse een ontwerp getekend voor een nieuw galerijgebouw voor negentiende en twintigste-eeuwse kunst. De bouw van dit complex startte in 1915, maar werd in 1916 vanwege de Eerste Wereldoorlog stilgelegd. In 1919 werd het project stopgezet. Acht jaar later, in 1927, probeerde Posse het project nieuw leven in te blazen, maar het Saksische parlement wilde de bouw niet financieel ondersteunen. In plaats daarvan opende Posse in 1931 de Neue Staatliche Gemäldegalerie in de Sekundogenitur, een voormalig bibliotheekgebouw in Dresden. De collectie van de deze dependance bestond uit negentiende-eeuwse schilderijen. Een jaar later werd de Galerie des 20. Jahrhunderts met moderne kunst geopend in de oostvleugel van de Sempergalerie.

Nationaalsocialisme

Residenzschloss, Dresden.

Na de machtsovername van Hitler in januari 1933 was de weerstand tegen Posse gegroeid, en lokale nationaalsocialistische partijleden begonnen een lastercampagne tegen hem. Walther Gasch, voorzitter van de regionale nationaalsocialistische kunstenaarsvereniging, had in het voorjaar van 1933 de positie van Posse als museumdirecteur in de pers als ‘onhoudbaar’ bestempeld, maar Posse wist deze beschuldigingen in een memorandum te weerleggen en behield zijn functie. Onder leiding van Gasch probeerden lokale nationaalsocialisten op 12 april 1933 het museum te 'zuiveren' van moderne kunst. Posse bracht hierop belangrijke werken, waaronder een groot werk van Munch, in veiligheid door ze over te brengen naar opslagruimten van het Residenzschloss.

Posse vroeg in april 1933 lidmaatschap aan van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Zijn voorlopige lidmaatschap werd in december van dat jaar erkend, maar tegenstanders binnen de partij hielden zijn definitieve toelating in 1934 tegen. Posse was geen overtuigd nationaalsocialist, maar steunde het idee van het Führerprinzip waar een autoritaire leider alle macht heeft. Dit was gebaseerd op het 'genie'-concept uit de kunstgeschiedenis waar een uitzonderlijk individu boven anderen staat en gezag verdient. Zijn echtgenote Frieda Elise Käpernick, met wie hij op 17 juli 1933 trouwde, was wel partijlid: ze was sinds 1930 aan de NSDAP verbonden.

In 1933 gaf Posse een groot deel van de expressionistische werken die hij in bruikleen had genomen terug aan de rechtmatige eigenaren. Het werk Schützengraben (1920 - 1923) van Otto Dix werd beschouwd als 'cultureel bolsjewisme' en gezien als een symbool van degeneratie. Het was in 1928 verworven door de stad Dresden met financiële ondersteuning van de mecenasvereniging en werd in augustus 1933 door Posse aan de vereniging teruggegeven. Ondanks tegenstand bleef Posse controversiële kunstenaars tentoonstellen. Onder anderen Sterl, Kokoschka, Munch, Beckmann en Nolde behoorden tot zijn persoonlijke favorieten.

Bezoek van Adolf Hitler aan de Gemäldegalerie, Dresden (18 juni 1938). Vooraan links: Hans Posse.

Op 18 juli 1937 hield Hitler in München een toespraak over de Große Deutsche Kunstausstellung ('Grote Duitse Kunsttentoonstelling') waarin hij moderne kunst als 'verderfelijk' en 'ontaard' bestempelde. De dag na deze toespraak verwijderde Posse werken van Dix, Hofer, Kokoschka en Nolde uit de tentoonstellingsruimte. Op 3 augustus 1937 verwijderde hij tevens de schilderijen van de joodse kunstschilder Max Liebermann voor wie Posse veel bewondering had. Hij bracht de werken vervolgens tevens onder in het Residenzschloss.

Hitler gaf op 24 juli 1937 opdracht tot de confiscatie van alle 'ontaarde' werken uit museumcollecties, omdat ze als on-Duits en minderwaardig werden beschouwd. In augustus 1937 werden de Sempergalerie, Neue Staatliche Gemäldegalerie en de depots van het Residenzschloss doorzocht. Tegen december 1937 waren meer dan vijftig werken uit de Gemäldegalerie in beslag genomen. Op 7 maart 1938 werd Posse door Arthur Göpfert, waarnemend hoofd van het Saksische ministerie van Onderwijs, geadviseerd met pensioen te gaan. Posse werd formeel uit zijn functie ontheven, maar bleef zijn werkzaamheden als directeur uitvoeren.

Op 18 juni 1938 bezocht Hitler de Gemäldegalerie waar hij een rondleiding kreeg van Posse. Kort daarvoor had Posse een Duitse afdeling opgericht, waardoor het museum aansloot bij de nazi-ideologie. Mede door bemiddeling van kunsthandelaar Karl Haberstock, een vriend van Posse en vertrouweling van Hitler, werd Posse door Hitler persoonlijk gerehabiliteerd en kreeg hij zijn functie als directeur terug.

Sonderauftrag Linz

Op 20 juni 1939 werd Posse door Hitler aangewezen als 'speciaal vertegenwoordiger' en kreeg hij de leiding over het Linz-project. In deze functie was hij verantwoordelijk voor de opbouw van de collectie van het geplande Führermuseum in de Oostenrijkse plaats Linz. De collectie voor het museum bestond uit kunstwerken die afkomstig waren uit van joden onteigende collecties uit door nazi-Duitsland bezette landen, met name uit Polen, Nederland en Frankrijk. Posses expertise in de Italiaanse en Nederlandse renaissance- en barok kwam bij deze functie goed van pas. Daarnaast werd Posse aangesteld om kunstwerken te verzamelen voor Oostenrijkse musea die hij selecteerde op basis van wensenlijsten van museumdirecteuren.

In zijn werk werd hij bijgestaan door enkele specialisten: SS-kapitein en bibliothecaris Friedrich Wolffhardt adviseerde hem omtrent zeldzame boeken en manuscripten en de Oostenrijkse museumdirecteur Fritz Dworschak gaf hem advies op gebied van munten- en medaillecollecties. De kunsthistoricus Robert Oertel hield de administratie bij en de Münchense architect Hans Reger fotografeerde de aangekochte stukken.

Führerbau in München, thans de hogeschool voor muziek en theater.

In juli 1939 reisde Posse naar München om in de Führerbau, een centraal depot voor in beslag genomen collecties, werken uit de zoeken voor het Führermuseum. Enkele dagen later reisde hij naar Linz om met lokale ambtenaren de oprichting van het museum te bespreken. Diezelfde maand bezocht hij tevens het centraal depot in de Hofburg in Wenen. Dit paleis was in het najaar van 1938 aangewezen als verzamelplaats voor van joden geconfisqueerde kunstwerken. Deze werken kwamen uit collecties van onder anderen de Weense ondernemer Oscar Bondy, industrieel en bergbeklimmer Moritz Kuffner, filantroop Alphonse Mayer von Rothschild en bankier Louis Nathaniel de Rothschild.

Internationale aankopen

Meleager geeft de kop van het zwijn aan Atalanta (tussen 1665 en 1688) door Daniël Mijtens (II). Dit werk werd op 27 september 1940 aangekocht door Posse voor het Führermuseum in Linz. Daarvoor was het eigendom van de Joodse kunsthandelaars Benjamin en Nathan Katz van Kunsthandel D. Katz uit Dieren.

In november 1939, twee maanden na de bezetting van Polen door nazi-Duitsland, bezocht Posse Krakau en Warschau. Hij werkte samen met de Oostenrijkse kunsthistoricus Kajetan Mühlmann die was aangesteld als 'Speciale Vertegenwoordiger voor de Bescherming en Bewaring van Kunstwerken in de Bezette Oostelijke Gebieden'. Een decreet maakte mogelijk dat kunstwerken uit particuliere, kerkelijke en openbare collecties door nazi-Duitsland geconfisqueerd mochten worden. Posse schreef dat er in Polen, afgezien van enkele werken van Rafaël, Leonardo da Vinci en Rembrandt uit de Czartoryski-collectie en stukken uit het Nationaal Museum van Warschau, weinig kunstwerken waren die geschikt waren voor opname in de Linz-collectie.

In juli 1940 bezocht Posse Den Haag. Hij verwierf het grootste deel van de kunstcollectie van bankier Fritz Mannheimer voor het museum in Linz. De collectie was opgeëist door Mühlmann, die na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland op vraag van Arthur Seyss-Inquart in Den Haag Dienststelle Mühlmann bestierde. Posse had reeds eerder met Mühlmann in Polen samengewerkt. De collectie werd voor 5,5 miljoen gulden aangekocht en in ruim honderd kisten naar Duitsland afgevoerd.

In oktober 1940 reisde Posse voor de eerste keer naar Parijs. Het bezoek stond in het teken van het bekijken van de in beslag genomen joodse kunstcollecties. Posse bezocht het depot in het Louvre dat was ingericht door Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg. Tijdens deze eerste reis werkte Posse samen met kunsthandelaar Karl Haberstock die hem 25 schilderijen toonde, waarvan Posse er 11 uitkoos voor de Linz-collectie. Haberstock verzorgde vervolgens de export en het transport. De samenwerking tussen Posse en Haberstock was waarschijnlijk in overleg met Hitler, aangezien Posse tot maart 1941 geen eigen rekening bij de Reichskreditkasse in Parijs had en daarom afhankelijk was van Haberstock als geldschieter.

In Parijs deed Posse onder meer zaken met kunsthandelaar Maria Almas-Dietrich, maar vond het aanbod op de kunstmarkt onbevredigend. Posse zocht naar betaalbaardere en kwalitatievere stukken bij particuliere verzamelaars en kwam op deze manier terecht bij de erfgenamen van kunstverzamelaar Adolphe Schloss. De collectie, voornamelijk bestaande uit werken van zeventiende-eeuwse Nederlandse en Vlaamse meesters, werd aangeboden voor 40 miljoen Franse frank, maar bevond zich op een geheime locatie in het onbezette deel van Frankrijk. Haberstock kreeg de opdracht de collectie te traceren, maar slaagde hier niet in, waardoor de koop niet kon worden gesloten.

Naar aanleiding van zijn bezoek deed Posse enkele aanbevelingen aan Hitler: het 'Führer-voorbehoud' moest uitgebreid worden naar de door nazi-Duitsland bezette gebieden, het werkgebied uit te breiden naar het onbezette deel van Frankrijk en om zeven geconfisqueerde werken die in de Duitse ambassade hingen over te brengen naar het Führermuseum. Posse werd door Hitler aangewezen als 'vertrouwenspersoon van de Führer voor de voorbereiding van beslissingen over het gebruik van de kunstwerken'.

In december 1940 kocht Posse 528 tekeningen van oude meesters, voornamelijk van Duitse meesters, afkomstig uit de Koenigscollectie van de Nederlands-Duitse kunstverzamelaar Franz Koenigs. Koenigs had deze werken in onderpand gegeven bij de bank Lisser & Rosenkranz die in april 1940 werd geliquideerd. De kunstwerken werden aangekocht door ondernemer Daniël George van Beuningen en voor voor 1,4 miljoen gulden aan Posse verkocht voor de Linz-collectie.

Posse reisde in februari 1941 opnieuw naar Parijs en bezocht Nice in het onbezette deel van Frankrijk. Tijdens deze reis kocht hij ongeveer vijftien werken die afkomstig waren uit de collectie van de Duits-Franse kunsthandelaar Paul Graupe. In november dat jaar maakte hij zijn laatste reis naar Parijs. Het bezoek stond in het teken van de aankoop van de collectie van de Britse theatermaker Edward Gordon Craig. Daarnaast bezocht hij veilinghuis Hôtel Drouot om werken uit te kiezen die Haberstock tijdens de eerstvolgende veiling moest aankopen. Voor deze reis noteerde Posse achttien aankopen.

Overlijden en nalatenschap

Eind 1941 werd Posse ziek. Hij gaf kunsthistoricus Gottfried Reimer, die sinds juni 1941 de persoonlijk assistent van Posse was, op 20 oktober 1941 de bevoegdheid om op te treden als zijn plaatsvervanger. Begin 1942 werd een kankergezwel bij Posse op zijn tong geconstateerd. Vanaf april dat jaar werd hij in een kliniek in München behandeld en vervolgens in de Landhausklinik in Berlin-Wilmersdorf opgenomen. In juli 1942 pakte Posse zijn werk als museumdirecteur en speciaal vertegenwoordiger vanuit huis opnieuw op. Haberstock deed namens hem aankopen op de Parijse kunstmarkt. In augustus werd Posse opnieuw opgenomen in een ziekenhuis in Berlijn. Hij overleed aldaar op 7 december 1942. Hij werd 63 jaar oud.

Na zijn dood werd zijn lichaam overgebracht naar Dresden waar hij, op bevel van Adolf Hitler, een staatsbegrafenis kreeg. De uitvaart vond plaats op 11 december 1942 in het tentoonstellingsgebouw aan de Lennéstraße in Dresden. Rijksminister van Volksvoorlichting en Propaganda Joseph Goebbels hield een grafrede waarin hij Posses inspanningen omschreef als 'onsterfelijk werk'. Volgens hem verloor Duitsland een 'belangrijke figuur in de kunstgeschiedenis' door zijn dood. Namens Hitler legde Goebbels een krans neer bij de kist. De as van Posse werd overgebracht naar het Urnenhain Tolkewitz in Dresden.

In de hoedanigheid van speciale vertegenwoordiger had Posse ongeveer 1200 schilderijen, van onder meer Titiaan, Rafaël, Canaletto, Rubens, Rembrandt en Van Dyk, verzameld voor het Führermuseum. Daarnaast verdeelde hij ruim 5000 kunstwerken onder musea in Oostenrijk. Zijn taak als speciaal vertegenwoordiger en functie als directeur van de Gemäldegalerie werd in 1943 overgenomen door kunsthistoricus Hermann Voss. Datzelfde jaar verkreeg Posse postuum het ereburgerschap van de stad Linz. Na de dood van Posse schonk zijn weduwe Elise tekeningen van Posse aan de stad Dresden, en prenten uit zijn privécollectie aan het Linz-project. Zowel de tekeningen als prentencollectie worden als verloren beschouwd.

Het schilderij Man met hoge baret (ca. 1631) van Ferdinand Bol werd in 1941 door Posse aangekocht en in 2013 teruggegeven aan de erven van de gebroeders Katz.

Dagboeken en restitutie

In de jaren tachtig van de twintigste eeuw werden vijf reisdagboeken van Posse, die hij tijdens zijn tijd als speciaal vertegenwoordiger voor het Linz-project had bijgehouden, herontdekt. Van april 2017 tot maart 2020 werden de dagboeken door het Germanisches Nationalmuseum onderzocht en geannoteerd, en vervolgens gedigitaliseerd en online gepubliceerd.

Deze dagboeken zijn een belangrijk bewijsstuk geworden in de onderzoeken naar de kunstroof door de nationaalsocialisten. In de dagboeken worden de aankopen en prijzen van de werken beschreven. Uit de aantekeningen komt naar voren dat veel werken onder dwang waren verkocht.

In 2007 dienden de erfgenamen van kunsthandelaren Benjamin en Nathan Katz, die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel zaken deden met Posse, een claim in voor de restitutie van 189 kunstwerken. Volgens hen waren deze werken onder dwang verkocht. Zo zou Nathan Katz meerdere schilderijen hebben beloofd aan Posse in ruil voor een uitreisvisum naar Zwitserland.

Enkel van het schilderij Man met hoge baret van Ferdinand Bol, dat Posse in 1941 van het aankocht, kon bewezen worden dat er sprake was van verkoop onder dwang. Het werd gerestitueerd en in 2014 te koop aangeboden bij veilinghuis Christie's in New York.

Zie de categorie Hans Posse van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.