
Johan Herman Bernhard Kuneman (Poerwakarta, 15 januari 1886 – Ambarawa, 7 september 1945) was een bestuurder in Nederlands-Indië en voetballer.
Kuneman werd in 1886 geboren als jongste kind van Mr. Hendrik Kuneman (1842-1916), die toen resident van Krawang was, en Johanna Knebel (1843-1930). Hij studeerde vanaf 1906 in Leiden en behaalde in 1908 het groot ambtenaarsexamen.
Kuneman speelde als verdediger tussen 1904 en 1909 in totaal 54 wedstrijden voor HBS waarbij hij één doelpunt maakte. Hij speelde op 25 oktober 1908 eenmalig in het Nederlands voetbalelftal in de met 5-3 gewonnen wedstrijd tegen Zweden.
Hij keerde in 1909 terug naar Indië waar hij als ambtenaar werkte. In 1910 trouwde hij (met de handschoen) met de Belgische Marguérite Désirée Charlotte Marie Roche, met wie hij drie kinderen kreeg. Hij begon als adspirant controleur van het openbaar ministerie bij het residentiegerecht van Madjalenka. In 1913 werd hij hoofd van de controle afdeling van Indramajoe. Als secretaris van de residentie Cheribon werd hij in 1916 aangewezen voor studie aan de Nederlands-Indische Bestuursacademie in Den Haag. Hiervoor kwam hij in 1917 naar Nederland. Rond 1920 volgde hij in Japan een opleiding tot tolk in het Japans. Hierna was hij controleur bij het Binnenlands Bestuur, eerst in Batavia en vanaf medio 1921 in Cheribon. Kuneman was in 1923 als secretaris van de residentie Soerabaja betrokken bij de inzameling voor hulp van de slachtoffers van de aardbeving in het Japanse Kanto In 1924 werd hij gedecoreerd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1925 werd Kuneman benoemd tot assistent-resident en ging naar Weltevreden. In januari 1926 werd hij secretaris van de provinciale raad van West-Java. In 1927 ging hij met verlof naar Nederland en verbleef ook in Brussel. Na terugkeer werd hij medio 1928 assistent-resident van Loemadjnag. Begin 1929 werd hij benoemd tot resident van Midden-Preanger in Buitenzorg en keerde later dat jaar als lid terug in de provinciale raad van West-Java. Eind 1931 werd besloten tot verplaatsing van het bestuur naar Bandoeng.
Hierna was hij tot 1936 gouverneur van Oost-Java. Hij verbleef in 1934 vanwege gezondheidsredenen enkele weken in Batavia. Kuneman werd in 1935 gedecoreerd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij was lid van de Raad van Nederlandsch-Indië (edeleer) van 1936. In 1936 werd hij benoemd tot ridder in het Franse Legioen van Eer. Daarnaast werd hij in 1936 maatschappelijk ook beschermheer van de Nederlands-Indische Zwembond, voorzitter van het hoofdbestuur van de Indische Maatschappij voor Individuele Werkverschaffing (I.M.I.W.), en voorzitter van de Stichting Centrale Vereeniging ter bestrijding der Tuberculose in Nederlandsch-Indië (S.C.V.T.). Hij was ook voorzitter van Alliance Française, voorzitter van de Treub-stichting en lid van het college van curatoren van de Nederlandsch-Indische Sterrenkundige Vereeniging. Kuneman ging in 1938 mee op de eerste rechtstreekse vlucht tussen Batavia en Australië. In 1939 bezocht hij Nederland voor besprekingen over de burgerluchtvaart en was te gast receptie van de eerste Koninginnedag van Wilhelmina.
Hij werd in 1937 voorzitter van de Kolonisatieraad. In 1940 werd hij voorzitter voor oprichting van een vrijwillige burgerwacht. In 1941 legde hij zijn functie als lid van de Raad van Nederlandsch-Indië neer en stopte ook bij de S.C.V.T.
Kuneman overleed in 1945 in een jappenkamp. Zijn oudste zoon Hendrik overleed in 1944 in gevangenschap aan boord van een Japans schip bij Nagasaki, de andere zoon, Johan Anton, werd gedecoreerd als oorlogsvlieger. Zijn dochter Janine was getrouwd met Jan Albertus van Zelm van Eldik.