| Gewone heksenboleet | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gewone heksenboleet | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Neoboletus erythropus (Pers.) Bertolini & Papetti (2026) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De gewone heksenboleet of kortweg heksenboleet (Neoboletus erythropus; synoniem: Boletus erythropus) is een paddenstoel uit de familie Boletaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen. Kenmerkend zijn de donkerbruine tot roodbruine, vaak fluwelige hoed, de oranje- tot rode poriën, de geelachtige steel die dicht bezet is met kleine rode puntjes of vlokjes en het gele vlees dat bij beschadiging zeer snel intens blauw verkleurt. Een netstructuur op de steel ontbreekt.
Christiaan Hendrik Persoon beschreef de soortnaam Boletus erythropus in 1795. De naam werd in 1821 door Elias Magnus Fries behandeld als Boletus luridus var. erythropus en werd daarna gedurende lange tijd in de mycologische literatuur gebruikt voor de roodporige boleet met een rood gestippelde, niet-genette steel en sterk blauw verkleurend vlees.
De toepassing van de naam werd problematisch doordat de oorspronkelijke beschrijving van Persoon niet volledig overeenkomt met dit traditionele soortconcept. Simonini, Gelardi en Vizzini wezen in 2017 een neotype aan dat overeenkomt met het soortconcept van de gladstelige heksenboleet (Suillellus queletii).
De International Code of Nomenclature behandelt deze kwestie sinds de Madrid Code van 2025 expliciet in voorbeeld 1 bij artikel 57.1. Daarin wordt vastgesteld dat Boletus erythropus en daarop gebaseerde combinaties langdurig en algemeen zijn gebruikt in het traditionele concept van Fries, terwijl dit concept het in 2017 aangewezen neotype niet omvat. De naam mag daarom niet worden toegepast in de oorspronkelijke, met Suillellus queletii overeenkomende betekenis zolang de daarvoor in de Code voorziene nomenclatuurprocedure niet tot een andere uitkomst heeft geleid.
Christoph Hahn bracht de naam in 2015 als Neoboletus erythropus over naar het geslacht Neoboletus. Deze combinatie is volgens Index Fungorum echter nomenclatorisch ongeldig, omdat bij de publicatie het voor schimmelnamen vereiste identificatienummer van een erkend nomenclatuurregister ontbrak. Bertolini en Papetti publiceerden daarom een nieuwe, geldige combinatie als Neoboletus erythropus (Pers.) Bertolini & Papetti. Index Fungorum en Species Fungorum behandelen deze als de huidige naam.
De naam Boletus luridiformis werd in 1844 door Friedrich Wilhelm Gottlieb Rostkovius gepubliceerd en in 2014 door Gelardi, Simonini en Vizzini gecombineerd als Neoboletus luridiformis. De naam is vooral sinds het einde van de twintigste eeuw door een deel van de auteurs gebruikt als vervanging voor B. erythropus.
De gelijkstelling van beide namen is echter omstreden. Bertolini wees erop dat Rostkovius' oorspronkelijke beschrijving en afbeelding van B. luridiformis slecht aansluiten bij de traditioneel als B. erythropus aangeduide soort. Rostkovius beschreef onder andere een steel die bovenaan geel en onderaan bruinrood is en volgens de Duitse beschrijving niet netvormig of gestippeld is. Op de bijbehorende plaat ontbreekt eveneens de kenmerkende dichte rode punctering van de steel en is de blauwverkleuring veel minder uitgesproken. Bertolini concludeerde daarom dat B. luridiformis niet zonder meer als synoniem van de gewone heksenboleet kan worden gebruikt. In een latere behandeling vermeldde hij dat verschillende auteurs het naamconcept eerder in verband hebben gebracht met Neoboletus xanthopus, hoewel hij B. luridiformis vanwege de onzekerheid liever als een twijfelachtige naam beschouwt.
Er bestaat hierover nog geen volledige overeenstemming. Species Fungorum vermeldt Neoboletus luridiformis nog als afzonderlijke huidige naam, en ook in recente taxonomische literatuur wordt N. luridiformis soms nog als een van N. erythropus en N. xanthopus onderscheiden taxon behandeld. De Nederlandse Verspreidingsatlas volgt voor de gewone heksenboleet het traditionele gebruik van Neoboletus erythropus en merkt op dat de invoering van B. luridiformis voor dit soortconcept onder de huidige nomenclatuurregels niet nodig is.
De hoed wordt ongeveer 5–20 cm breed en is aanvankelijk halfbolvormig tot gewelfd en later vlakker. Het oppervlak is droog en aanvankelijk fijn fluwelig. De kleur varieert van kastanjebruin en donkerbruin tot roodbruin, soms met olijfkleurige tinten. Ook gelige of plaatselijk ontkleurde exemplaren komen voor.
De buisjes zijn geel en worden bij het ouder worden meer olijfkleurig. Bij doorsnijden kleuren ze snel donkerblauw. De poriën zijn klein en rond en doorgaans oranje- tot roodkleurig of roodpurper. Ook de poriën verkleuren bij aanraking of kneuzing onmiddellijk sterk blauw.
De steel is ongeveer 5–18 cm lang en 2–5 cm dik en is stevig, cilindrisch tot knotsvormig. De grondkleur is geelachtig, maar het oppervlak is dicht bezet met fijne rode tot oranjerode puntjes of vlokjes. Een duidelijke netstructuur ontbreekt.
Het vlees is stevig en citroen- tot helder geel. Na doorsnijden of kneuzen treedt vrijwel onmiddellijk een sterke donkerblauwe verkleuring op. De dieprode tot paarsrode kleur in het vlees van de steelvoet die bij Suillellus queletii voorkomt, ontbreekt bij de gewone heksenboleet.
De sporenprint is olijfbruin.
De basidiosporen zijn glad, langwerpig ellipsoïdaal tot spoelvormig en meten ongeveer 12–16 × 4,5–6 µm. Ze zijn in massa olijfbruin.
De basidiën zijn knotsvormig en doorgaans viersporig. De cheilo- en pleurocystiden zijn overwegend spoelvormig tot min of meer toegespitst. De hoedhuid bestaat uit min of meer rechtopstaande tot verweven hyfen; gespen ontbreken.
De kleur van de gewone heksenboleet kan sterk variëren. Naast de gebruikelijke donkerbruine vorm komen gedeeltelijk of geheel gele exemplaren voor. Exemplaren met een gele hoed maar de normale rood gestippelde steel werden vroeger onder andere als var. discolor onderscheiden. Volledig gele exemplaren zijn onder namen als pseudosulphureus of narcisboleet beschreven. De Verspreidingsatlas merkt op dat zulke gele exemplaren tegenwoordig liever als xanthische kleurvormen worden beschouwd dan als afzonderlijke taxonomische eenheden.
De netstelige heksenboleet (Suillellus luridus) heeft eveneens oranje tot rode poriën en sterk blauw verkleurend vlees, maar bezit gewoonlijk een duidelijk roodachtig netwerk op de steel. De gewone heksenboleet heeft daarentegen afzonderlijke rode puntjes en vlokjes.
De gladstelige heksenboleet (Suillellus queletii) heeft geen duidelijk steelnet en kan daardoor sterker op de gewone heksenboleet lijken. De schubjes of korreltjes op de steel zijn bij deze soort ongeveer gelijk van kleur aan de geelbruine ondergrond. Kenmerkend is bovendien de dieprode tot paarsrode kleur in het vlees van de steelvoet.
Neoboletus xanthopus is nauw verwant en kan uiterlijk sterk lijken op de gewone heksenboleet. Moleculair onderzoek ondersteunt de soort als een afzonderlijke lijn binnen Neoboletus. De steel is doorgaans geelachtig, slechts zelden duidelijk oranje of rood getint, en vrijwel glad tot slechts fijn en onopvallend korrelig. De korreltjes zijn aanvankelijk ongeveer gelijk van kleur aan de steel en worden later oker- tot bruinachtig.
De satansboleet (Rubroboletus satanas) verschilt onder andere door de meestal zeer bleke, witachtige tot grijsachtige hoed, de doorgaans sterk buikige steel met een rood netwerk en een minder krachtige blauwverkleuring van het vlees.
De gewone heksenboleet is een ectomycorrhizavormende soort. In Nederland groeit hij voornamelijk bij eik (Quercus) en beuk (Fagus). Associaties met naaldbomen, waaronder sparren, zijn veel zeldzamer.
De soort heeft in Nederland een voorkeur voor droge, voedselarme en zure zand- of leembodems met een dunne strooisellaag. Hij wordt tegenwoordig vooral gevonden in schrale wegbermen en lanen met oudere bomen en minder vaak in bossen. Nederlandse waarnemingsgegevens tonen vooral relaties met beuk en verschillende eikensoorten; daarnaast bestaan kleinere aantallen waarnemingen bij onder andere linde, grove den en spar.
De vruchtlichamen verschijnen in Nederland voornamelijk van mei tot november.
De gewone heksenboleet is wijdverspreid en algemeen in Europa. In Nederland is de soort algemeen en ligt het zwaartepunt van de verspreiding op de hogere zandgronden en in de duinen.
Vanaf de jaren 1960 en 1970 werd in Nederland een duidelijke achteruitgang vastgesteld, onder andere in bossen. Na 2000 heeft de soort zich volgens de Verspreidingsatlas weer duidelijk hersteld. Op de Nederlandse Rode Lijst heeft de gewone heksenboleet de status 'thans niet bedreigd'.
De gewone heksenboleet wordt als eetbaar beschouwd wanneer hij goed wordt verhit. Rauwe of onvoldoende verhitte vruchtlichamen kunnen maag-darmklachten veroorzaken en worden als giftig beschouwd.