Hugo Frederik Beijerman

Hugo Frederik Beijerman

Hugo Frederik Beijerman (Voorburg, 1 juli 1851 - Bussum, 18 juni 1906) was een Nederlands waterbouwkundige.

Opleiding en eerste werkkring

Beijerman kreeg zijn schoolopleiding aan de HBS te Rotterdam en vervolgens aan de Polytechnische School te Delft alwaar hij in 1875 het diploma van civiel ingenieur verwierf. Bij Koninklijk besluit van 6 October 1875 werd hij met benoemd tot adspirant-ingenieur van de Rijkswaterstaat, na een vergelijkend examen waar hij het eerste nummer behaalde. Hij werd op het bureau van den inspecteur Caland geplaatst, en 1 juni 1876 belast met de vervaardiging der waterstaatskaart van Nederland. Hij werkte hiervoor vooral in in Noord-Brabant en Noord-Holland.

Amsterdams peil op de Waddeneilanden

In die tijd moest ook het A.P. overgebracht worden naar de eilanden Texel en Vlieland. Hij deed dit samen met ir. W. de Man en is door hen beschreven in de Verhandelingen van het KIvI, 1878/9, blz. 1—11. De voornaamste bijzonderheid bij de door hen gevolgde werkwijze is de vaste opstelling van het instrument, waardoor men nog bij vrij sterken wind met voldoende nauwkeurigheid kon waarnemen.

Waterweg en conflict met Van der Toorn

Met 1 juli 1878 aan den Rotterdamschen Waterweg geplaatst, werd Beijerman met 1 april 1879 aan dezen practischen werkkring ontrukt, en kwam hij op het bureel van de hoofdingenieur voor de grote rivieren J. van der Toorn te 's-Gravenhage. Gedurende de twee jaren, dat hij hier diende, werd door hem een voortdurende strijd geleverd. De beide mannen, die hier in dagelijkse ambtelijke aanraking kwamen, lagen elkaar helemaal niet. Een tijdelijk ingenieur kreeg al het werk dat interessant was en Beijerman had de „vuile wasch", hij moest stukken afhandelen van betrekkelijk weinig belang. Maar hij was een man van karakter, die niet van wijken wist, dit heeft hem ook later dikwijls onaangenaamheden bezorgd.

Nieuwe Merwede en conflict in de top van de Waterstaat

Met ingang van 1 april 1881 werd hij eindelijk tot ingenieur 3e klasse benoemd. Hij ging tegelijk daarmede over op het bureau van de Inspecteur Rose, een gemoedelijk man, met wien de verhouding hoogst aangenaam was, en die hem, toen hij verzocht om een meer practischen werkkring, voordroeg voor een toevoeging aan de ingenieur voor de Merwede-takken te Dordrecht. Hier was hij van januari 1882 tot april 1887 werkzaam. Het was de afronding van de aanleg van de Nieuwe Merwede. Het was wel een vrij eenzijdige functie. Problematisch was dat er toen wel grote, interessante werken in uitvoering waren, maar daar werden vooral tijdelijke werknemers op gezet. Dit gaf wrevel tussen de chefs van de waterstaat en de ambtenaren van het Departement. Dit verbeterde een paar jaar later door de grote invloed van Conrad bij de minister. Hierdoor werden enige jongere leden van het korps bij de aanleg van het Merwedekanaal geplaatst, terwijl de vijandige geest van het Departement in de loop der tijd oversloeg naar een andere afdeling van het landsbestuur.

De arrondissementsdienst het aangename gevoel van zelfstandigheid, dat door elke ingenieur van de waterstaat begeerd wordt. Ook bij minder belangrijke dienstkringen is er veel te doorgronden en dikwijls te verbeteren, dat men ook daar de handen vol aan kan hebben. Het feit dat Beijerman 11 jaar op een arrondissement moest wachten (langer dan veel collega’s met een vergelijkbare senioriteit) maakte hem niet gelukkig.

Merwedekanaal en stoomgemalen

Hij legde zich te Arnhem, waar hij 1 april 1887 en vervolgens te 's-Gravenhage, waar hij 1 juni 1888 geplaatst werd, met zijn volle werkkracht op zijn werk toe. Het onderhoud van het gedeelte Vianen-Gorinchem van het Merwedekanaal viel toen onder zijn verantwoordelijkheid; het spreekt vanzelf, dat dit de eerste jaren na de voltooiing nog veel werk met zich mee bracht.

Gemaal te Ameide
Stoomgemaal bij de Arkelse daam

Zeer verdienstelijk heeft Beijerman zich gemaakt met den bouw van een stoomgemaal te Ameide. Maar dit werk, hetwelk als gevolg van de aanleg van het Merwedekanaal eigenlijk onder toezicht van de sectie-ingenieur van dat kanaal aangelegd had moeten worden, was reeds aan zijn voorganger, ir H. E. de Bruyn, was opgedragen. Dit zal zijn gedaan met de bedoeling om de drukke dienst van die sectie-ingenieur enigszins te ontlasten. Het werken met de Rijksstoomgemalen aan de Arkelse dam en te Ameide werd gewaardeerd, hij kreeg bij zijn vertrek naar Maastricht van het hoogheemraadschap de Vijfheerenlanden een fraai beeld.

via Maastricht naar Utrecht

Hij werd op 1 mei 1895 in Maastricht geplaatst, waar hij behalve de gewone dienst ook de rivier de Maas tussen Visé en Roermond beheerde; hier was veel voor te bereiden, al was er weinig in uitvoering. Hij werd op 1 juli 1889 bevorderd tot ingenieur 2e klasse en in oktober 1903 kreeg hij de titel van hoofdingenieur. In het volgende jaar werd hij door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland met 4 andere ingenieurs in een commissie onder voorzitterschap van ir. H.E. de Bruyn benoemd tot het nagaan van de vraag, gesteld naar aanleiding van de doorbraak van de kade van de Poldervaart (Hargpolder) bij Kethel, of het onderhoud van deze kade door het inlaten van water uit de Maas verzwaard is. Deze commissie bracht in november 1904 een verslag uit, waarbij die vraag ontkennend werd beantwoord.

Schutsluis bewesten Utrecht. Situatie in 1885

Te Utrecht was reeds door zijn voorganger ir. R.H. Gockinga het nodige gedaan tot voorbereiding van de bouw van een schutsluis in het Merwedekanaal ten westen van Utrecht bij de bestaande, die vele vaartuigen te lang ophield. Deze sluis werd, grotendeels in gewapend beton, gemaakt onder toezicht van Beijerman.

Op 5 mei 1905 trof hem een beroerte, hierna heeft hij nog een jaar geleefd, moeilijk met spraak, hartelijk en goed als altijd. Op 18 juni 1906 overleed hij te Bussum. Kort te voren was hem op 21 mei eervol ontslag uit 's Rijks dienst verleend.

Zie de categorie Hugo Frederik Beijerman van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.