
De Hymne van Caedmon is een zevende-eeuws allitererend gedicht van Caedmon, dat wordt beschouwd als de oudste bewaard gebleven poëzie in het Oudengels. In negen verzen geeft het een lofzang op God de Schepper.
Het gedicht en zijn auteur zijn alleen bekend door de Historia ecclesiastica gentis Anglorum van Beda de Eerbiedwaardige. In boek IV, hoofdstuk 24 daarvan wordt Caedmon beschreven als een ongeletterde veehoeder van de abdij van Whitby, die dankzij een goddelijk geïnspireerde droom een productief dichter werd. Hij dichtte 's nachts in de volkstaal en droeg zijn liederen 's anderendaags voor, zich begeleidend op de harp. Voortgaand op Beda's informatie is de compositie te dateren tussen 657 en 680.
In de christelijke hymne van Caedmon schemeren nog concepten uit de Germaanse mythologie door, zoals Midgaard. Metrisch en stilistisch is het nog volop Germaans.
Beda zelf gaf de tekst alleen in Latijnse vertaling, maar kopiisten en glossatoren voegden het Oudengelse origineel toe, dat circuleerde binnen de orale traditie. Het is overgeleverd in 23 manuscripten (waarvan er één alleen nog in fotografische reproductie bestaat). De oudste manuscripten dateren uit de achtste eeuw en bevinden zich in Cambridge University Library (Moore's Bede, Kk. 5. 16) en in de Russische Nationale Bibliotheek (ms. lat. Q. v. I. 18). Het derde oudste handschrift is in 2026 ontdekt.
Dit tekstencorpus is te herleiden tot vijf recensies in twee verschillende dialecten:
Hieronder volgt een Oudengels origineel in de eorðan-recensie (Oxford, Bodleian Library, ms. Tanner 10) en een Nederlandse vertaling:
| Nū sculon herigean heofonrīces Weard, | Laten wij nu de Heer van het hemelrijk prijzen, |
| Meotedes meahte ond his mōdgeþanc, | de macht van de Schepper en zijn wijsheid, |
| weorc Wuldorfæder, swā he wundra gihwæs, | de daden van de roemrijke Vader, hoe Hij alle wonderen |
| ēce Drihten, ōr onstealde. | verrichtte, de eeuwige Heer. |
| Hē ǣrest sceōp eorðan bearnum | Hij schiep als eerste voor de kinderen der mensen |
| heofon tō hrōfe, hālig Scyppend. | de hemel als dak, de heilige Schepper; |
| Þā middangeard moncynnes Weard, | Daarna schiep de Hoeder der mensheid, |
| ēce Drihten, æfter tēode | de eeuwige Heer, de middenaarde, |
| firum foldan, Frēa ælmihtig. | het land voor de mensen, de almachtige God. |