| Ies Voet | ||||
|---|---|---|---|---|
| Algemene informatie | ||||
| Geboren | 5 januari 1878 Amsterdam | |||
| Overleden | 9 juli 1943 Sobibór | |||
| Nationaliteit | ||||
| Religie | Joods | |||
| Beroep | diamantbewerker, vakbondsbestuurder | |||
| Bekend van | Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond | |||
| ||||
Herman Isidore (Ies) Voet (Amsterdam, 5 januari 1878 – Sobibór, 9 juli 1943) was voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond. Hij was tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van de Joodse Raad.
Ies Voet was het tweede kind in een gezin van zes. Zijn ouders waren Andries Meijer Voet (1851–1925) en Betje Voet-Vredenburg (1845–1896). Over Voets jeugd is niet heel veel bekend. Hij was diamantwerker en actief binnen de Brilliantslijpersknechtvereniging. In 1924 trad hij toe tot het bestuur van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond.
Ies Voets' zoon, Ies jr. reisde in 1937 naar Spanje om als arts de republikeinen bij te staan in de burgeroorlog, die het land in zijn greep hield. Sinds maart 1938 was Ies Voet jr. vermist. Het is nooit helemaal duidelijk geworden wat er precies is gebeurd. Mogelijk viel hij in handen van troepen van Francisco Franco en overleed in gevangenschap.
In augustus 1939 emigreerde Voets zoon Andries, samen met zijn vrouw en twee kinderen, naar de Verenigde Staten. Hij had geprobeerd om andere familieleden over te laten komen, maar Ies Voet had daar weinig voor gevoeld. Desondanks probeerde hij na de Duitse inval in mei 1940 via de haven van IJmuiden naar Engeland te ontkomen.
Voet volgde in juni 1940 Henri Polak op als voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond. Twee maanden later werd hij wegens zijn Joodse achtergrond ontslagen. Hij adviseerde de NSB'er die hem opvolgde, en over geen enkele ervaring binnen het diamantvak beschikte, de eerste periode nog. Daarna kwam hij werkloos thuis te zitten.
Voet nam in februari 1941 zitting in de nieuw gevormde Joodse Raad. Zijn vrouw overleed op 20 februari 1941 onverwachts aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking. Zes dagen later Voet van zijn bed gelicht door de Duitse politie. Als oud-vakbondsbestuurder werd hij gezien als mogelijke aanstichter van de Februaristaking. Na zes weken werd hij vrijgelaten, maar trok zich vanwege een zwakke gezondheid terug uit de Joodse Raad. In september 1942 keerde hij terug. Voet probeerde in het voorjaar van 1943 zijn schoonmoeder en twee schoonzussen tevergeefs uit Kamp Westerbork te krijgen. Voets kinderen probeerden hun vader er van te overtuigen onder te duiken, maar hij wilde dat niet.
Tijdens een grote razzia op 20 juni 1943 werd Voet opgepakt en naar Westerbork overgebracht. Daar kwam hij in de strafbarak terecht; waarom is onbekend. Op 6 juli 1943 volgde deportatie naar Sobibór. Volgens zijn dochter Lize beschikte Voet over een cyaankalipil, die hij op weg naar het oosten ingenomen zou hebben. Of dat daadwerkelijk is gebeurd is niet vaststellen, aangezien niemand van dat transport de oorlog overleefde.
Voet was getrouwd met Maria Voet (1883–1941). Samen kregen zij vier kinderen. Zowel Voets vrouw als twee zonen waren actief binnen de zionistische beweging. Zelf hield Ies voet zich er afzijdig van. Zijn dochter Lize was getrouwd met de historicus Jaap Meijer. Zij waren de ouders van Ischa Meijer.