Hoessein (imam)

Een conventionele artistieke afbeelding van Hoessein ibn Ali binnen de sjiitische traditie, door Abolfazl Mirzabeygi, 1980.

'Hoessein of Hoessein ibn 'Alī ibn Abī Tālib ibn 'Abd al-Muttalib ibn Hāshim ibn 'Abd Manaf (627-680/ 3 sha'abaan 4 AH-10 muharram 61 AH) was een politiek en religieus leider uit de lijn van Ali. Als tweede zoon van Ali en Fatima, kleinzoon van de islamitische profeet Mohammed en jongere broer van Hasan ibn Ali, wordt Hoessein in de sjiitische islam beschouwd als de derde imam, na zijn broer Hasan en vóór zijn zoon Ali al-Sajjad. Hoessein is een vooraanstaand lid van de Ahl al-Bayt en wordt tevens gerekend tot de Ahl al-Kisa en beschouwd als deelnemer aan de gebeurtenis van de mubahala. Mohammed omschreef hem en zijn broer Hasan als de leiders van de jongeren in het paradijs.

Tijdens het kalifaat van Ali vergezelde Hoessein hem bij de militaire campagnes van de Eerste Fitna. Na de moord op Ali volgde hij zijn broer in de erkenning van het verdrag tussen Hasan en Moe'awija, ook al werd hem aangeraden anders te handelen. In de periode van negen jaar tussen Hasans aftreden in het jaar 41 na de Hidjra (660) en zijn dood in het jaar 49 of 50 (669 of 670), trokken Hasan en Hoessein zich terug in Medina en probeerden ze zich afzijdig te houden van politieke betrokkenheid voor of tegen Moe'awija I. Na de dood van Hasan, toen inwoners van Koefa zich tot Hoessein wendden met het oog op een opstand, droeg Hoessein hun op te wachten zolang Moe'awija nog leefde, vanwege het vredesverdrag dat Hasan met hem had gesloten.

Voor zijn dood wees Mu'awiya zijn zoon Yazid aan als opvolger, in strijd met het verdrag tussen Hasan en Mu'awiya. Toen Mu'awiya I in 680 overleed, eiste Yazid dat Husayn trouw aan hem zou zweren. Husayn weigerde dit. Als gevolg daarvan verliet hij zijn geboortestad Medina om in het jaar 60 van de hidjra (679) zijn toevlucht te zoeken in Mekka. Daar stuurden de inwoners van Kufa hem brieven; ze nodigden hem uit naar Kufa, vroegen hem hun imam te zijn en zwoeren hem trouw. Tijdens Husayns reis naar Kufa met een gevolg van ongeveer 72 mannen werd zijn karavaan op enige afstand van de stad onderschept door een leger van de kalief, dat uit 1.000 man bestond. Hij werd gedwongen naar het noorden te trekken en op 2 oktober kamp op te slaan op de vlakte van Karbala, waar kort daarna een groter leger van de Omajjaden bestaande uit zo'n 4.000 tot 30.000 man arriveerde. Onderhandelingen liepen op niets uit nadat de gouverneur van de Omajjaden, Ubayd Allah ibn Ziyad, weigerde Husayn een veilige doortocht te verlenen tenzij hij zich aan zijn gezag zou onderwerpen een voorwaarde die Husayn afwees. Op 10 oktober brak de strijd los, waarbij Husayn samen met de meeste van zijn familieleden en metgezellen om het leven kwam, terwijl de overlevende familieleden gevangen werden genomen. Op de veldslag volgde de Tweede Fitna, waarin de inwoners van Kufa twee afzonderlijke campagnes organiseerden om de dood van Husayn te wreken: de eerste door de Tawwabin en de tweede door Mukhtar al-Thaqafi en zijn aanhangers.

Vroege jaren

Volgens de meeste overleveringen werd Husayn op 3 Sha'ban in het jaar 4 AH (11 januari 626) in Medina geboren. Hij was nog een kind toen zijn grootvader Mohammed overleed. Hij was de jongere zoon van Ali een neef van Mohammed en Fatima de dochter van Mohammed die beiden afkomstig waren uit de Banu Hashim clan van de Qoeraisj stam. Zowel Hasan als Husayn kregen hun naam van Mohammed, hoewel Ali andere namen, zoals 'Harb', in gedachten had. Mohammed offerde een ram om de geboorte van Husayn te vieren, en Fatima schoor zijn hoofd kaal en schonk een hoeveelheid zilver ter waarde van het gewicht van zijn haar als aalmoes.

Volgens islamitische tradities wordt Husayn in de Thora genoemd als "Shubayr" en in de evangeliën als "Tab".

Husayn groeide in zijn vroege jaren op in het huishouden van Mohammed. Het gezin dat voortkwam uit het huwelijk van Ali en Fatima werd door Mohammed herhaaldelijk geprezen. Bij gebeurtenissen zoals de Mubahala en in de hadith van de Ahl al-Kisa duidde Mohammed dit gezin aan als de Ahl al-bayt. Ook in de Koran wordt de Ahl al-bayt op vele plaatsen geprezen, zoals in het vers over de zuivering.

Opstand

Hoessein ibn Ali wordt binnen de sjiitische islam vereerd als een martelaar die tegen de tirannie heeft gevochten, omdat hij weigerde om de soennitische kalief van de Omajjaden, Yazid I, als kalief te erkennen. Hij trok zich daarom terug tegen de Omajjaden in de buurt van de stad Karbala. Hoessein kwam hierbij om het leven door onthoofding tijdens de Slag bij Karbala in 680 (61 AH) door Shimr Ibn Thil-Jawshan, het begin van de Tweede Fitna. Deze slag wordt elk jaar herdacht tijdens Asjoera ("tiende" dag van Muharram). Het is een dag van verdriet en godsdienstige plechtigheid voor de sjiitische moslims.

Graf

Hoessein is begraven in de Imam Hoesseinmoskee in Karbala

Zijn graf bevindt zich in Karbala in de Imam Hoesseinmoskee. De moskee trekt elk jaar miljoenen pelgrims. Het hoofd werd naar Damascus gebracht, waar het aan de kalief werd getoond. Binnen de Grote moskee van Damascus is er een heiligdom (alleen toegankelijk via het binnenhof) waar in een schrijn het hoofd van Hoessein bewaard zou zijn. Talrijke sjiitische pelgrims komen hier deze relikwie vereren. In Caïro beweert men echter dat het hoofd van Hoessein daar in de moskee van Sayyidna al Hussein aanwezig is. Maar daar zijn geen bewijzen van te vinden.