| Imre Varga | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboortenaam | Imre Varga | |||
| Geboren | Siófok, 1 november 1923 | |||
| Overleden | Boedapest, 9 december 2019 | |||
| Geboorteland | Hongarije | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Opleiding gevolgd aan | Technische Universiteit Boedapest, Academie voor Schone Kunsten, Boedapest | |||
| Beroep | Beeldhouwer | |||
| Werkveld | beeldhouwkunst, schilderkunst, grafische vormgeving | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Jaren actief | 1956-2019 | |||
| Werklocatie | Boedapest | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Prijzen en erkenningen | Kossuthprijs (1973), Munkácsyprijs (1969), Verdienstenkruis 1e klasse van de Bondsrepubliek Duitsland (2002), Herder Prijs (1982), ereburger van Boedapest (2004), Commandeur in de Orde van Verdienste van de republiek Hongarije | |||
| Links | ||||
| RKD-profiel | ||||
| ||||
Imre Varga (Siófok, 1 november 1923 - Boedapest, 9 december 2019) was een Hongaarse beeldhouwer. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste hedendaagse beeldhouwers van Hongarije. Ongeveer 300 van zijn sculpturen staan op openbare plaatsen, in openbare gebouwen en in kerken in Hongarije, België, Frankrijk, Polen, Duitsland, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Servië, Noorwegen en Israël.
Varga groeide op Siófok, in het district Somogy aan het Balatonmeer. Hij volgde zijn middelbare studies in Székesfehérvár, Boeda en Szombathely. Zijn artistiek talent werd toen al opgemerkt. In 1937 werden schilderijen van hem opgenomen in een groepstentoonstelling in Parijs, waar hij stiekem naar toe was gereisd. Op aanraden van zijn ouders ging hij hydrodynamica studeren aan de Technische Universiteit Boedapest. Bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog ging hij als ingenieursstudent een opleiding voor aerodynamica aan de Militaire Academie in Boedapest volgen, waar hij werd ingedeeld bij een sectie die een opleiding kreeg als luchtmachtofficier. Hij werd piloot in het leger en werd op het einde van de oorlog krijgsgevangene van het Amerikaanse leger. In 1945 keerde hij terug naar Siófok om daarna als fabrieksarbeider en vanaf 1949 als werkplaatsingenieur te werken in de Ganz-fabriek in Boedapest. Zijn echtgenote Ildikó Szabó, afkomstig uit Hajdúböszörmény, met wie hij tijdens de oorlog getrouwd was, was lerares aan de Kodály Zoltán Muziekschool in Boedapest.
In 1950 werd Varga toegelaten tot de Academie voor Schone Kunsten. Hij studeerde er beeldhouwen met Sándor Mikus en Pál Pátzay als docenten. Tijdens zijn studieperiode nam hij deel aan verschillende tentoonstellingen, waaronder de eerste Nationale Tentoonstelling voor Schone Kunsten met zijn werk De ijzerbewerker en de vijfde Hongaarse tentoonstelling met zijn werk Boerenmeisje. In 1956 behaalde hij zijn einddiploma cum laude met het beeld "Magvető" (De zaaier) dat later geëxposeerd werd op Landbouwtentoonstelling in Boedapest en daarna een permanente plaats kreeg in de tuin van het museum Tanya in Lajosmizse. In 1956 was hij onrechtstreeks betrokken bij de Hongaarse opstand in een actie om de collectie van het Museum voor Toegepaste Kunsten te beschermen en werd hij veroordeeld tot spreekverbod wegens verboden wapendracht, hoewel hij het wapen niet gebruikt had.
Eind jaren vijftig verschenen zijn eerste sculpturen in het straatbeeld van Hongarije, waaronder De beren ("Mackók/Medvék") in Gyöngyös (1957), De duiven ("Galambok/Madaras kő") in Hegyeshalom (1958), en De zwemster ("Úszó nő/Lebegő nő") in Hajdúszoboszló (1962).
In 1960 was hij een van de laureaten van de Marx-Engels herdenkingswedstrijd met zijn fonteinmonument Zonnebadende Vrouw, dat later een plaats kreeg in Hódmezővásárhely.

Zijn eerste monumentale beeldhouwwerk was Prometheus uit 1965, een 4 meter hoog beeld dat tot de collectie van het Middelheimmuseum behoort. Een kopie van het werk staat in een park in Szekszárd in Hongarije. Dit beeld zorgde voor zijn doorbraak als kunstenaar. In dat jaar maakte hij ook Iron Bars voor het Hongaars Herdenkingsmuseum in Auschwitz en in 1969 het beeld De Professor, met verschillende varianten, waarvan er een eveneens tot de collectie van het Middelheim behoort.
Varga werd een van de meest gevraagde beeldhouwers in Hongarije. Hij had zijn eerste solotentoonstelling in Dorottyastraat in Boedapest en kreeg de opdracht voor een levensgroot beeld van Miklos Radnóti. Hij ontving de Mihály Munkácsy-prijs in 1969. Zijn solotentoonstelling in het museum Tihany in 1972 zorgde voor internationale bekendheid. Zijn beeld De stichter werd aan de trap van de voormalige abdij geplaatst. In 1973 ontving hij de prestigieuze Hongaarse Kossuthprijs.
Aanvankelijk werkte hij in de realistische heroïsche monumentale stijl die kenmerkend was van het communistisch regime. In de jaren zeventig brak hij deze stijl en schakelde over naar een decoratief modern en postmoderne contemplatieve stijl, die zich ontwikkeld tot technieken uit de popart. Kenmerkend is zijn ironische benadering en eigen interpretatie van de elementen uit de klassieke monumentale openbare beeldhouwkunst. Hij gaf zijn figuren een alledaagse houding, vaak in scène gezet met rekwisieten, meubelstukken of een theatraal aandoend decor. Zijn figuren vertonen een alledaagse houding met menselijke trekken. Hij begon ook schilderkunst, grafisch werk en mixed media in zijn werk te integreren. Varga maakte zowel kleine beelden en medailles, als monumentale composities voor openbare ruimtes, decoratieve sculpturen, bustes en grafstenen.
Een groot deel van zijn werken maakte hij in opdracht van de Volksrepubliek Hongarije, hij was een van de favoriete kunstenaars van het communistische regime. Hij maakte onder andere meerdere beelden van Lenin, een bevrijdingsmonument voor Kaposvár (1975), een monument voor een Sovjetheld in Diósjenő (1976), Icarus, de vliegeraar voor de universiteit van Győr (1979) en een van zijn bekendste werken, de beeldengroep uit 1986 van Béla Kun, de leider van de Hongaarse communistische revolutionaire Radenrepubliek in 1919. Deze beeldengroep werden na de val van het communistisch regime overgebracht naar het Memento Park aan de rand van Boedapest, samen met tientallen andere monumentale beeldhouwwerken die verbonden waren aan het regime.
In 1980 voltooide hij zijn werk De heilige Stefanus biedt de kroon aan de Maagd Maria voor de nieuwe Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Magyaren in de crypte van de Sint-Pietersbasiliek in het Vaticaan. De compositie bestond uit een verguld stalen reliëf op een muur en een Madonna met kind. De kapel werd op 8 oktober 1980 ingewijd door paus Johannes Paulus II.
Vanaf 1980 tot het einde van het regime was hij lid van het Hongaars parlement. Hij was tevens vicevoorzitter van het Patriottisch Volksfront en voorzitter van de kunstenaarsbond Fészek. In 1980 maakte hij een buste van de partijleider Janos Kadar.

Varga kreeg ook bekendheid in het buitenland. Van 15 augustus tot 27 september 1981 stelde hij zijn werken tentoon in de Galerie am Weidendamm in de Friedrichstraße in Berlin-Mitte, georganiseerd door het Centrum voor Kunsttentoonstellingen van de DDR. In 1982 ontving hij de prestigieuze Herder Prijs uit handen van de bondspresident van Oostenrijk. In 1984 was hij met zijn beelden aanwezig op de Biënnale van Venetië. Andere solotentoonstellingen in het buitenland vonden plaats in onder andere Bazel, Hamburg, Parijs, Warschau en Wenen.
Een bekend beeld van Varga is het metalen beeld uit 1983 van Franz Liszt op het balkon naast het bisschoppelijk paleis in Pécs.
Naar aanleiding van het bezoek van János Kádár aan Zweden in april 1987 vond in Boedapest de inauguratie van het Raoul Wallenberg-monument plaats. Het beeld stond daarvoor in de tuin van de Amerikaanse ambassade in Boedapest.
In 1983 werd op initiatief van de Hongaarse staat het Imre Varga Museum geopend in Óbuda, een stadsdeel van Boedapest aan de rechteroever van de Donau. Op het pleintje iets verderop kwam in 1986, het jaar waarin hij ook de groep rond Bela Kun maakte, de beeldengroep Dames met paraplu's te staan. Varga had een groot aandeel in de samenstelling van de collectie van het museum. Na zijn overlijden kreeg het museum een make over waarbij aan de hand van voorstudies, tekeningen, maquettes en foto's de evolutie van een idee tot kunstwerk wordt getoond. Het museum bevat ook schilderijen, grafisch werk, kleinere en grotere beelden en een beeldentuin met monumentale werken van Varga.
Na de omwenteling in 1989 werden een groot aantal werken van Varga verwijderd uit het Hongaarse straatbeeld en overgeplaatst naar depots en het Memento Park of vernietigd, zoals zijn legendarisch Leninmonument in Mohács uit 1974, waar Lenin voorgesteld werd als een alledaagse man die de trappen afdaalde.
Imre Varga wijzigde zijn thema's en slaagde er in om in beide kanten van het politieke spectrum actief en succesvol te zijn. HIj maakte meerdere werken ter nagedachtenis van de Hongaarse Joden in de Tweede Wereldoorlog. Een opvallend werk is zijn monumentale treurwilg De Levensboom van Emmanuel die in de 1990 in de achtertuin van de Grote Synagoge in de Dohánystraat in Boedapest werd ingehuldigd.
Varga bleef lange tijd actief als beeldhouwer. In 1997 realiseerde hij een monumentaal werk op het fronton van de kerk in de Bartok Belastraat in Boedapest met de beeltenis van het martelaarschap van Sint Gellért. In 2004 kwam het beeld van de schrijver Zsigmond Móricz op het drukke plein in Boeda dat zijn naam draagt.
In 2004 werd Varga ereburger van Boedapest. Hij was al eerder ereburger van zijn geboorteplaats Siofok, waar men in de jaren 1990 het centrum omgebouwd had tot een soort openluchtmuseum met twintig monumentale beelden in de stad en tientallen kleinere sculpturen van Imre Varga in het Imre Kálmán Herdenkingshuis. Een gekend werk is het beeld van Gyula Krúdy in een koets uit 2004.
Varga overleed op 9 december 2019 op 96-jarige leeftijd aan een slepende ziekte en werd begraven in Siófok.

Het beeld van Raoul Wallenberg werd gemaakt in opdracht van Nicolas Salgo, de Amerikaans ambassadeur in Hongarije, overlever van de Holocaust die na de oorlog van Hongarije naar de Verenigde Staten geëmigreerd was. Het beeld werd op 9 april 1987 geplaatst op de Utca Szilágyi Erzsébet in Boedapest. In 2002 kwam er een variante in Tel Aviv.
Wallenberg was een Zweeds architect en zakenman die tijdens de Tweede Wereldoorlog als speciale gezant van de Zweedse regering in Hongarije tienduizenden Joden gered heeft door de uitroeing van het getto in Boedapest te voorkomen en door talrijke Joden een tijdelijk Zweeds paspoort te verstrekken. Het monument toont een wandelende Wallenberg met zijn linkerhand in de zak van zijn regenjas in een ruimte tussen twee muren. Het graniet waaruit het beeld vervaardigd is is afkomstig uit Zweden en werd geselecteerd door familieleden van Wallenberg.
Een ander werk rond de herdenking van de Holocaust is de treurwilgsculptuur uit 1990 in de tuin van de grote synagoge in Boedapest, het Raoul Wallenberg Holocaust Memorial Park genoemd. Elk blaadje van de treurwilg draagt de naam van een slachtoffer. Op vier marmeren platen staan de namen van 240 niet-Joodse Hongaren die Joden tijdens de Holocaust hebben gered.

Het standbeeld van Mihály Károlyi werd in het midden van de jaren 1970 gemaakt in opdracht van de Hongaarse socialistische Arbeiderspartij. De partij wilde dat de kunstenaar de politicus als een jonge, machtige man portretteerde. Het resultaat was echter een figuur die bukt onder innerlijke conflicten die onder een neogotische gebroken boog staat. Het standbeeld stond lange tijd in een park aan het Kossuthplein in Boedapest. Het werd in 2013 overgeplaatst naar Siófok.

Het monument voor Béla Kun, de leider van de kortstondige communistische Hongaarse Sovjetrepubliek van 1919, werd in 1986 in de omgeving van het Széll Kálmán-plein Boedapest opgericht op vraag van de Hongaarse Socialistische Partij naar aanleiding van het honderdste geboortejaar van Béla Kun. Het is een expressionistische metalen sculptuur waarop Béla Kun slechts een van de personages is die met zijn hoed in de hand op een verhoog voor een lantaarnpaal soldaten aanspoort tot de aanval en omgeven is door burgers. Er was controverse rond het verwijderen van dit standbeeld na de val van het communistisch regeime. Varga beweerde dat het werk verkeerd begrepen werd.

Het standbeeld van de componist Béla Bartok uit 1995 bevindt zich op het Spanjeplein in Brussel en en was een geschenk van de stad Boedapest ter gelegenheid van de 50e sterfdag van componist, naar aanleiding van de concertweek die voor dit jubileum was georganiseerd. Bartok was in de jaren 1930 naar Brussel gevlucht wegens het opkomend nazisme in Hongarije en zou later naar Amerika emigreren. Het bronzen beeld werd in meerdere exemplaren gegoten. Ook in Boedapest, Makó, Parijs, Kensington en Toronto bevindt zich een exemplaar.

Een opmerkelijke beeldengroep van Varga uit 1986 staat op het dorpsplein van Óbuda en tonen vier wachtende meisjes met een paraplu. De paraplu werd een terugkerend element in zijn werk. De beeldengroep werd gemaakt naar aanleiding van zijn tentoonstelling ter gelegenheid van de inauguratie van zijn beeld van Bartok door de toenmalige burgemeester Jacques Chirac en verwijst naar het werk van de schrijver Gyula Krúdy, maar ook naar herinneringen in Parijs waar hij in het straatbeeld prostitués in de regen op klanten zag wachten onder een paraplu. De figuren stellen een Frans, Hongaars Engels en Duits meisje voor.