Kleine sterspoorvezelkop

Kleine sterspoorvezelkop
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Inocybaceae
Geslacht:Inocybe
Soort
Inocybe calida
Velen. (1920)
Synoniemen

Inocybe brunneorufa

Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De kleine sterspoorvezelkop (Inocybe calida) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. Het is een kleine, knobbelsporige vezelkop die ectomycorrhiza vormt met loofbomen. In Nederland wordt de soort vooral aangetroffen bij Fagus en eik (Quercus), in lanen en bossen op voedselrijke zand- en kleigronden.

Taxonomie

De soort werd in 1920 beschreven door de Tsjechische mycoloog Josef Velenovský in České Houby. Het holotype werd in juli 1919 verzameld bij Mnichovice in het huidige Tsjechië.

In 1985 onderzocht de Nederlandse mycoloog Thom Kuyper het typemateriaal opnieuw. Hij constateerde dat de steelbasis van het type een duidelijke gerande knol bezit, hoewel Velenovský de steel oorspronkelijk als niet-knollig had beschreven. Kuyper concludeerde tevens dat Inocybe brunneorufa Stangl & J. Veselský dezelfde soort vertegenwoordigt. Omdat de naam Inocybe calida ouder is, heeft deze nomenclatorisch voorrang.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

De kleine sterspoorvezelkop vormt relatief kleine vruchtlichamen. De hoed is aanvankelijk kegelvormig tot gewelfd en wordt later meer uitgespreid, meestal met een duidelijke umbo. De kleur varieert van roodbruin tot kastanjebruin. Het oppervlak is naar de rand toe fijn radiaalvezelig en kan later enigszins opensplijten. Rond het centrum kunnen grijswitte resten van het velum aanwezig zijn.

De lamellen zijn aangehecht tot bijna vrij en worden bij rijping bruinachtig. De steel is cilindrisch en bezit aan de basis een min of meer duidelijk gerande knol. De steel is over de gehele lengte berijpt door de aanwezigheid van caulocystiden. De kleur wordt doorgaans beschreven als witachtig, crème, vleeskleurig tot roodbruin.

Microscopische kenmerken

Kuyper mat bij het typemateriaal sporen van 9,0–11,0 × 7,0–8,0(–8,5) µm, met een Q-getal van 1,2–1,4(–1,5). De sporen hebben 10–15 duidelijke knobbels; sommige zijn door de sterk ontwikkelde knobbels bijna stervormig.

De caulocystiden en pleurocystiden meten bij het type (61–)64–69 × 17–22 µm. Ze zijn spoelvormig tot min of meer utriform en hebben dikke wanden tot ongeveer 3 µm. De caulocystiden lijken op de cheilocystiden en komen langs de steel tot aan de basis voor.

Bij andere onderzochte collecties zijn wat kleinere sporen gemeten. Een Mexicaanse collectie had sporen van 7–10(–11) × (5,5–)5,8–6,7(–7,8) µm met gewoonlijk 9–13 knobbels. De pleurocystiden waren daar 60–75(–85) × (14–)15–18(–22) µm groot en hadden vaak kristallen aan de top.

Ecologie

De kleine sterspoorvezelkop is een ectomycorrhizavormende soort. In Nederland wordt hij vooral vermeld bij beuk en eik. Hij groeit in lanen en loofbossen op humusrijke en voedselrijke bodems, waaronder zand en klei.

Ook buiten Nederland wordt de soort vooral gevonden in loofbossen en op basen- of kalkrijke bodems. Uit Scandinavië zijn onder meer vondsten onder beuk bekend.

Gelijkende soorten

De soort kan worden verward met de sterspoorvezelkop (Inocybe asterospora), die eveneens een gerande steelknol en sterk knobbelige sporen heeft. I. asterospora vormt gemiddeld grotere vruchtlichamen en bezit grotere, vrijwel ronde sporen met sterk uitstekende knobbels.

Een betrouwbare determinatie van de kleine sterspoorvezelkop vereist doorgaans microscopisch onderzoek van onder meer de sporen en cystiden.

Verspreiding

De kleine sterspoorvezelkop is oorspronkelijk beschreven uit Tsjechië en is uit verschillende delen van Europa bekend. In Scandinavië is hij onder meer gemeld uit Denemarken, Noorwegen en Zweden en de soort is ook uit Duitsland bekend. Onder de naam Inocybe brunneorufa is de soort tevens gemeld uit de Kaukasus en Kamtsjatka. Er zijn daarnaast vondsten uit Mexico gepubliceerd.

Nederland

In Nederland geldt de kleine sterspoorvezelkop als 'zeldzaam'. De soort is verspreid over het land aangetroffen, voornamelijk in rijkere lanen en loofbossen.