| Inocybaceae | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Satijnvezelkop (Inocybe geophylla) | ||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||
| ||||||||||
| Familie | ||||||||||
| Inocybaceae Jülich (1982) | ||||||||||
| ||||||||||
De Inocybaceae zijn een familie van schimmels uit de orde Agaricales die 13 geslachten en 821 soorten bevat. Inocybaceae komen wijd verspreid voor in tropische en gematigde gebieden.
Inocybaceae is een recent (2008) geaccepteerde benaming. Hoewel reeds door Jülich in 1982 voorgesteld, werden Inocybe tot voor kort algemeen tot de familie van de Cortinariaceae gerekend.
Het typegeslacht van de familie Inocybaceae is Inocybe. Dit geslacht werd in 1821 door de Zweedse mycoloog Elias Magnus Fries beschreven als een onderverdeling (tribus) van het toenmalige, zeer omvangrijke geslacht Agaricus. In 1863 verhief Fries Inocybe tot een zelfstandig geslacht. De typesoort is Inocybe relicina, waarvan de typificatie in 1949 door Marinus Anton Donk werd vastgelegd.
In de negentiende eeuw werd de indeling vooral gebaseerd op de uiterlijke en microscopische kenmerken van de vruchtlichamen. Een belangrijk onderscheid was de vorm van de basidiosporen. In 1889 onderscheidden Joseph Schröter en Victor Fayod onafhankelijk van elkaar soorten met hoekige of knobbelige sporen van soorten met gladde sporen. Zij plaatsten de eerstgenoemde soorten respectievelijk in de geslachten Astrosporina en Clypeus. De meeste latere mycologen bleven beide sporentypen echter binnen het geslacht Inocybe behandelen.
Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw werd Inocybe tot de familie Cortinariaceae gerekend. De Nederlandse mycoloog Walter Jülich onderscheidde in 1982 de familie Inocybaceae, maar deze opvatting werd aanvankelijk niet algemeen gevolgd. Later moleculair-fylogenetisch onderzoek toonde aan dat de traditionele Cortinariaceae geen monofyletische groep vormden en ondersteunde de erkenning van de Inocybaceae als afzonderlijke familie.
In de twintigste eeuw werden verschillende systemen voorgesteld om Inocybe onder te verdelen. Hierbij speelden vooral de aanwezigheid van pleurocystidia, de bouw van de cheilocystidia, de pigmentatie van de basidiën en de vorm en ornamentatie van de sporen een rol.
Robert Kühner onderscheidde in 1980 onder meer het ondergeslacht Inosperma, waarin hij soorten zonder pleurocystiden en met gladde sporen plaatste. Soorten met pleurocystiden, ongeacht of hun sporen glad of knobbelig waren, werden bij het ondergeslacht Inocybe ingedeeld. Deze indeling week af van systemen waarin gladsporige en knobbelsporige soorten als afzonderlijke hoofdgroepen werden beschouwd.
Thom Kuyper herzag het geslacht in 1986 op basis van morfologische en cladistische kenmerken. Hij onderscheidde drie ondergeslachten: Inocybe, Inosperma en Mallocybe. Vooral de aanwezigheid en ontwikkelingswijze van cystiden en het voorkomen van gepigmenteerde basidiën waren hierbij van belang. Het ondergeslacht Mallocybe werd onderscheiden door onder meer necropigment in de basidiën en een afwijkende oorsprong van de cheilocystiden. Deze indeling vormde een belangrijke basis voor de latere, moleculaire classificatie.
Aan het begin van de 21e eeuw werd de verwantschap binnen de Inocybaceae onderzocht met behulp van DNA-sequencing. In 2005 analyseerde P. Brandon Matheny DNA-sequenties van onder meer de genen RPB1 en RPB2 en het nucleaire ribosomale LSU-rDNA. Hierbij werden ten minste vijf belangrijke evolutionaire lijnen onderscheiden: de Inocybe-, Mallocybe-, Auritella-, Inosperma- en Pseudosperma-lijn. Ook bleek dat een indeling die uitsluitend op gladde of knobbelige sporen was gebaseerd de evolutionaire verwantschappen onvoldoende weerspiegelde.
In 2006 beschreven Matheny en Neale Bougher het geslacht Auritella, met vertegenwoordigers uit Afrika en Australië. In 2010 werd daarnaast Tubariomyces als afzonderlijk geslacht beschreven. Ondertussen werden ook de fylogenetische lijnen Nothocybe en Pseudosperma nader onderzocht. In 2009 besprak Matheny de mogelijkheid om zeven belangrijke evolutionaire lijnen als zelfstandige geslachten te erkennen, maar de formele herindeling volgde pas later.
De ingrijpendste herziening werd uitgevoerd door Matheny, Alicia M. Hobbs en Fernando Esteve-Raventós. Hun onderzoek, dat in december 2019 online verscheen en in 2020 in Mycologia werd gepubliceerd, was gebaseerd op een fylogenetische analyse van zes genetische merkers. Zij erkenden zeven geslachten binnen de Inocybaceae. De voormalige ondergeslachten Inosperma en Mallocybe werden tot geslachtsrang verheven. Daarnaast werden Nothocybe en Pseudosperma als nieuwe geslachten beschreven. Het geslacht Inocybe bleef behouden, maar in een beperktere betekenis (sensu stricto).
De analyse ondersteunde een nauw verwante groep bestaande uit Inocybe, Nothocybe en Pseudosperma, waarbij Nothocybe als zustergroep van Inocybe naar voren kwam. De onderlinge verwantschappen tussen Inosperma, Auritella, Mallocybe en Tubariomyces waren minder sterk statistisch ondersteund.
De herindeling leidde tot talrijke nieuwe naamcombinaties. Zo werd Inocybe rimosa overgebracht naar Pseudosperma rimosum en Inocybe terrigena naar Mallocybe terrigena.
De afbakening van de Inocybaceae ten opzichte van verwante families is in het verleden niet altijd gelijk geweest. Zo werden de Inocybaceae en de Crepidotaceae in de tiende editie van Dictionary of the Fungi (2008) samengevoegd onder de naam Inocybaceae. Hierdoor werden destijds ook geslachten zoals Crepidotus, Simocybe en Flammulaster binnen deze ruim opgevatte familie opgenomen.
Moleculair-fylogenetisch onderzoek ondersteunde echter het onderscheid tussen de Inocybaceae en de Crepidotaceae als afzonderlijke evolutionaire lijnen. Daarbij vormen vertegenwoordigers van de Inocybaceae ectomycorrhiza, terwijl de Crepidotaceae overwegend saprotroof zijn. In de moderne, beperktere opvatting worden de genoemde geslachten niet tot de Inocybaceae gerekend.
De herziening van Matheny en collega's uit 2020 wordt in latere taxonomische publicaties gevolgd. Daarin worden zeven geslachten onderscheiden, hoewel de afgrenzing van soorten en de interne indeling van de afzonderlijke geslachten onderwerp van verder onderzoek blijven.
Binnen de familie Inocybaceae worden onder andere de geslachten Inosperma, Pseudosperma, Mallocybe en Inocybe onderscheiden. De afgrenzing van deze geslachten is gebaseerd op zowel morfologische kenmerken als moleculair-fylogenetisch onderzoek. Belangrijke verschillen zijn te vinden in de bouw van de cystiden, de vorm van de sporen, de pigmentatie van de basidiën en het uiterlijk van de vruchtlichamen.
| Kenmerk | Inosperma | Pseudosperma | Mallocybe | Inocybe |
|---|---|---|---|---|
| Basidiën | Hyalien of met geelbruin pigment; bij sommige soorten met necropigment. | Meestal hyalien, zonder necropigment. | Meestal met bruinachtig necropigment. | Gewoonlijk hyalien, doorgaans zonder necropigment. |
| Cheilocystiden: wand | Dunwandig. | Dunwandig. | Dunwandig. | Meestal dikwandig (metuloïde cystiden). |
| Cheilocystiden: vorm | Variabel, vaak cilindrisch, knotsvormig of opgeblazen; soms met secundaire septen. | Meestal cilindrisch tot knotsvormig, soms peervormig. | Vaak kort, knotsvormig, peervormig of cilindrisch; regelmatig uit meerdere cellen bestaande ketens. | Vaak spoelvormig, flesvormig of knotsvormig; daarnaast kunnen dunwandige paracystiden aanwezig zijn. |
| Cheilocystiden: kristallen | Zonder kristalkroon. | Zonder kristalkroon. | Zonder kristalkroon. | Vaak met kristallen of een amorfe kap aan de top. |
| Cheilocystiden: inhoud | Bij sommige soorten cyanofiel; soms met gekleurde inhoud. | Gewoonlijk hyalien. | Meestal hyalien, soms gepigmenteerd. | Variabel; de cystidewanden kunnen in KOH geelachtig verkleuren. |
| Herkomst van de cheilocystiden | Van (sub)hymeniale oorsprong, vermoedelijk als gemodificeerde basidiën. | Van subhymeniale oorsprong, waarschijnlijk als gemodificeerde basidiën. | Als eindcellen van hyfen uit de lamellentrama. | Van (sub)hymeniale oorsprong. |
| Pleurocystiden | Afwezig. | Afwezig. | Afwezig. | Bij de meeste soorten aanwezig, meestal dikwandig; bij enkele soorten schaars of afwezig. |
| Sporen: oppervlak | Glad. | Glad. | Glad. | Glad of hoekig tot knobbelig. |
| Sporen: vorm | Meestal ellipsoïde, eivormig of boonvormig. | Meestal ellipsoïde tot zwak boonvormig, soms eivormig. | Meestal ellipsoïde tot boonvormig, vaak met afgeronde top. | Ellipsoïde, amandelvormig, hoekig of knobbelig, afhankelijk van de soort. |
| Apiculus | Meestal klein. | Meestal klein en weinig opvallend. | Gewoonlijk klein en weinig opvallend. | Aanwezig; de opvallendheid verschilt per soort. |
| Hoedoppervlak | Glad, viltig, ingegroeid vezelig, wollig of schubbig; soms met opstaande schubben. | Meestal radiaal vezelig en gespleten (rimose); zelden duidelijk schubbig. | Vaak viltig, wollig of fijnschubbig; soms vrijwel glad. | Zeer variabel: glad, radiaal vezelig, fijnschubbig, wollig of gespleten. |
| Lamellen | Meestal aangehecht tot bochtig aangehecht. | Vaak bochtig aangehecht tot smal aangehecht; snede dikwijls franjeachtig. | Meestal breed aangehecht, soms enigszins aflopend; vaak weinig buikig. | Variabel, vaak smal tot bochtig aangehecht. |
| Steel | Vaak langer dan de hoedbreedte, vezelig en soms met een verdikte basis. | Meestal relatief slank, vezelig en vaak aan de top fijn bevlokt of berijpt. | Doorgaans relatief kort, soms korter dan de hoedbreedte; regelmatig hol. | Variabel van lengte, aan de top of over een groter gedeelte berijpt door cystiden. |
| Steelbasis | Soms knolvormig verdikt. | Soms enigszins tot duidelijk verdikt. | Gewoonlijk niet opvallend knolvormig. | Kan recht, knolvormig of duidelijk gerand-knollig zijn. |
| Geur | Vaak karakteristiek: honingachtig, fruitig, zoetig, visachtig of wantsenachtig; doorgaans niet spermatisch. | Regelmatig spermatisch, maar ook aromatisch, honingachtig of onopvallend. | Vaak zwak of onopvallend; doorgaans niet spermatisch. | Dikwijls spermatisch, maar ook anderszins karakteristiek of onopvallend. |
| Verkleuring van het vlees | Bij verschillende soorten roodachtig verkleurend na beschadiging. | Meestal niet rood verkleurend. | Doorgaans niet rood verkleurend. | Variabel; bij sommige soorten roodachtig verkleurend. |
| Reactie van de hoed met KOH | Geen algemeen diagnostische reactie. | Geen algemeen diagnostische reactie. | Hoedoppervlak wordt bij veel soorten duidelijk donkerder. | Variabel per soort. |
De kenmerken zijn algemene tendensen en vormen afzonderlijk geen sluitende determinatiesleutel. Vooral Inosperma en Pseudosperma kunnen macroscopisch op elkaar lijken. Bij de afgrenzing van de geslachten zijn de aanwezigheid van pleurocystiden, de wanddikte en versiering van cheilocystiden, de pigmentatie van basidiën en de hoedstructuur belangrijke kenmerken. Bij moeilijk te onderscheiden soorten kan DNA-onderzoek noodzakelijk zijn.
De Index Fungorum geeft de onderstaande geslachten voor de Inocybacaeae: