| Jan van Schayck | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Jan Eerstensz van Schayck | |||
| Geboren | 1470 (juliaans) | |||
| Overleden | 1517 (juliaans) | |||
| Geboorteland | Nederland | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep | Beeldhouwer, beeldsnijder | |||
| Links | ||||
| RKD-profiel | ||||
| ||||


Jan Eerstensz van Schayck (ca. 1470 – in of voor 1527) was een Noord-Nederlands beeldsnijder. Van Schayck wordt naast Adriaen van Wesel en de 'Meester van de Utrechtse Stenen Vrouwenkop' gerekend tot de belangrijkste meesters van de Utrechtse beeldhouwkunst in de 15e eeuw.
Jan van Schayck was een zoon van Eerst van Schayck de Oude en Margriet. Hij was twee maal gehuwd en had ten minste twee kinderen. Uit zijn huwelijk met Hillegond Gerritsdr Zas werd Ernst van Schayck (ovl. 1564) geboren. Ernst was vicaris (1515) en kanunnik (1528) van de Pieterskerk, hij schonk in 1554 een memorietafel als altaarstuk aan de Pieterskerk, waarop de familiewapens Van Schayck en Zas zijn afgebeeld. Jan van Schayck overleed voor december 1527, toen werd zijn tweede echtgenote vermeld als "Jan van Scayck die beeltsnijders wedue".
Diverse leden van de familie Van Schayck waren actief als schilders. Jan van Schayck koos voor de beeldhouwkunst. Hij was in de periode 1494-1523 als beeldsnijder/beeldhouwer werkzaam in de stad Utrecht en werkte in hout en in steen. De stad kende in zijn tijd meerdere bloeiende beeldhouwateliers, mede vanwege de bouw van de Utrechtse kathedraal, de Domkerk, die z'n hoogtepunt beleefde tussen 1460 en 1520. Dat Van Schayck niet alleen voor incidentele opdrachten, maar ook in loondienst aan de Dom werkte, blijkt onder andere uit de betalingen van de fabriekskamer van de Dom aan hem zijn twee knechten. In de periode dat het schip werd gebouwd en afgewerkt (1508-1509) ontvingen zij ten minste 388 daglonen. Van Schayck gebruikte voor zijn mensfiguren "een zeer herkenbaar gelaatstype, dat wordt gekarakteriseerd door de uitpuilende ogen met de opgezwollen oogleden, de kleine wipneus en het relatief smalle mondje. Uit het aangezicht spreekt meestal een ingetogen of weemoedige uitdrukking."
Een van de werken die Van Schayck voor de Domkerk maakte is een serie van negen gewelfschotels in avendersteen voor de nieuwe librije. Hij kreeg in 1497 zestien Rijnlandse gulden betaald om "die sloetsteyn ende capitelen mit halfbeelden te maken in der librien". De serie met voorstellingen in hoogreliëf bestaat uit een centrale steen met God de Vader, vier kleinere ronde stenen met de kerkvaders Augustinus, Gregorius, Hiëronymus en vermoedelijk Ambrosius en nog eens vier ronde stenen met de symbolen van de vier evangelisten. De steen van God de Vader is 47 x 49 centimeter, de ronde stenen hebben een diameter van ca. 32-34 centimeter. De schotels werden met behulp van ijzeren ogen aan de achterzijde onder de kruisingen van het netgewelf gehangen. In 1826 werden de gewelfschotels vanuit de nalatenschap van de Utrechtse archivaris Petrus van Musschenbroek (1764-1823) geveild en kwamen op verschillende plekken terecht. De gewelfschotel van God de Vader werd in 1872 aan het Bisschoppelijk Museum Haarlem geschonken, waarvan de collectie is ondergebracht bij het Museum Catharijneconvent. Deze steen werd in 1996 gerestaureerd door Paulus Reinhard. De schotel met vermoedelijk Ambrosius was in 1826 al verdwenen, de andere drie schotels met kerkvaders werden opgenomen in de collectie van het Centraal Museum te Utrecht. De vier ronde stenen met de evangelistensymbolen, de engel van Matteüs, de leeuw van Marcus, de os van Lucas en de adelaar Johannes, werden in 1945 geschonken aan het Victoria & Albert Museum in Londen. Oorspronkelijk waren alle schotels gepolychromeerd, de polychromie werd uitgevoerd door Ernst van Schayck en Dirck Scay.