| Jean Delhaye | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsinformatie | ||||
| Geboortedatum | 15 augustus 1908 | |||
| Geboorteplaats | Vodelée | |||
| Overlijdensdatum | 15 januari 1993 | |||
| Overlijdensplaats | Elsene | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | architect | |||
| Werkveld(en) | ontwerp, architectuur | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Archieflocatie | Archieven voor Moderne Architectuur | |||
| ||||
Jean Delhaye (Vodelée (Doische), 15 augustus 1908 - Elsene (Brussel), 15 januari 1993) was een modernistische Belgische architect. Hij werd opgeleid door en was een van de laatste medewerkers van Victor Horta, wiens werk hij na 1958 hartstochtelijk verdedigde. Hiervoor kreeg hij in 1986 de Prix Baron Horta.
Delhaye volgde zijn opleiding aan de Academie van Brussel tussen 1929 en 1933 en wordt beschouwd als een van de laatste leerlingen van Horta. In de periode 1934–1946 was hij verbonden aan het atelier van zijn leermeester. Delhaye werd in 1939 gemobiliseerd, in mei 1940 gevangengenomen tijdens de Duitse invasie en daarna als krijgsgevangene vastgehouden in Sleeswijk.
Vanaf circa 1950 zette hij zich actief in voor de erkenning en het behoud van Horta’s werk. Hij was betrokken bij de restauratie van verschillende gebouwen van Horta en speelde een belangrijke rol in de oprichting van het Horta Museum, dat in 1969 werd geopend. Mede door zijn inzet kreeg zowel Horta als de Belgische art nouveau internationale bekendheid.
Daarnaast ontwikkelde Delhaye een eigen architecturale praktijk, waarin hij zich vooral richtte op modernistische appartementsgebouwen in Brussel. Ook realiseerde hij diverse villa’s, waaronder een eigen vakantiewoning in Dworp, erkend als bouwkundig erfgoed sinds 8 oktober 2021.
Zijn archief bevat circa 200 bouwtekeningen, maquettes en oud fotomateriaal uit de periode 1941 tot 1975. Het wordt beheerd door de Archives d'Architecture Moderne.
Een tentoonstelling “Jean Delhaye, architect[e]” werd opgezet door ARCHistory, in samenwerking met de gemeente Ganshoren. Hij vertelt, aan de hand van het leven van deze man, het verhaal van de 20e-eeuwse architectuur in Brussel, van art nouveau via modernisme tot behoud en restauratie te midden van de oorlog en de naoorlogse wederopbouw van de stad. De tentoonstelling was eerst te zien in de uitbreiding van het Hotel van Eetvelde (10 september 2024 - 24 februari 2025) en daarna in het Atelier Brunswyck/Wathelet in Ganshoren (14 maart 2025 - 29 maart 2026).

Eind jaren vijftig, toen Horta's werk werd geminacht, zelfs bespot als een "noedelstijl", begon hij de originaliteit ervan te begrijpen en publiekelijk de bescherming ervan te verdedigen. Dit gebeurde ondanks het feit dat hijzelf in 1938 en 1957 twee keer een verzoek had ingediend tot sloop van de uitbreiding van het Hotel van Eetvelde, gelegen aan de Palmerstonlaan nummer 2. Het huis was eigendom van zijn ouders en zou respectievelijk vervangen worden door een negen verdiepingen tellend en een zes verdiepingen tellend gebouw.
In 1948 werd het Hotel Aubecq verkocht met de bedoeling om op het terrein appartementen te bouwen. Delhaye deed een beroep op invloedrijke mensen om het gebouw te redden, maar dat mislukte. Hij dwong de autoriteiten wel tot subsidie voor een reddingsoperatie, waarbij slechts enkele ramen, ijzerwerk en stenen van de gevel van het Aubecq-herenhuis konden worden bewaard. De autoriteiten beloofden een gedeeltelijke reconstructie op een later tijdstip. Deze ijdele overwinning was het begin van zijn kruistocht. Hij zou de rest van zijn leven wijden aan het verdedigen van Horta's nalatenschap, het uitleggen van zijn genialiteit en het persoonlijk redden van de meeste van zijn belangrijkste herenhuizen.
Tijdens de grootschalige verstedelijking van Brussel voorafgaand aan de Wereldtentoonstelling van 1958, toen een heel deel van het Brusselse erfgoed zonder pardon verdween, bracht dit besef hem ertoe van gedachten te veranderen. Hij weigerde de trend te volgen en besloot in 1958 het huis te behouden en het als kantoor te gebruiken. Delhaye verwierf met dit doel ook andere Horta-gebouwen, waaronder het Hotel Tassel, het Hotel Deprez-Vandevelde.
In 1963 behaalde Delhaye zijn eerste echte triomf toen de overheid instemde met de bescherming van het huis en atelier van Horta als monument, het eerste 19e-eeuwse gebouw dat deze eer te beurt viel. In 1965 kon hij de sloop van het Volkshuis in Brussel, een waar werelderfgoed en meesterwerk van de art nouveau, niet voorkomen. Het gebouw werd door de Belgische Socialistische Partij opgeofferd om plaats te maken voor meer functionele ruimtes. Horta's meesterwerk werd in 1966 vervangen door een 26 verdiepingen tellende toren, bekend als de "Blatontoren", genoemd naar de aannemer die hem bouwde.
Bronnen
Referenties