| John Colet | ||||
|---|---|---|---|---|
John Colet door onbekende artiest naar een schets van Hans Holbein de Jonge die zich op zijn beurt baseerde op een buste van Pietro Torrigiano | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Naam | John Colet | |||
| Geboren | Januari 1467 | |||
| Overleden | 16 september 1519 | |||
| Land | Engeland | |||
| Beroep | Priester, humanist, theoloog | |||
| Levensbeschouwing | Christelijk | |||
| ||||
John Colet (Londen, januari 1467 – Sheen, Surrey, 16 september 1519) was een Engelse katholieke priester en met de oprichting van de St Paul's School in Londen een belangrijke onderwijsvernieuwer. Met zijn vrienden Desiderius Erasmus en Thomas More wordt hij wel gerekend tot de Oxford Reformers, drie humanisten verbonden aan de universiteit van Oxford die zich afkeerden van de middeleeuwse scholastieke traditie en terug wilden keren naar de bronnen (ad fontes).
Zijn leven stond in het teken van de leer over het mystieke lichaam van Christus, maar als kerkelijk hervormer had hij uiteindelijk weinig succes. Zijn ware triomf lag in zijn radicale humanistische onderwijsfilosofie.
John werd geboren als eerste van 22 kinderen van Sir Henry Colet en Dame Christian Colet en de enige die volwassen werd. Henry had grote rijkdom verworven in de wol- en lakenhandel, trad toe tot The Mercers' Company en de Company of Merchant Adventurers of London en was tweemaal Lord Mayor of London. Het is niet geheel zeker waar hij zijn eerste opleiding volgde. De school behorende bij het St. Anthony's Hospital wordt wel genoemd, maar ook de aan The Mercers' Company gelieerde school bij het Hospital of St Thomas of Acre. Rond 1483 vervolgde hij zijn opleiding aan de universiteit van Oxford, waarschijnlijk het Magdalen College, waar hij na zeven jaar studie zijn Master of Arts behaalde. Hoewel deze studie nog diep geworteld was in de scholastiek van de zeven vrije kunsten ontwikkelde hij hier al een fascinatie voor de klassieken zoals Cicero. In 1485 liet zijn vader hem benoemen tot rector van de St Mary's in Dennington wat hij tot zijn dood bleef en in 1490 tot rector van St Nicholas (St James) in Thurning. Deze laatste gaf hij op toen hij tijdens zijn afwezigheid in 1494 werd benoemd tot prebendaris van York en kanunnik van St. Martin's Le Grand. Ironisch genoeg waren dit prebende sine cura, schenkingen zonder zielenzorg waar hij zich later juist tegen zou verzetten.
Geïnspireerd door William Grocyn en Thomas Linacre maakte Colet een reis naar Italië. Hij vertrok eerst naar Frankrijk, waarbij vaak het jaar 1493 wordt genoemd, maar dit conflicteert met documenten die hem in september 1492 al in het Engelse Hospice in Rome plaatsen. Waarschijnlijker vertrok hij eind 1491 of begin 1492. In Parijs verdiepte hij zich aan de Sorbonne in kerkelijk recht en de patristiek. Hier kwam hij in aanraking kwam met de kring van vroege Franse humanisten waaronder ook de jonge Guillaume Budé die classicus zou worden.
Aan de universiteit van Orléans verdiepte hij zich daarna in burgerlijk en Romeins recht. In Rome legde hij zich daarna toe op de exegese van de Bijbel, daarbij niet zoals gebruikelijk filosoferend over losse onderdelen, maar binnen de historische en literaire context. Daarnaast verdiepte hij zich verder in kerkelijk en Romeins recht. Ook werd hij gegrepen door het Florentijnse neoplatonisme van Marsilio Ficino en Giovanni Pico della Mirandola die de filosofie van Plato verweefden met het christelijke geloof. Door de vertalingen van Ficino van Plato en Plotinus leerde Colet ook hen kennen.
In Rome zag hij de simonie, moreel verval en nepotisme onder paus Alexander VI (Rodrigo Borgia) wat bij hem de basis legde voor zijn strijd tegen kerkelijke misstanden en voor hervormingen binnen de katholieke kerk. Dat werd gesterkt door de werken van Girolamo Savonarola die opriep tot radicale hervorming en tegen intellectuele kennis was die niet leidt tot een moreel en vroom leven. Savonarola verwierp het renaissancehumanisme van Ficino en Pico, hoewel hij hen goed kende en zij elkaar beïnvloeden. Onder invloed van Savonarola ontdeed Colet het renaissancehumanisme van de nadruk op klassieke literatuur en seculiere cultuur en bracht de nadruk terug naar het herstellen van het zuivere christendom. Zo keerde hij in 1496 terug naar Engeland als een christelijk humanist. Op zijn terugreis deed hij eerst nog weer Parijs aan, waar hij Robert Gaguin opzocht die in 1495 zijn De origine et gestis Francorum compendium had voltooid.
In Engeland aangekomen spoedde hij zich naar Oxford, waar hij als onafhankelijk docent openbare lezingen over de brieven van Paulus gaf, opmerkelijk voor iemand die nog geen doctoraat in de theologie had behaald en nog niet tot priester was gewijd. De lezingen begon hij over de Romeinenbrief en bleken een sensatie aangezien Colet brak met de traditionele scholastische benadering waarbij enkele woorden of zinnen overladen werden met ingewikkelde filosofische commentaren of vergezochte allegorieën. In plaats daarvan behandelde hij de brieven als een geheel en behandelde de vraag wie Paulus was, aan wie hij zich richtte en waarom en wat de politieke en maatschappelijke situatie van het oude Rome toen was, daarbij zelfs de Romeinse geschiedschrijver Suetonius gebruikend. Ook verliet hij de droge aristotelistische benadering van de Summa theologiae van Thomas van Aquino en verving deze door een platoonse benadering waarin de nadruk lag op de liefde van God, de wens om een beter mens te worden en dat geloof en goddelijke liefde (caritas) de mens transformeren. God zou liever geliefd worden dan geanalyseerd. De gratis toegankelijke lezingen waren een schok in het behoudende middeleeuwse Engeland, maar bleken een doorslaand succes.
Op 17 december 1497 werd hij eindelijk tot diaken gewijd om op 25 maart 1498 tot priester te worden gewijd, vier jaar na zijn aanstelling als kanunnik. Dat jaar overleed ook de laatste van zijn broers en zussen en bleef hij als enige erfgenaam over. De tragedie maakte dat hij ondanks die rijkdom sober zou leven. Het jaar daarop vond een belangrijke intellectuele ontmoeting plaats toen Erasmus in Oxford arriveerde nadat deze door Lord Mountjoy was meegenomen uit Parijs. Diens naam was nog niet wijdverbreid bekend, maar wel al onder hen die banden hadden in Parijs. Colet schreef hem direct een welkomstbrief waarin hij vermeldde via Gaguin over hem gehoord te hebben. Hij vroeg Erasmus om lezingen te geven over een van de boeken uit het Oude Testament, Genesis of Jesaja. Erasmus vond echter dat hij nog te weinig kennis had van het Hebreeuws, het Oudgrieks en de theologie en wees het verzoek dan ook af. Daarmee was het voorstel van Colet de stimulans voor Erasmus om werk te maken van de studie van het Grieks om het Nieuwe Testament te zuiveren van de vertaal- en kopieerfouten in de Vulgaatbijbel en de vroege kerkvaders te leren kennen. Het was ook Erasmus die hem stimuleerde om zijn middeleeuws Latijn te verfijnen naar humanistische Latijn.
Erasmus woonde wel de lezingen van Colet bij en zag daar het contrast met de droge scholastiek van Parijs en wat het alternatief was. Debatten tussen Colet en Erasmus scherpten beide, zoals over de vermeende wens van Jezus in de hof van Getsemane om God af te laten zien van zijn kruisdood, zoals beschreven in Matteüs 26:39, Marcus 14:36 en Lucas 22:42. Volgens Colet kende Jezus gezien zijn goddelijkheid geen angst voor zijn eigen dood, maar voor de schuld die bij de Joden zou komen te liggen. Volgens Erasmus ervoer Jezus wel degelijk een menselijke angst en was juist de overwinning hiervan ingegeven door zijn liefde voor de mensheid. Dit laatste maakte het volgens Erasmus ook niet nodig om aan zelfkastijding of anderen vormen van boetedoening te doen. In plaats van vreugde vanwege zelf ondergane kwellingen of extreme ascese ging het om naastenliefde en verminderen van egoïsme.
Naast zijn universitaire carrière werd hij in 1499 ook vicaris van St Dunstan's in Stepney, in 1502 kanunnik van Salisbury en prebendaris van Durnford. Aan het einde van zijn periode in Oxford werd hij in 1504 dan eindelijk Divinitatis Doctor, waarna hij in 1505 door koning Hendrik VII werd aangesteld als deken van de St Paul's Cathedral in Londen als opvolger van Robert Sherburne die bisschop van St Davids werd. Voor deze zware functie gold wel een residentieplicht en had hij de dagelijkse leiding over de kathedraal. Dat gaf hem ook de kans om zijn gewenste hervormingen in te zetten. Hij liet de statuten aanpassen waarmee de kanunniken en priesters verplicht werden om daadwerkelijk te resideren en hun liturgische plichten serieus te nemen. Ook zette hij hier zijn theologische colleges voort en delegeerde hij het preken niet zoals gebruikelijk, maar preekte zelf en dan ook nog in het Engels, wat het toegankelijk maakte voor het gewone volk. Deze rigoureuze veranderingen maakten hem niet geliefd bij zijn kanunniken en andere priesters die over hem klaagden bij bisschop Richard FitzJames. Met de dood van Hendrik VII in 1509 kwam met Hendrik VIII echter de eerste humanistische koning aan de macht, wat een steun in de rug was voor Colet.
Het was in deze periode dat Thomas More worstelde met zijn roeping. Hij woonde vlakbij kartuizerklooster van Londen en twijfelde of hij monnik moest worden. Colet overtuigde hem dat hij een vroom leven kon combineren met een gezin. Tussen Colet, Erasmus en de jongere More ontstond zo een intellectuele driehoek.
Als deken streefde Colet naar hervormingen, maar slaagde hier buiten zijn eigen decanaat niet in. Zijn overmatige idealisme en niet-realistische beeld van de Kerk werkten hem daarbij tegen. Zo werd van een decaan een ruime gastvrijheid verwacht waarbij deze, zeker op feestdagen, grote maaltijden moest organiseren voor zijn geestelijken. Colet koos daarbij bewust voor soberheid en voor intellectuele gesprekken in plaats van het gebruikelijke vermaak. In combinatie met zijn onbuigbare hervormingen en strenge regels met harde straffen vervreemdde hij de lagere geestelijken van zich. Daarbij kwam dat de theoloog zonder praktische ervaring te weinig oog had voor het feit dat er aan de top weliswaar sprake was van corruptie, maar dat de Kerk aan het begin van de zestiende eeuw juist bij de lagere geestelijken een levendige en groeiende organisatie was waar de nadruk lag op het uitvoeren van de Opus Dei. Door zijn gebrek aan diplomatie en tactloze manier van handelen verspeelde hij ook bij de nodige hogere geestelijken krediet. Zijn nadruk op het ideaalbeeld van de hemelse hiërarchie en de kerkelijke hiërarchie van pseudo-Dionysius bracht hem in conflict met de bestaande hiërarchie die hier niet aan voldeed. Desondanks had hij belangrijke medestanders, zoals de bisschop van Rochester, John Fisher, de bisschop van Winchester, Richard Foxe, en uiteindelijk ook Sherburne.
Na de dood van zijn vader in 1505 kon Colet beschikken over diens grote erfenis die hem in staat stelde om in 1509 te beginnen met het opzetten van de St Paul's School (naast de al bestaande St Paul's Cathedral School) die uiteindelijk in 1512 werd geopend. In plaats van deze onder kerkelijk bestuur te plaatsen, bracht hij deze onder bij de The Mercers' Company, aangezien hij onder getrouwde leken de minste corruptie had aangetroffen. Hij stelde grammaticus William Lily, een pupil van Linacre, aan als eerste schoolhoofd, terwijl Erasmus hem hielp met studieboeken door wat later bekend werd als Rudimenta Grammatices van Lily grondig te corrigeren en daarnaast de leeswijzer De Ratione Studii, de redevoering Concio de Puero Jesu en bewerkte Disticha Catonis. Erasmus droeg ook De Copia op aan Colet. Linacre had eerder een Latijnse grammatica geschreven, maar deze werd door Colet als te ingewikkeld voor zijn leerlingen beoordeeld. De Rudimenta Grammatices van Linacre zou later wel een standaardwerk voor gevorderde studenten worden. Ook Grocyn was verbonden aan zijn school nadat hij jarenlang in Oxford New Learning (Grieks en puur Latijn) had gedoceerd.
Het nieuwe schoolgebouw ten oosten van de St. Paul's Cathedral bood plaats aan precies 153 jongens, naar het aantal vissen in de wonderbare visvangst volgens het Evangelie volgens Johannes 21:1-24. Het onderwijs was gratis en open voor iedere jongen die de basis van het Latijn beheerste. Ondanks de voortdurende laster door FitzJames vanwege de studie van de klassieken groeide de school uit tot voorbeeld van de nieuwe lichting van humanistische grammar schools in de vroegmoderne tijd. Tegelijkertijd was de school nog steeds conservatief en verbood zo bijvoorbeeld de klassieken die niet voldeden aan de christelijke normen.
William Warham, de aartsbisschop van Canterbury en daarmee dus namens de machtigste kerkprovincie van het koninkrijk Engeland, vroeg Colet om tijdens de synode van 1512 te spreken over de strijd tegen ketterij. Ketterij speelde al vanaf John Wyclif en de latere lollarden. Vanaf 1510 laaide de vervolging van de lollarden weer op onder aanvoering van Warham en FitzJames, waarbij de eerste een humanistischer aanpak had, maar vooral de laatste een felle jacht op ketters opende. In zijn preek voor de Convocatie richtte Colet zich echter niet op de ketters, maar op de geestelijkheid zelf die door hun gedrag de moraal van de Kerk zouden ondermijnen. Ze waren meer bezig met status en titels, hielden zich niet aan het celibaat en aan soberheid, waren hebzuchtig en maakten zich schuldig aan simonie en waren meer bezig met wereldse dan met kerkelijke zaken. Als de geestelijken hun eigen gedrag niet konden beteugelen, dan zouden nieuwe wetten en de jacht op ketters onvoldoende zijn om het gezag van de Kerk te redden. De kern van de preek bestond net als tijdens zijn colleges over de Romeinenbrief weer uit zijn favoriete Bijbelvers uit Romeinen 12:2, Wordt niet gelijkvormig aan deze wereld.
FitzJames, die als bisschop van Londen nota bene zijn zetel had in de St Paul's Cathedral, was woedend en klaagde Colet aan wegens ketterij. Desondanks hield Colet zich niet op de achtergrond toen Hendrik VIII de onder zijn vader afgedwongen Vrede van Étaples met Frankrijk negeerde en zich in 1511 aansloot bij de Heilige Liga, de door paus Julius II opgezette anti-Franse alliantie. In 1512 werd onder leiding van admiraal Edward Howard de slag bij Saint-Mathieu gevoerd. Tijdens zijn toespraak op Goede Vrijdag op 27 maart 1513 in de koninklijke kapel in Greenwich voor het koninklijk hof en de legertop preekte Colet dat oorlogen niet uit ambitie of haat gevoerd mochten worden, maar alleen in dienst van Christus. Bezorgd dat de preek de moraal van zijn troepen zou beïnvloeden, nam de koning Colet apart in de paleistuin, maar werd daar overtuigd van diens oprechtheid en integriteit. Zozeer zelfs dat hij Colet publiekelijk in bescherming nam en Warham de aanklacht van ketterij seponeerde. Zijn preek had echter geen invloed op het besluit van de koning die doorzette. Op 25 april volgde een vergeldingsaanval onder admiraal Howard die daarbij omkwam en in augustus werd met de Slag bij Guinegate de strijd tegen Frankrijk voortgezet onder Hendrik VIII zelf.
In 1515 mocht hij de preek houden voor de installatie van Thomas Wolsey tot kardinaal in Westminster Abbey. Wolsey die als aartsbisschop van York de minder machtige kerkprovincie bestuurde, nam door deze benoeming juist de belangrijkste positie over van Warham. Colet bleef trouw aan zijn principes en waarschuwde de kardinaal voor de gevaren van hoogmoed en arrogantie. Warham bleef wel een belangrijke beschermheer van Colet. Rond 1516 werd Colet zelfs aangesteld tot hofkapelaan.

Vanaf 1517 werd hij echter tot driemaal toe getroffen door de zweetziekte. Hoewel hij dit overleefde, verzwakte hij hierdoor sterk. Daarom trok hij zich in 1518 terug in een voor hem gebouwd verblijf op het terrein van het kartuizerklooster van Sheen waar hij een jaar later overleed toen de zweetziekte weer toesloeg. Tragisch genoeg overleefde zijn moeder hiermee zowel haar echtgenoot als al haar tweeëntwintig kinderen.
Colet kreeg een praalgraf in het koor van zijn St Paul's Cathedral, destijds een bekend monument in Londen compleet met een skelet aan de onderzijde, een memento mori, en een buste van Pietro Torrigiano aan de bovenzijde. Dit ging echter verloren bij de grote brand van Londen van 1666. Zijn manuscripten en handgeschreven bijbelcommentaren liet Colet na aan de bibliotheek van zijn St. Paul's School.
Erasmus schreef na zijn dood een in memoriam over zowel Colet als Jean Vitrier, een invloedrijke Franse franciscaner monnik, die hij richtte aan Jodocus Jonas in een poging hem te behoeden voor Maarten Luther te kiezen, die vlak daarvoor in 1517 zijn 95 stellingen had gepubliceerd en in 1521 door paus Leo X was geëxcommuniceerd. De poging bleek tevergeefs, maar beïnvloedde wel het beeld dat van Colet ontstond. Erasmus had de vroomheid en katholieke loyaliteit van Colet aangedikt en verbloemde juist diens twijfels over zaken als beeldenverering. William Tyndale gebruikte in 1528 de kritiek op de preken van Colet in het Engels en de aanklachten wegens ketterij om zijn eigen positie te verdedigen tegenover Thomas More, terwijl Hugh Latimer in 1552 zijn positie verdedigde door te overdrijven dat Colet ternauwernood was ontsnapt aan de brandstapel. Zo ontstond rond Colet steeds meer het beeld van een proto-protestant, wat hem in 1563 een plek opleverde in Het boek van de martelaren van John Foxe.
Hoewel zijn invloed via zijn school langdurig en wijdverbreid was, verdween zijn naam al snel uit het collectief geheugen, ook omdat er geen werken van hem overgeleverd leken. Zijn naam dook nog wel op als wegbereider voor de Reformatie, maar dan in de marge. In 1724 publiceerde Samuel Knight met The Life of Dr. John Colet, Dean of St. Paul's een biografie, waarin Colet wederom werd neergezet als uitdrager van het protestantisme, maar waar zijn hervormingen binnen de katholieke leer buiten beeld bleven. Dit bleef drie eeuwen het geval tot vanaf de jaren 1820 de ontstaansgeschiedenis van de Anglicaanse Kerk kritischer werd beschouwd, waarbij de rol van Hendrik VIII problematisch bleek. Zo zocht de Oxford Movement in de jaren 1830 naar een herstel van de katholieke traditie binnen de Anglicaanse Kerk, een via media (middenweg) tussen Rome en het protestantisme. Hun invloed verdween nadat enkelen overgingen tot het katholieke geloof, maar de wens om katholieke hervormers te vinden bleef. In dat licht publiceerde Frederic Seebohm in 1867 Oxford Reformers: John Colet, Erasmus, and Thomas More, een werk dat de belangstelling voor Colet terugbracht. Seebohm zette Colet echter neer als een rationele moderne denker die brak met het middeleeuwse geloof, terwijl Colets eigen theologie veel meer geworteld was in de middeleeuwse mystiek zoals in de werken van pseudo-Dionysius. Ook was de oproep van Colet om terug te keren naar de bronnen niet het ondergeschikt maken van de kerkelijke hiërarchie, waar Colet groot ontzag voor had. Verder vertekende Seebohm de onderlinge dynamiek met Erasmus en More, waarbij hij Colet voorstelde als degene die Grieks beheerste en Erasmus aan had gezet tot zijn werk aan het Nieuwe Testament. In werkelijkheid was hij niet de leraar van de grote meester Erasmus, maar was hun relatie veel gelijkwaardiger. Het werk van Seebohm bracht echter wel de belangstelling voor Colet terug.
Joseph Hirst Lupton, de toenmalige sur-master van St Paul's School, begon in 1867 ook met de publicatie van vijf werken van Colet:
Dit liet Lupton volgen door correspondentie van Erasmus over Colet en uiteindelijk in 1887 de biografie A Life of John Colet in een poging tegenwicht te bieden aan het vertekende beeld dat ontstaan was, maar ook hij ontkwam er niet aan Colet als veel moderner af te spiegelen dan deze werkelijk was. Hij dateerde daarnaast enkele werken als zijnde uit de Oxford-periode, terwijl deze mogelijk pas later geschreven waren, waardoor de intellectuele ontwikkeling van Colet niet goed naar voren kwam.
Hiermee veranderde het beeld van Colet als proto-protestantse wegbereider naar vrome victoriaanse held. Het werk van Percy Stafford Allen en zijn vrouw Helen Mary over Erasmus opende bronnen voor onderzoekers van Colet. Eugene F. Rice Jr. was daarbij de eerste die zich niet op eerdere biografieën, maar op het werk van Colet zelf. Uit zijn werk werd duidelijk dat Colet God alle eer en macht toe te schrijven en de rol mens minimaliseerde. Hoewel Sears Jayne het Grieks van Colet overschatte, maakte zijn werk duidelijk dat Colet in tegenstelling tot zijn humanistische vrienden een Augustijnse visie op de mensheid had en daarmee een pessimistische mensbeeld had. Ook werd door hem de mengeling van christelijke waardes en neoplatonisme duidelijk. Vanaf de jaren 1960 werd ook duidelijk dat Erasmus een intentie had gehad met zijn werk over Colet die het beeld vertekende en richtte het onderzoek zich op het terugplaatsen van Colet in het Tudor-tijdperk, wat sterk naar voren kwam in het werk van John Bernard Gleason. Jonathan Arnold dateerde de werken van Colet echter ook weer vroeg, wat mogelijk een verklaring is waarom Colet zijn theoretisch Oxford-model op de praktijk probeerde te forceren.