| Thomas More | ||||
|---|---|---|---|---|
Portret van Thomas More door Hans Holbein de Jonge (1527) | ||||
| Geboren | 7 februari 1478 Londen, Engeland | |||
| Overleden | 6 juli 1535 Tower Hill, Engeland | |||
| Partner | Jane Colt (1505–1511) Alice Middleton (1511–1535) | |||
| Beroep | Jurist, staatsman, schrijver, humanist | |||
| Religie | Rooms-katholiek | |||
| Handtekening | ||||
| Lord Chancellor | ||||
| Aangetreden | 26 oktober 1529 | |||
| Einde termijn | 16 mei 1532 | |||
| Monarch | Hendrik VIII | |||
| Voorganger | Thomas Wolsey | |||
| Opvolger | Thomas Audley | |||
| Kanselier van het Hertogdom Lancaster | ||||
| Aangetreden | 30 september 1525 | |||
| Einde termijn | oktober 1529 | |||
| Monarch | Hendrik VIII | |||
| Voorganger | Richard Wingfield | |||
| Opvolger | William FitzWilliam | |||
| Speaker van het Lagerhuis | ||||
| Aangetreden | 16 april 1523 | |||
| Einde termijn | 13 augustus 1523 | |||
| Monarch | Hendrik VIII | |||
| Voorganger | Thomas Nevill | |||
| Opvolger | Thomas Audley | |||
| ||||
Thomas More (Latijn: Thomas Morus) (Londen, 7 februari 1478 – Tower Hill, 6 juli 1535) was een Engels jurist, staatsman, schrijver en humanist. Van 1529 tot 1532 was hij Lord Chancellor van koning Hendrik VIII van Engeland. Hij is vooral bekend door zijn boek Utopia (1516), waarin hij de samenleving van een fictieve ideaalstaat beschrijft en tegelijk kritiek levert op de maatschappelijke en politieke toestand in het Europa van zijn tijd. More verzette zich tegen de breuk van Hendrik VIII met de Rooms-Katholieke Kerk. Omdat hij weigerde de koning als hoofd van de Engelse kerk te erkennen, werd hij in 1535 wegens hoogverraad onthoofd. In 1935 werd hij door paus Pius XI heilig verklaard.
More werd op 7 februari 1478 in Londen geboren als zoon van John More, een advocaat die later rechter werd, en Agnes More. Hij ging naar de St. Anthony's School in Londen en werd daarna page in het huishouden van aartsbisschop en kanselier John Morton.
Omstreeks 1492 ging More naar de Universiteit van Oxford. Na ongeveer twee jaar liet zijn vader hem rechten studeren, eerst aan New Inn en vanaf februari 1496 aan Lincoln's Inn, een van de Inns of Court in Londen. Omstreeks 1501 werd hij als advocaat toegelaten. In deze jaren kwam hij in contact met Engelse humanisten als John Colet en William Grocyn, bij wie hij Grieks leerde. In de kerk St Lawrence Jewry, waar Grocyn rector was, hield More lezingen over De civitate Dei van Augustinus. Volgens zijn schoonzoon William Roper leefde More ongeveer vier jaar als leek mee met de kartuizers van het Londense Charterhouse, zonder geloften af te leggen; hij koos uiteindelijk voor een loopbaan als jurist en het huwelijk. In 1499 ontmoette hij voor het eerst Erasmus, met wie hij levenslang bevriend bleef.

Omstreeks 1505 trouwde More met Jane Colt, dochter van John Colt uit Netherhall bij Roydon in Essex. Volgens William Roper ging zijn voorkeur eigenlijk uit naar haar jongere zus, maar trouwde hij met de oudste dochter om haar niet te krenken. Het echtpaar kreeg vier kinderen: Margaret (1505), Elizabeth (1506), Cicely (1507) en John (1509). Het gezin woonde in het huis The Old Barge in Bucklersbury, in de City of London. Jane overleed in 1511. Nog in hetzelfde jaar hertrouwde More met Alice Middleton, weduwe van de Londense koopman John Middleton.
Omstreeks 1524 verhuisde More met zijn gezin naar Chelsea, toen nog een dorp aan de Theems buiten Londen, waar hij een groot huis met tuin liet bouwen. Het huishouden groeide daar aanzienlijk. Naast zijn vrouw en kinderen woonden er ook Alice' dochter uit haar eerste huwelijk, eveneens Alice genaamd, Mores pleegdochter Margaret Giggs en zijn pupil Anne Cresacre. Na hun huwelijk bleven ook de echtgenoten van zijn kinderen bij hem wonen: Margaret trouwde in 1521 met William Roper, die later de eerste biografie van More schreef; Elizabeth trouwde in 1525 met William Dauncey en Cicely in hetzelfde jaar met Giles Heron; John trouwde in 1529 met Anne Cresacre. Margaret Giggs trouwde in 1526 met John Clement, die in Mores huishouden deels als leraar had gefungeerd en later hofarts werd.
Op enige afstand van het hoofdgebouw liet More het zogeheten New Building bouwen, met een kapel, een bibliotheek en een galerij. Volgens William Roper trok hij zich daar terug om te bidden en te studeren; op vrijdag bracht hij er vaak de hele dag door in gebed. Thuis bad hij dagelijks met zijn kinderen de zeven boetepsalmen en de litanie, en ’s avonds ging hij met zijn gezin en huishouden naar de kapel om psalmen en gebeden op te zeggen. Volgens zijn latere biograaf Thomas Stapleton sliep More slechts vier tot vijf uur: hij stond om twee uur ’s nachts op en wijdde zich tot zeven uur aan studie en gebed. Hij woonde elke dag de mis bij voordat hij aan het werk ging, en tijdens de maaltijden las een van zijn dochters een passage uit de Bijbel voor, waarover vervolgens werd gesproken. More hechtte veel waarde aan de opvoeding van zijn dochters, die een klassieke opleiding kregen; vooral Margaret Roper werd bekend om haar geleerdheid.
In 1504 werd More voor het eerst lid van het Engelse Lagerhuis; in 1510 werd hij opnieuw gekozen. Op 3 september 1510 werd hij een van de twee undersheriffs van de City of London, een functie waarin hij als rechter optrad in de rechtbank van de sheriff en als juridisch adviseur van de stad. Hij bleef undersheriff tot juli 1518. Erasmus had vaste kamers in Mores huis The Old Barge en schreef daar in 1509 Lof der zotheid (Moriae encomium), dat hij aan More opdroeg. Het boek verscheen in 1511 in Parijs.
In mei 1515 nam More onder leiding van Cuthbert Tunstall deel aan een handelsmissie naar de Nederlanden, waarbij hij onder meer in Brugge en Antwerpen verbleef. Tijdens deze missie begon hij aan Utopia. In Antwerpen raakte hij bevriend met de humanist Pieter Gillis, die in het boek een centrale rol speelt als gesprekspartner.
Uiterlijk in augustus 1517 werd More lid van de koninklijke raad. Tijdens de onlusten van Evil May Day in 1517 trad hij op als bemiddelaar tussen de stad en de opstandige leerjongens. Vanaf 1518 was hij Master of Requests en fungeerde hij als een soort tweede secretaris van de koning, vooral als tussenpersoon tussen Hendrik VIII en kardinaal Thomas Wolsey. Op 2 mei 1521 werd hij onderschatmeester (under-treasurer) van de Exchequer, de koninklijke schatkist, en in hetzelfde jaar werd hij tot ridder geslagen. Hij was voortaan Sir Thomas More.
In 1523 was More Speaker van het Lagerhuis. In die functie pleitte hij voor de vrijheid van spreken van de parlementsleden. In 1524 werd hij high steward van de Universiteit van Oxford en in 1525 van de Universiteit van Cambridge. In september 1525 volgde zijn benoeming tot Kanselier van het Hertogdom Lancaster. Hij nam deel aan diplomatieke missies, onder meer met Wolsey naar Frankrijk in 1527 en naar de vredesonderhandelingen in Kamerijk in 1529.
Na de val van Wolsey werd More op 26 oktober 1529 Lord Chancellor, het hoogste juridische en politieke ambt van het koninkrijk. Bij de opening van het Parlement op 3 november 1529 hield hij een rede waarin hij zijn voorganger Wolsey hard aanviel.
More beschouwde de Reformatie als ketterij en als een bedreiging voor de eenheid van de Kerk en de maatschappelijke orde. Al vóór zijn kanselierschap schreef hij polemieken tegen Maarten Luther en later tegen William Tyndale, wiens Engelse vertaling van het Nieuwe Testament hij onbetrouwbaar en ketters vond.
Als Lord Chancellor was More in de praktijk het eerste aanspreekpunt voor personen die in Londen op verdenking van ketterij werden gearresteerd. Hij besliste of zij werden vrijgelaten, waar zij gevangen werden gehouden en aan welke bisschop zij werden overgedragen. De historicus Richard Rex brengt More in verband met procedures tegen ongeveer veertig vermoedelijke of veroordeelde ketters in de periode 1529–1533. Het vonnis zelf was voorbehouden aan kerkelijke rechtbanken; als leek zat More geen ketterprocessen voor en veroordeelde hij niemand tot de dood. Wel speelde hij een actieve rol bij de opsporing en ondervraging van verdachten en toonde hij persoonlijke belangstelling voor de zaken van onder anderen Richard Bayfield, John Tewkesbury en James Bainham.
Tijdens Mores kanselierschap werden onder anderen Thomas Hitton (1530), Thomas Bilney, Richard Bayfield en John Tewkesbury (alle drie 1531) en James Bainham (1532) wegens ketterij op de brandstapel terechtgesteld. In zijn geschriften verdedigde More de verbranding van hardnekkige en recidiverende ketters uitdrukkelijk. Over Bayfield schreef hij dat die "well and worthely burned" was. De protestantse martelaarsgeschiedschrijver John Foxe beschuldigde More er bovendien van dat hij ketters persoonlijk had laten geselen en folteren. More had dergelijke beschuldigingen al tijdens zijn leven weersproken in zijn Apology (1533). Hij gaf toe dat hij verdachten in zijn huis gevangen had gehouden, maar ontkende dat hij hen had gefolterd. Historici als John Guy en Diarmaid MacCulloch vinden geen overtuigend bewijs dat More persoonlijk bij marteling betrokken was. Tegelijk zijn zij het erover eens dat More de vervolging en verbranding van ketters actief steunde.
De protestantse theoloog John Frith, die met Tyndale had samengewerkt, wordt vaak in één adem met More genoemd. More schreef in 1532 een polemische brief tegen Frith, en volgens sommige auteurs werd Frith in dat jaar op Mores aandringen gearresteerd. Frith werd echter pas op 4 juli 1533 in Smithfield verbrand, ruim een jaar na Mores aftreden.
Mores houding wordt vaak gecontrasteerd met de godsdienstvrijheid die in Utopia wordt beschreven. Ook de toon van zijn polemieken was soms grof. In zijn Responsio ad Lutherum (1523), die hij onder het pseudoniem Gulielmus Rosseus publiceerde, overlaadde hij Luther met scheldwoorden en fecale beeldspraak. Toen paus Johannes Paulus II More in 2000 uitriep tot beschermheilige van staatslieden en politici, erkende hij dat More "in zijn optreden tegen ketters de grenzen van de cultuur van zijn tijd weerspiegelde".
Al in 1527 raadpleegde Hendrik VIII More over zijn voornemen zijn huwelijk met Catharina van Aragon nietig te laten verklaren. In 1530 ondertekende hij de brief niet waarmee Engelse edelen en prelaten de paus onder druk zetten om het huwelijk ongeldig te verklaren. In 1531 probeerde hij al af te treden, nadat de geestelijkheid de koning had erkend als hoofd van de kerk in Engeland "voor zover de wet van Christus dat toestaat". Toen de geestelijkheid zich op 15 mei 1532 met de zogeheten Submission of the Clergy volledig aan het koninklijk gezag onderwierp, legde More op 16 mei 1532 het grootzegel neer en trad hij af.
In februari 1534 werd Mores naam opgenomen in een wetsvoorstel tot veroordeling (bill of attainder) van de zienster Elizabeth Barton, de 'Heilige Maagd van Kent', die tegen de echtscheiding van de koning had geprofeteerd. More kon aantonen dat hij haar juist had gewaarschuwd zich niet met staatszaken te bemoeien, en zijn naam werd geschrapt.
Op 13 april 1534 werd More in Lambeth Palace opgeroepen om de eed op de Act of Succession af te leggen. Deze wet erkende de kinderen van Hendrik VIII en Anna Boleyn als wettige troonopvolgers. More was bereid de troonopvolging zelf te erkennen, maar weigerde de eed in de voorgeschreven vorm, omdat die ook het gezag van de paus verwierp. Op 17 april 1534 werd hij opgesloten in de Tower of London. In het najaar van 1534 maakten de Act of Supremacy en de Treasons Act het ontkennen van de koninklijke suprematie over de kerk strafbaar als hoogverraad.
In de Tower werd More herhaaldelijk verhoord. Hij bleef zwijgen over de suprematie van de koning. Op 12 juni 1535 had hij in zijn cel een gesprek met de solicitor general Richard Rich. Tijdens het proces op 1 juli 1535 verklaarde Rich dat More in dat gesprek de titel van de koning als hoofd van de kerk had ontkend. More bestreed die verklaring heftig, maar de jury achtte hem schuldig. Het vonnis luidde ophanging, ontweiding en vierendeling; de koning zette dat om in onthoofding. Op 6 juli 1535 werd More op Tower Hill onthoofd. Volgens de overlevering verklaarde hij op het schavot dat hij stierf als "des konings goede dienaar, maar eerst Gods dienaar". Zijn lichaam werd begraven in de kapel St Peter ad Vincula in de Tower. Zijn hoofd werd op een staak op London Bridge tentoongesteld en later door zijn dochter Margaret Roper verkregen, die het als relikwie bewaarde. Het werd later met haar bijgezet in de grafkelder van de familie Roper in de St Dunstan's Church in Canterbury.
Thomas More schreef zowel in het Engels als in het Latijn. Naast Utopia omvat zijn oeuvre een geschiedwerk, gedichten, vertalingen, religieuze polemieken, brieven en devotionele geschriften.
Utopia verscheen in december 1516 in Leuven bij de drukker Dirk Martens. Erasmus en Pieter Gillis begeleidden de uitgave. De naam Utopia is gevormd uit het Griekse ou ('niet') en topos ('plaats') en betekent dus 'Nergensland'. Uitgesproken klinkt de naam ook als eu-topos ('gelukkige' of 'goede plaats').
Het boek is geschreven als een gesprek tussen de wereldreiziger Raphael Hythlodaeus, Pieter Gillis en More zelf. In het eerste boek bespreken zij de maatschappelijke misstanden in Engeland en Europa. Hythlodaeus hekelt onder meer de omheining van akkers voor schapenteelt, waardoor boeren van hun land werden verdreven: de schapen "verslinden mensen". In het tweede boek beschrijft hij de samenleving op het eiland Utopia, waar privébezit niet bestaat en alles gemeenschappelijk is. Aan het slot neemt de verteller More afstand van een deel van wat hij heeft gehoord. Hij kan niet met alles instemmen, maar geeft toe dat er in de Utopische staat veel is "wat ik eerder zou wensen dan verwachten" in onze eigen landen. Het boek gaf zijn naam aan een nieuw literair genre, de utopie.
Mores enige geschiedwerk gaat over koning Richard III van Engeland. Hij schreef het tussen ongeveer 1513 en 1518, toen hij undersheriff van Londen was, in zowel een Engelse als een Latijnse versie. Geen van beide versies werd voltooid; ze werden pas na zijn dood gepubliceerd. De versies zijn geen letterlijke vertalingen van elkaar, maar waren bedoeld voor een verschillend publiek. De Latijnse versie, gericht op een internationaal publiek van humanisten en staatslieden, eindigt bij de kroning van Richard III. De Engelse versie gaat verder en behandelt ook de dood van Eduard V en zijn broer Richard van Shrewsbury in de Tower. Ze breekt af op het moment dat John Morton, bisschop van Ely, de hertog van Buckingham aanzet tot opstand.
Het verhaal begint met een beschrijving van Eduard IV als ideale vorst, waarna zijn broer Richard en diens kwaadaardige ambities worden beschreven. Het werk is geïnspireerd door klassieke geschiedschrijvers als Sallustius, Suetonius en Tacitus. More presenteert Richard III als de archetypische tiran. Via de kronieken van Edward Hall en Raphael Holinshed werd Mores werk de belangrijkste historische bron voor Shakespeares toneelstuk Richard III. Het negatieve beeld van Richard wordt vaak in verband gebracht met de neiging van vroeg-Tudorgeschiedschrijvers om Richard III zwart te maken ter verheerlijking van Hendrik VII en diens opvolgers.
De eerste editie van Mores Epigrammata verscheen in maart 1518 bij Johann Froben in Bazel, samen met de derde editie van Utopia en epigrammen van Erasmus; later dat jaar volgde een tweede druk. In 1520 verscheen bij Froben de eerste afzonderlijke, herziene en uitgebreide uitgave. De gedichten zijn waarschijnlijk geschreven tussen 1500 en 1520. Het grootste deel bestaat uit epigrammen, maar de bundel bevat ook odes en elegieën. Van de gedichten zijn er 102 Latijnse vertalingen uit het Grieks; de overige 179 schreef More zelf. De onderwerpen lopen sterk uiteen. Veel gedichten zijn satirisch, maar de meest kenmerkende zijn politiek van aard en gaan over het verschil tussen een goede koning en een tiran.
Andere werken van More zijn onder meer:
More werd op 29 december 1886 door paus Leo XIII zalig verklaard, samen met John Fisher en andere Engelse martelaren. Op 19 mei 1935, vierhonderd jaar na hun dood, werden More en Fisher door paus Pius XI heilig verklaard. Zijn wrede rol naar vermeende ketters heeft de heiligverklaring niet in de weg gestaan. Na de heiligverklaring werd hun gezamenlijke feest in Engeland en Wales op 9 juli gevierd. Op de algemene Romeinse kalender kwamen zij pas bij de kalenderhervorming na het Tweede Vaticaans Concilie in 1969, met een gedachtenis op 22 juni, de sterfdag van Fisher. Fisher was de enige Engelse bisschop die weigerde de voorgeschreven eed af te leggen.
Op 31 oktober 2000 riep paus Johannes Paulus II More uit tot beschermheilige van staatslieden en politici. De Anglicaanse Kerk herdenkt More en Fisher als "Reformation Martyrs" op 6 juli, de sterfdag van More.
Erasmus beschreef More als omnium horarum homo, later vertaald als "a man for all seasons". Die uitdrukking werd breed bekend door het toneelstuk A Man for All Seasons (1960) van Robert Bolt. Het stuk werd in 1966 verfilmd als A Man for All Seasons. Mores bemiddeling tijdens Evil May Day in 1517 vormt de openingsscène van het Elizabethaanse toneelstuk Sir Thomas More, waaraan William Shakespeare waarschijnlijk heeft meegeschreven. Het enige bewaarde handschrift (British Library, Harley MS 7368) bevat een scène die algemeen aan Shakespeare wordt toegeschreven. Een veel kritischer beeld van More geeft Hilary Mantel in haar roman Wolf Hall (2009), die is geschreven vanuit het perspectief van zijn tegenstander Thomas Cromwell. In Londen staan gedenktekens voor More in Westminster Hall, in de Tower of London en aan de Chelsea Embankment.
In Den Haag bestond vanaf eind jaren 1950 het katholieke Thomas More College. In augustus 1998 ontstond door een fusie van twee scholen het TMO-College, waarvan Thomas More een van de locaties was. In 2003 ging het TMO-College met enkele andere scholen op in het Terra College. Op die school werd op 13 januari 2004 conrector Hans van Wieren door een leerling doodgeschoten (zie moord op het Terra College). In 2007 werd het gebouw gesloopt.
In Vlaanderen fuseerden op 11 juli 2012 de Katholieke Hogeschool Kempen, Lessius Antwerpen en Lessius Mechelen tot de hogeschool Thomas More. Tot Lessius Mechelen behoorde ook het De Nayer-instituut in Sint-Katelijne-Waver. De maatschappelijke zetel van Thomas More Mechelen-Antwerpen bevindt zich in Mechelen; Thomas More Kempen heeft een eigen zetel.
Op 1 januari 2014 werd de pabo Thomas More in Rotterdam losgemaakt van de Hogeschool Leiden en ging zij verder als de zelfstandige Thomas More Hogeschool. Een van de voorgangers van het Markland College in Oudenbosch (gemeente Halderberge) was het Thomas More College. In 1996 namen de gefuseerde katholieke scholen de naam Markland College aan, naar de rivier de Mark. Een van de leshuizen van de school draagt nog de naam Thomas More.