John Perceval

John Thomas Perceval (14 februari 1803 – 28 februari 1876) was een Britse legerofficier, die een psychotische episode doormaakte en drie jaar opgesloten zat in krankzinnigengestichten. Hij wijdde rest van zijn leven aan campagnes voor hervorming van de krankzinnigenwet en betere zorg in psychiatrische instellingen en was een van de oprichters van de Alleged Lunatics' Friend Society. Percevals twee boeken over zijn ervaringen in de krankzinnigengestichten werden in 1962 opnieuw uitgegeven door Gregory Bateson en in de 21e eeuw wordt hij erkend als een pionier van de belangenbehartiging in de geestelijke gezondheidszorg.

Levensloop

Jeugd

Perceval werd in 1803 geboren in de heersende klasse. Zijn vader Spencer Perceval, zoon van de 2e Graaf van Egmont, was jurist en politicus die in 1809 premier werd. Perceval was de tiende van dertien kinderen, van wie er twaalf de kindertijd overleefden.

Toen Perceval negen jaar was, werd zijn vader in de hal van het Lagerhuis doodgeschoten door John Bellingham. Deze koopman koesterde wrok jegens de regering en het was wijd en zijd bekend dat hij geestelijk gestoord was. Verslagen in de pers beschrijven dat een van de zonen van Perceval kort na het schietincident in het parlementsgebouw was geweest en zijn vaders lichaam had gezien; een psychoanalyticus opperde dat Perceval getuige was van de gebeurtenis en dat dit een mogelijke oorzaak was van zijn latere psychose. Perceval zelf beschouwde het verlies van zijn vader – samen met een kwikvergiftiging en het te veel bestuderen van religie – als een bijkomende factor voor zijn latere inzinking.

Perceval bezocht de Harrow School en bracht een jaar door bij een privé-leraar. Daarna kreeg hij een aanstelling in het leger, eerst bij een cavalerieregiment en vervolgens als kapitein in het Eerste Koninklijke Infanterieregiment. Een groot gedeelte van zijn militaire loopbaan was hij gedetacheerd in Portugal en Ierland en hij maakte geen enkel gevecht mee. Perceval was ernstig en religieus en voelde zich steeds minder op zijn plaats in het leger, zodat hij in 1830 ontslag nam en zich inschreef bij het Magdelen Hall College in Oxford. Hoewel het universitaire leven hem beter beviel dan het leger, keerde Perceval in de herfst van 1830 niet terug voor een tweede semester. In plaats daarvan maakte hij een spirituele reis naar Schotland, waar hij in Row aansluiting zocht bij een radicale sekte waar in tongen gesproken werd. Men beweerde dat deze Irvingisten wonderen verrichtten en Perceval ging geloven dat hij geleid werd door de Heilige Geest. Hij verliet Schotland om vrienden in Ierland te bezoeken, waar hij teleurgesteld raakte in de religie. Hij had seks met een prostituée en werd voor een geslachtsziekte behandeld met kwik. In december 1830 was zijn gedrag zo bizar dat zijn vrienden hem opsloten. Zijn oudste broer Spencer kwam over om hem mee terug te nemen naar Engeland en bracht hem naar een krankzinnigengesticht.

Opsluiting en activisme

Na de moord op Percevals vader had het parlement het gezin een geldbedrag van meer dan 50.000 pond toegekend. Dat stelde zijn moeder, die zijn voogdes was toen hij krankzinnig werd, in staat om hem op te laten sluiten in twee van Engelands duurste privé-inrichtingen. Hij bracht meer dan een jaar door in het Brislington House, in de buurt van Bristol, en vervolgens twee jaar in het Ticehurst House in Sussex. Beide instellingen rekenden hoge kosten en golden als modern, maar in Brislington onderging Perceval een regime van ontbering, bruutheid en vernedering. Acht maanden lang, de tijd waarin hij volledig beheerst werd door zijn stemmen, geesten en bovennatuurlijke wezens, werd hij in bedwang gehouden in een dwangbuis of vastgebonden aan zijn bed. De behandeling bestond uit koude baden en een operatie om de oppervlakkige slaapslagader te blokkeren. Toen hij weer bij zinnen begon te komen, kreeg hij meer vrijheid en uiteindelijk kon hij zijn moeder overreden om hem uit Brislington House weg te halen. Hij werd overgebracht naar het krankzinnigengesticht in Ticehurst, waar hij beter werd behandeld. Daar bracht Perceval zijn tijd door met pogingen om zijn vrijlating te bewerkstelligen, waar hij uiteindelijk begin 1834 in slaagde Vrijwel direct na zijn ontslag trouwde hij met Anna Selina Lesley Gardner, die als dochter van een kaasboer door zijn familie werd omschreven als nogal beneden zijn stand. Het echtpaar kreeg vier dochters:

  • Jane Beatrice, 1835-1893.
  • Alice Frederica, 1836-1941.
  • Selina Maria, 1838-1925, huwde met haar neef Sir Horatio George Walpole, onderminister van Buitenlandse Zaken voor India.
  • Fanny Louisa Charlotta, 1845-1862.

Perceval en zijn vrouw vertrokken na het huwelijk naar Parijs. Daar werden de twee oudste dochters geboren en schreef hij een boek naar aanleiding van zijn ervaringen: 'Een relaas over de behandeling ervaren door een heer tijdens een toestand van mentale ontsporing, bedoeld om de oorzaken en aard van krankzinnigheid te verklaren, en om het onoordeelkundig gedrag aan de kaak te stellen dat veel ongelukkige lijders ondergaan bij dit onheil.'

Perceval verbond “openbare debatten” met zijn “eigen menslievendheid jegens individuele patiënten.” Onder de patiënten die hij bijstond, bevond zich de Duitse academicus Edward Peithman, die de koninklijke entourage gestalkt had. Na veertien jaar opsluiting in Bethlem kreeg Perceval hem voorlopig vrij en bracht hem naar huis in Herne Bay. Peithman vroeg in een petitie compensatie voor onrechtmatige opsluiting en werd volgens Perceval onmiddellijk opgepakt toen hij bij het Koninklijk Paleis antwoord eiste. Nadat hij als krankzinnig aangemerkt en opgesloten werd, kwam hij vrij op voorwaarde dat hij het land verliet. Perceval vergezelde hem toen naar Duitsland. Perceval raakte ook bevriend met een andere bewoner van Bethlem, de chirurg Arthur Legent Pearce, en gaf een dichtbundel van hem uit.

In 1845 was hij een van de oprichters van de Alleged Lunatics' Friend Society.

Naast boeken en pamfletten over gestichten, publiceerde Perceval ook een pamflet waarin hij de Armenwet bekritiseerde en werd hij gekozen als lid van Kensington Board of Guardians, een positie die hem toegang gaf tot krankzinnigengestichten. Hij gaf ook lezingen; op 1 mei 1854 richtte hij in de Kings Arms taveerne in de Kensington High Street het woord tot 24 keurige heren en een politieman in burger over de noodzaak tot hervorming van de krankzinnigenwet.

Een brief aan William Gladstone in 1868 over Ierland is het laatst bekende levensteken van Perceval. Hij stierf in 1876 in het Munster House-gesticht, op de leeftijd van 73 jaar, en werd begraven op het kerkhof van Kensal Green.

Een relaas over de behandeling ervaren door een heer

In Parijs begon Perceval met het schrijven van een boek over zijn ervaringen. Het werd in 1838 gepubliceerd:

"A narrative of the treatment experienced by a Gentleman during a state of mental derangement designed to explain the causes and nature of insanity, and to expose the injudicious conduct pursued towards many unfortunate sufferers under that calamity." (Een relaas over de behandeling ervaren door een heer tijdens een toestand van mentale ontsporing, bedoeld om de oorzaken en aard van krankzinnigheid te verklaren, en om het onoordeelkundig gedrag aan de kaak te stellen dat veel ongelukkige lijders ondergaan bij dit onheil.)

Het motto:Titelpagina is ontleend aan de woorden waarmee Aeneas zich richt tot koningin Dido:

Infandum Regina jubes renovare dolorem / Quaeque ipsa miserrima vidi / Et quorum pars magna fui. (U laat mij een onuitsprekelijke pijn vernieuwen, Koningin, en de ellendigste dingen die ik heb gezien, en waarin ik een grote rol heb gespeeld.")

Het boek begint met:

In het jaar 1830 werd ik helaas beroofd van het gebruik van mijn verstand. Het onheil trof mij rond de Kerst. Ik was toen in Dublin. De Almachtige liet toe dat mijn geest door een ziekte geruïneerd werd – waanideeën van een religieuze aard en een behandeling die tegen de natuur was. Mijn ziel overleefde die puinhoop. Terwijl ik aanvankelijk deels slachtoffer was van de onwetendheid of het gebrek aan denkvermogen van mijn arts, werd ik later overgeleverd aan de zorg van andere artsen, wier gebruikelijke wreedheid, en erger nog dan onwetendheid – kwakzalverij – het zwaarste deel van mijn vreselijke lijdensweg vormden. Ik heb grote wreedheden ondergaan, gepaard gaande met veel onrecht en beledigingen; ten eerste tijdens mijn opname, toen ik in 1831 in een toestand van kinderlijke zwakzinnigheid verkeerde; ten tweede tijdens mijn herstel van die toestand tussen november 1831 en mei 1832; ten derde gedurende de rest van 1832 en 1833, toen ik mezelf als geestelijk gezond beschouwde. Ik ben behandeld door vier geestelijk gestoorde artsen, wier behandelmethoden sterk van elkaar verschilden – ik heb met twee anderen gesproken en in gezelschap van geestelijk gestoorden geleefd [...].

Het gaat verder met een kort verslag van Percevals jeugd, besteedt vervolgens aandacht aan zijn behandeling in het krankzinnigengesticht van Edward Long Fox in Brislington, en eindigt met de afscheidswoorden van Fox, die hij als kwaadaardig omschrijft: “Vaarwel Mr….., ik zou willen dat ik u hoop op herstel zou kunnen geven.”:277

Hoewel het verslag anoniem werd gepubliceerd, waren er aanwijzingen voor de identiteit van de schrijver. Toen die onthuld werd door The Edinburgh Review, besloot Perceval een nieuw boek te schrijven, dit keer onder zijn eigen naam, waarin hij zijn gevecht voor vrijheid in Ticehurst beschreef. Daarin nam hij de briefwisseling met zijn familie en anderen op, die hij op aandringen van zijn uitgever, Effingham Wilson, uit zijn eerste boek weggelaten had. Het tweede boek kwam uit in 1840.

Campagnes

Perceval bleef de rest van zijn leven betrokken bij campagnes voor de hervorming van de krankzinnigenwet en een betere behandeling van de bewoners van krankzinnigengestichten, waarbij hij zichzelf ooit aanduidde als “de procureurgeneraal van Harer Majesteits gekken.” Hij verzamelde een kleine groep ex-bewoners en hun familieleden en medestanders waarmee hij in 1845 de Alleged Lunatics' Friend Society oprichtte. Vanaf 1846 was hij eresecretaris tot het Genootschap ongeveer twintig jaar later ophield te bestaan. De doeleinden van het Genootschap, zoals uiteengezet in het eerste jaarverslag, waren het beschermen van mensen tegen een onterechte opsluiting of wrede en oneigenlijke behandeling, en het bewerkstelligen van het hervormen van de wet. Het Genootschap voerde campagne via het parlement, rechtbanken, plaatselijke gezagsdragers, openbare bijeenkomsten en voordrachten. Het boog zich over de zaak van meer dan zeventig patiënten en bracht wantoestanden aan het licht in een aantal krankzinnigengestichten, waaronder het Bethlem Hospital en gestichten in Northampton en Gloucester.

In 1859, na vele jaren verzoekschriften bij het parlement te hebben ingediend, bereikte de Alleged Lunatics' Friend Society uiteindelijk een van zijn belangrijkste doelen: een hoorzitting in het parlement. Perceval gaf op 11 juli 1859 voor een speciaal comité een uiteenzetting over de zorg en behandeling van krankzinnigen. Zijn zwager en neef, Spencer Horatio Walpole, was voorzitter (een van Percevals dochters zou later trouwen met een van de zonen van Walpole). Perceval pleitte voor:

Tot teleurstelling van het Genootschap ging het speciale comité niet over tot een nieuwe wetgeving en in de jaren daarop leek het Genootschap zijn energie te hebben verloren. In een brief aan The Times in 1862 over wantoestanden in krankzinnigengestichten schrijft Perceval dat het Genootschap steun miste en daardoor in verwarring verkeerde. Er is daarna niets meer vernomen van het Genootschap. De zaak betreffende de krankzinnigenwet werd overgenomen door de Lunacy Law Reform Association van Louisa Lowe, die dezelfde doelen nastreefde als de Alleged Lunatics' Friend Society.

Herontdekking

Perceval werd herontdekt toen de antropoloog Gregory Bateson in 1962 een bewerkte versie uitgaf van de twee delen van de Narrative, onder de titel Perceval's narrative: a patiënt's account of his psychosis 1830-32. Dit werd gevolgd door een artikel van de psychiaters Richard Hunter en Ida Macalpine, dat zich concentreerde op het activisme van Perceval en hem beschreef als iemand die “in de psychiatrie in een cruciale periode een belangrijke rol speelde, door zijn onbevreesde en oprechte onthulling van zowel zijn eigen, als wat hij zag als de tekortkomingen van zijn tijd” en wiens werk “profetisch was in zijn vooruitziende blik van de huidige ontwikkelingen in het beleid op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg." Het heeft dan wel tientallen jaren geduurd – misschien meer dan een eeuw – maar veel van de veranderingen waarvoor Perceval 150 jaar geleden het speciale comité als getuige opriep, zijn uiteindelijk wettelijk geregeld. Percevals Narrative dient nog steeds bestudeerd te worden door mensen die belangstelling hebben voor wat het onthult over de psychose en genezing daarvan; zijn activisme is inspirerend geweest voor de beweging van ex-patiënten.

Literatuur