| José Seguí | ||||
|---|---|---|---|---|
| Aartsbisschop van de Rooms-Katholieke Kerk | ||||
| Geboren | 3 oktober 1773 | |||
| Plaats | Camprodon | |||
| Overleden | 4 juli 1845 | |||
| Plaats | Manilla | |||
| Wijdingen | ||||
| Bisschop | 28 oktober 1830 | |||
| Kerkelijke carrière | ||||
| 1830-1845 | Aartsbisschop van Manilla | |||
| Successie | ||||
| Voorganger | Hilarión Díez | |||
| Opvolger | José Aranguren | |||
| ||||
José María Seguí (Camprodon, 3 oktober 1773 – Manilla, 4 juli 1845) was een Spaans rooms-katholiek geestelijke en lid van de augustijnse orde (O.S.A.). Gedurende twintig jaar was hij werkzaam als missionaris in China, waarna hij verschillende bestuursfuncties vervulde binnen de augustijnse provincie van de Filipijnen. Van 1830 tot zijn overlijden in 1845 bekleedde hij het ambt van aartsbisschop van het Aartsbisdom Manilla. Zijn episcopaat werd gekenmerkt door omvangrijke pastorale visitaties en bijzondere aandacht voor de organisatie van het aartsbisdom en de opleiding van de geestelijkheid.
Pedro Juan José Maria Seguí werd geboren op 3 oktober 1773 in Camprodon in de provincie Girona, in Catalonië. Zijn vader was Benito Seguí, een industrieel, en zijn moeder was Teresa Molas. Op 24 augustus 1788 trad Seguí op de zeer jonge leeftijd van veertien jaar toe tot het augustijnenklooster van La Seu d'Urgell. Daar legde hij op 4 oktober van het jaar daarop zijn geloften af.

In 1795 vertrok Seguí met de 68e augustijnse missie-expeditie vanuit Cádiz naar de Filipijnen. Tot dezelfde missie behoorden onder anderen Francisco Villacorta, later provinciaal van de Augustijnen in de Filipijnen, en Fulgencio Sáinz, die eveneens hoge bestuursfuncties binnen de orde bekleedde. Zoals in die tijd gebruikelijk was reisden de geestelijken eerst per schip naar Nieuw Spanje, vanwaar zij begin 1796 vanuit de haven van Acapulco de oversteek over de Grote Oceaan naar de Filipijnen maakten. Na aankomst in Manilla werd Seguí uitgezonden naar de augustijnse missieposten in China, waar hij gedurende twintig jaar als missionaris werkzaam was. Hij verrichtte aanvankelijk missiewerk in de provincie Guangdong (destijds Kuantung), waar hij de christelijke gemeenschap bediende. Nadat de vervolgingen van christenen waren toegenomen, week hij uit naar Macau, waar hij ongeveer tien jaar zijn apostolische werkzaamheden voortzette.
Tijdens zijn missie legde Seguí zich toe op de verkondiging van het christendom en de pastorale zorg voor de plaatselijke gelovigen. Volgens tijdgenoten droegen zijn sobere levenswijze, zijn zorg voor zieken en behoeftigen en zijn overtuigingskracht in belangrijke mate bij aan de bekering van talrijke Chinezen. Dankzij de invloed die hij bij de plaatselijke autoriteiten genoot, kon hij verschillende christelijke kerken laten bouwen en de positie van de missionarissen versterken. In Macau werd hij bovendien geprezen om de vruchten van zijn celo infatigable ("onvermoeibare ijver"), en schreef de ordegeschiedschrijving hem de stichting toe van de christelijke nederzetting San Lázaro buiten de stadspoorten. In 1818 werd hij teruggeroepen naar de Filipijnen.
Na zijn terugkeer in de Filipijnen in 1818 was Seguí enige tijd lector tot hij in datzelfde jaar benoemd werd tot procurator-generaal van de augustijnse provincie van de Provincia del Santísimo Nombre de Jesús de Filipinas, een functie waarin hij de bestuurlijke en financiële belangen van de provincie behartigde. Seguí vervulde deze functie gedurende zeven jaar. Vervolgens was hij van 1825 tot 1829 definitor (lid van het provinciaal bestuur van de orde). Rond deze tijd raakte hij betrokken bij een intern conflict binnen de augustijnse provincie over de vertegenwoordiging van de zogenoemde provincianos (religieuzen afkomstig uit de Spaanse augustijnse provincies) en colegiales (religieuzen opgeleid aan het missionaire Colegio-Seminario van Valladolid). Nadat Seguí in mei 1829 de verkiezing voor het ambt van provinciaal overste nipt verloor van Agustín Rico, behoorde hij tot de ondertekenaars van een verzoekschrift aan de Spaanse Kroon waarin werd gepleit voor een herinvoering van de zogenoemde Alternativa, een systeem waarbij bestuursfuncties afwisselend aan beide groepen zouden worden toegewezen. De Kroon wees dit verzoek in december 1830 af. Een tweede verzoek, dat Seguí inmiddels als aartsbisschop ondersteunde, werd in 1833 eveneens afgewezen.

In januari 1828 verzocht aartsbisschop Hilarión Díez van Manilla de Spaanse Kroon om de benoeming van een hulpbisschop, vermoedelijk vanwege zijn afnemende gezondheid. Bij de behandeling van de voordracht werd aanvankelijk Santos Gómez Marañón als eerste kandidaat aanbevolen en José Seguí als tweede. De Raad van Indië wijzigde echter de volgorde van de voordracht en plaatste Seguí bovenaan de lijst. Hij werd vervolgens op 27 juli 1829 benoemd tot hulpbisschop van het Aartsbisdom Manilla en titulair bisschop van Hierocaesarea. Na het overlijden van aartsbisschop Hilarión Díez werd hij op 6 maart 1830 benoemd tot aartsbisschop van Manilla, een benoeming die op 5 juli 1830 door paus Pius VIII werd bevestigd. Op 28 oktober 1830 werd hij in de San Agustinkerk in Intramuros door bisschop Juan Antonio Lillo van het bisdom Nueva Caceres, tot bisschop gewijd.
Tijdens zijn episcopaat voerde Seguí pastorale visitaties uit in verschillende delen van het aartsbisdom en besteedde hij bijzondere aandacht aan de organisatie van het bisdom en de opleiding van de geestelijkheid. Kort na zijn aantreden hield hij een omvangrijke diocesane visitatie van de parochies van Manilla en de provincie Tondo, waarbij hij de staat van de kerken, hun inventarissen en het functioneren van zowel de seculiere als de reguliere geestelijkheid inspecteerde. Daarnaast publiceerde hij verschillende pastorale brieven en circulaires. In zijn circulaires nodigde hij de geestelijkheid onder meer uit jaarlijks deel te nemen aan een geestelijke retraite In een in 1841 verschenen circulaire spoorde hij de gelovigen aan de Propaganda Fide te ondersteunen.
Bronnen uit de eigen augustijnse orde beschrijven Seguí als een bestuurder die zijn bisdom "met grote rust en tot tevredenheid van allen" bestuurde en als een "voorbeeldig prelaat". Zijn missionaire arbeid in China en Macau werd bovendien geprezen om de "onvermoeibare apostolische ijver" (celo infatigable) waarmee hij deze verrichtte. Deze karakterisering sluit aan bij zijn visitatieverslagen, die een aartsbisschop tonen die veel belang hechtte aan persoonlijk toezicht op parochies, de kerkelijke administratie en de naleving van kerkelijke voorschriften. Volgens gouverneur-generaal Andrés García Camba behoorde Seguí bovendien tot de conservatief-traditionalistische stroming binnen de koloniale elite. In zijn memoires beschreef Camba hem zelfs als een "openlijk aanhanger van de pretendent", waarmee hij doelde op Carlos María Isidro de Borbón, de broer van de in 1833 overleden koning Ferdinand VII en pretendent op de Spaanse troon tijdens de Eerste Carlistenoorlog.

Op 6 januari 1832 beval voormalig gouverneur-generaal Mariano Ricafort Seguí samen met de bisschoppen Francisco Alban, Juan Antonio Lillo en Santos Gómez Marañón bij koning Ferdinand VII aan voor een koninklijke onderscheiding. Ricafort motiveerde zijn voordracht met hun bewezen trouw aan de Spaanse Kroon tijdens de politieke onrust van het Trienio Liberal (1820–1823), een periode waarin ook de Filipijnen werden geraakt door liberale en separatistische stromingen. Hoewel zich in de archipel ongeregeldheden voordeden, waaronder de Novales-muiterij in 1823, bleef een grootschalige onafhankelijkheidsbeweging zoals in Spaans-Amerika uit. Volgens Ricafort hadden Seguí en de andere prelaten hieraan bijgedragen door hun invloed aan te wenden ter bevordering van de loyaliteit aan de Spaanse monarchie. Naar aanleiding van deze voordracht werd Seguí onderscheiden met het Grootkruis van de Orde van Isabella de Katholieke.
Seguí overleed op 4 juli 1845 op 71-jarige leeftijd in Manilla. Zijn uitvaart werd bijgewoond door een groot aantal gelovigen. Hij werd als aartsbisschop opgevolgd door José Aranguren. In maart 1888 werden zijn stoffelijke resten overgebracht van de begraafplaats van Paco naar de Kathedraal van Manilla, waar zij in een Carrara-marmeren mausoleum naast het hoofdaltaar werden bijgezet.
| Voorganger: Hilarión Díez |
aartsbisschop van Manilla 1830-1845 |
Opvolger: José Aranguren |