Juffertoren

Zie ook: Gemetselde spits

Juffertoren, Gronings juvvertoren, is de naam die aan een aantal kerktorens in Groningen wordt gegeven. De torens worden onderscheiden door hun gemetselde spits of helm. Twee hiervan bestaan nog: in Schildwolde (naast de hervormde kerk) en in Onstwedde (onderdeel van de Nicolaaskerk). Een derde in Holwierde (bij de Stefanuskerk) kreeg wegens bouwvalligheid reeds in 1807 een houten spits vanwege het belang voor de scheepvaart, stortte vervolgens alsnog in bij een storm in 1836 en werd uiteindelijk in 1853 op afbraak verkocht. Dit zijn de drie torens die traditioneel als de juffertorens worden aangeduid.

Een stuk of tien andere torens hadden eveneens een gemetselde spits. Dat geldt bijvoorbeeld de Pancratiuskerk in Godlinze, die is ingestort in 1583. De vier spitse torens van de oude kerk van Midwolda waren eveneens "tot boven toe van steen". De vaak verbouwde toren van de kerk van Marum heeft tussen vermoedelijk 1672 en 1770 een gemetselde spits gehad. Volgens rijksbouwmeester Cornelis Peters hadden verder Bedum, Garrelsweer, Grijpskerk, Haren en Woltersum (tot 1838) vroeger een gemetselde torenspits. Elders Nederland zijn meer dan twintig voorbeelden bekend, onder andere in Surhuizum, Harich, Hippolytushoef en Oosterland. Oudere voorbeelden bevinden zich in Duitsland, België en Frankrijk, met name in Kustvlaanderen en Normandië..

Sage

Aan de juffertorens in Groningen is een 19e-eeuwse sage verbonden, die onder meer door verhalenverzamelaar Kornelis ter Laan is opgetekend in zijn boek Groninger Volksleven (1928).

Er waren eens drie schatrijke zusters die niets anders deden dan feesten en dansen. Op een gegeven moment gingen ze inzien dat zo'n leven toch wel erg leeg was. Ze zagen in dat ze met hun rijkdom niets goeds deden. Tot dan toe waren ze altijd bij elkaar geweest, maar nu besloten ze uit elkaar te gaan. En waar ieder uitkwam, daar bouwden ze een toren ter ere van God. En die torens moesten precies gelijk zijn. De eerste kwam uit in Holwierde en bouwde daar een toren, de tweede kwam uit in Schildwolde en bouwde daar haar toren en de derde in Onstwedde. Daar staan drie torens die van ver te zien zijn en een lust voor de ogen te zijn.

De sage meldt dat de torens identiek zouden zijn, maar de torens van Onstwedde en Schildwolde verschillen behoorlijk. "De waarheid is, dat die van Schildwolde, waarlik een lust voor de ogen, heel wat meer mans is dan die van Onstwedde", schrijft Ter Laan. De sage over de torens van Schildwolde en Holwierde wordt al omstreeks 1830 door de oudheidkundige Nicolaas Westendorp vermeld:

Dikwerf trok de hooge toren, geheel van steen tot het spits uitgebouwd, onze aandacht tot zich. Men verhaalde ons meermalen, dat deze toren en die van Holwierde door twee zusters waren bekostigd, en dat beide even hoog waren, doch die van Holwierde is voor eenige jaren veranderd.

In 1847 wordt over alle drie torens geproken:

De schoone hooge naaldvormige toren, welke op eenen afstand noordwaarts van de kerk, aan den publieken weg staat, is, volgens de volksverhalen, met de gelijksoortige steenen torens van Onstwedde en Holwierde, waarvan de laatste niet meer bestaat, door eene van de drie Juffers, die elk een dezer torens deden oprigten, gebouwd. Ook de spits, geheel van gebakken steen opgemetseld en 52½ ell. hoog, door den bliksem getroffen en vernield, heeft in 1829 eene aanzienlijke en kostbare herstelling ondergaan.

De term juvvertoorn duikt voor het eerst omstreeks 1926 op, met name bij Ter Laan (in een van de afleveringen van het Nieuw Groninger Woordenboek), daarna bij andere regionale schrijvers, vooral om de toren van Schildwolde aan te duiden. De term juffer is afgeleid van het woord jonkvrouw 'dame van adel', maar had al aan het eind van de middeleeuwen tevens de betekenis van 'ongehuwde vrouw', 'inwoonster van een klooster' of 'begijn'. Naar analogie met de slanke vrouwengestalte werd het woord juffer sinds de 17e eeuw tevens gebruikt voor lange grenen balk, gemaakt uit een dennenstam die spits toeloopt. Op deze manier zouden de smalle en spits toelopende torens volgens sommige auteurs de naam juffertoren hebben gekregen.

Ook elders worden hoge torens vaak geassocieerd met hoogmoedige en ongenaakbare jonkvrouwen. Of dit sagenmotief in Groningen bekend was, blijft echter de vraag.

Zie verder