Karl Kaufmann

Karl Kaufmann
Karl Kaufmann
Karl Kaufmann
Geboren 10 oktober 1900
Krefeld, Rijnprovincie, Koninkrijk Pruisen, Duitse Keizerrijk
Overleden 4 december 1969
Hamburg, West-Duitsland
Kieskring 34
Regio Hamburg
Land Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Politieke partij NSDAP
Partner Else Speth (1928)
Religie Katholiek; sinds 1943 zonder geloofsbelijdenis
Rijksstadhouder van Hamburg
Aangetreden 16 mei 1933
Einde termijn 3 mei 1945
Leider(s) Adolf Hitler
Voorganger Ambt opgericht
Opvolger Ambt opgeheven
Gouwleider van het Gouw Hamburg
Aangetreden 15 april 1929
Einde termijn 3 mei 1945
Leider(s) Adolf Hitler
Voorganger Hinrich Lohse
Opvolger Ambt opgeheven
Gouwleider van het Groot-Gouw Ruhr
Aangetreden 7 maart 1926
Einde termijn 1 oktober 1928
Leider(s) Adolf Hitler
Voorganger Ambt opgericht
Opvolger Ambt opgeheven
Gouwleider van het Gouw Noord-Rijnland en het Ruhrgebied-Westfalen
Aangetreden 27 / 29 september 1925
Einde termijn 7 maart 1926
Leider(s) Adolf Hitler
Gouwleider van het Gouw Noord-Rijnland
Aangetreden Juli 1925
Einde termijn 26 september 1925
Leider(s) Adolf Hitler
Voorganger Axel Ripke
Opvolger Ambt opgeheven
Rijkscommissaris voor Zeescheepvaart
Aangetreden 30 mei 1942
Einde termijn 8 mei 1945
Voorganger Ambt opgericht
Opvolger Ambt opgeheven
Parlementslid in de Rijksdag
Aangetreden 14 september 1930
Einde termijn 8 mei 1945
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Karl Otto Kurt Kaufmann (Krefeld, 10 oktober 1900 - Hamburg, 4 december 1969) was een Duits politicus en parlementslid voor de NSDAP in de Rijksdag. In de Schutzstaffel en de Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps droeg hij de rang van een Obergruppenführer (luitenant-generaal).

Leven

Op 10 oktober 1900 werd Karl Kaufmann geboren in Krefeld. Hij was de zoon van de oprichter van de wasserijfabriek Karl und Richard Kaufmann. Zijn vader was getrouwd met Friederike (geboortenaam Peters). Hij had twee broers en een zuster. In 1901 verhuisde zijn familie naar Elberfeld.

Na zijn schooltijd, die hij afsloot zonder Abitur, volgde Kaufmann een opleiding in de landbouw. Aansluitend kreeg hij een leerplaats in dezelfde sector.

Eerste Wereldoorlog

In 1917 ging Kaufmann in dienst van de Luftstreitkräfte en werd hij geplaatst bij de Fliegerersatz-Abteilung 7, die gestationeerd was in Brunswijk. Hij volgde de opleiding tot piloot, maar deze werd afgebroken vanwege gezichtsverlies (een ernstige ontsteking aan het rechteroog). Kaufmann werd overgeplaatst naar het 92e infanterieregiment (Brunswijk), maar werd opgenomen in het ziekenhuis met een dubbele longontsteking. Na zijn genezing werd hij toegewezen aan het Gebirgs-MG-Abteilung 5, maar door de Wapenstilstand van 11 november 1918 kreeg Kaufmann geen frontervaring.

Interbellum

Zo doelloos zijn beroepsloopbaan verliep, zo consequent zocht hij bevestiging in het politieke werk. Zo was hij lid van het vrijkorps Opper-Silezië en vocht hij in 1923 in de illegale organisatie “Heinz” tegen de bezetting van het Ruhrgebied door de Fransen.

Van februari 1919 tot mei 1920 diende Kaufmann in de Marinebrigade Ehrhardt. In 1920 werd hij leider van de jeugdgroep van de Deutschvölkischer Schutz- und Trutzbund, de grootste, meest actieve en invloedrijkste antisemitische federatie in Duitsland. In 1921 volgde zijn lidmaatschap van het vrijkorps "von Killinger", en vocht hij tegen de Poolse opstand in Opper-Silezië en tijdens de Slag om Annaberg. Als lid van de Kameradschaft Schill pleegde hij sabotage- en andere acties tegen de Franse bezetter in het Ruhrgebied. Dit leidde ertoe dat Kaufmann door de politie werd gezocht en naar Beieren vluchtte.

In 1921 werd hij lid van de NSDAP. Hoewel zijn lidmaatschapsnummer onbekend was, werd hem in 1935 met terugwerkende kracht het nummer 95 toegekend. Hij was de oprichter van de NSDAP in het Ruhrgebied. In enkele weken richtte Kaufmann NSDAP-Ortsgruppen op in Elberfeld, Barmen, Bochum en Langenberg. Gedurende deze tijd werkte hij als bouwvakker, houtbewerker en lader in Marquartstein. Ook werd hij lid van de SA.

Kaufmann nam deel aan de Bierkellerputsch, die mislukte, waarna hij naar Westfalen moest vluchten. Hij werd gearresteerd, kort vastgehouden en daarna overgebracht naar Opper-Beieren, waar hij als arbeider werkte. In februari 1925, toen het verbod op de nazi-partij werd opgeheven, verhuisde hij terug naar het Ruhrgebied en sloot hij zich weer aan bij de SA.

In 1925 werd Kaufmann, op slechts 25-jarige leeftijd, gouwleider van de gouw ‘Rijnland-Noord’. Deze gouw, met zetel in Düsseldorf, was het jaar daarvoor door hemzelf opgericht, samen met Joseph Goebbels en Franz Pfeffer von Salomon. De Geschäftsführer bleef Goebbels, die toen de enige vriend van Kaufmann was. Dit duurde tot 26 september, toen Kaufmann de volledige controle kreeg.

In september 1925 werd hij lid van de Nationalsozialistische Arbeitsgemeinschaft (vrije vertaling: Nationaalsocialistische werkgemeenschap), een kortstondige groep van noordelijke en westelijke Duitse gouwleiders. Deze werd georganiseerd en geleid door Gregor Strasser, die de "socialistische" vleugel van de partij steunde en tevergeefs probeerde het partijprogramma te wijzigen. In 1926 werd de groep tijdens de Bamberg Conferentie opgeheven.

Op 7 maart 1926 breidde zijn gouw zich uit door te fuseren met de gouw Westfalen onder leiding van Franz Pfeffer von Salomon. De nieuwe gouw, Gau Rhine-Ruhr (later Großgau Ruhr), omvatte het gehele Rijn-Westfaalse industriegebied. Opnieuw werd een soort driemanschap gevormd met Kaufmann, Pfeffer von Salomon en Goebbels, die de macht deelden. Conflicten en meningsverschillen leidden er echter toe dat Adolf Hitler ingreep en Kaufmann op 20 juni 1926 tot enige gouwleider benoemde.

Op 20 mei 1928 werd Kaufmann gekozen in het Pruisische Landdag. De parlementaire vergoeding was zijn eerste regelmatige inkomen. In juli 1928 werd hij redacteur van het nazi-weekblad Die Neue Front in Essen.

Op 27 december 1928 trouwde Kaufmann met Else Speth (geboren op 10 januari 1901 in Elberfeld). Volgens zijn SS-personeelsdossier bleef het huwelijk kinderloos.

Op 1 mei 1929 werd hij gouwleider in Hamburg, waar de NSDAP bij de laatste Burgerschapsverkiezingen in 1928 slechts 2,2% had behaald. Dit was een beproevingsopdracht, aangezien hij in zijn vorige functie in het Ruhrgebied na hevige conflicten met Erich Koch niet langer houdbaar werd geacht. Hij wist echter zijn positie te versterken, interne partij-intriges te overwinnen en een sterke machtsbasis op te bouwen. Zijn ambtstermijn werd gekenmerkt door conflicten en onrust, onder meer toen zijn plaatsvervanger Erich Koch hem beschuldigde van het verduisteren van partijgelden. Een onderzoekscommissie vond bewijs van onregelmatigheden, maar Kaufmann werd niet uit zijn functie ontheven.

In september 1930 werd Kaufmann als afgevaardigde van de NSDAP voor kieskring 34 (Hamburg) gekozen in de Rijksdag. Hij werd tevens benoemd tot Reichstagsschriftführer (secretaris) en lid van het uitvoerend comité.

Op de avond van 5 maart 1933 (de laatste Rijksdagverkiezingen in de Weimarrepubliek) gaf hij de nationaalsocialistische politiebeambte Peter Kraus de leiding over een opsporingscommando van de Hamburgse Gestapo, dat communistische en socialistische groepen moest oprollen die door de Rijksdagbrandverordening van 28 februari 1933 illegaal waren verklaard.

Op 16 mei 1933, enkele maanden na de machtsovername door de nazi’s, werd Kaufmann benoemd tot Rijksstadhouder van Hamburg. In deze functie nam hij in 1936 de politieke leiding van de Hamburgse Gestapo over en oefende daarmee aanzienlijke invloed uit.

In september 1933 gaf Kaufmann persoonlijk toestemming voor de oprichting van het concentratiekamp Fuhlsbüttel, waar uiteindelijk meer dan 250 mensen werden vermoord. Op 15 november 1933 werd hij opgenomen in de SS met de rang van SS-Oberführer en als Ehrenführer geplaatst in de Persönlicher Stab Reichsführer-SS van Heinrich Himmler.

In juli 1936 werd Kaufmann door Hitler benoemd tot Führer der Landesregierung, waardoor hij meer directe zeggenschap kreeg over het bestuur van Hamburg, ten koste van Carl Vincent Krogmann, de titulair regerend burgemeester. Daarmee verenigde hij de vijf belangrijkste politieke ambten van Hamburg in zijn persoon: gouwleider, Rijksstadhouder, regeringsleider van de deelstaat, hoofd van het staats- en gemeentebestuur en Rijksverdedigingscommissaris van het 10e militaire district. In hetzelfde jaar werd hij ook redacteur van het Hamburger Tageblatt.

Op 26 januari 1937 werd de Groot-Hamburgwet aangenomen (van kracht vanaf 1 april), waarmee Hamburg werd uitgebreid door de toevoeging van verschillende voorheen Pruisische steden. Tijdens de Kristallnacht, in de nacht van 9 op 10 november 1938, gaf Kaufmann tijdens een bijeenkomst in München telefonisch opdracht om de synagogen, winkels en woningen van Joden in Hamburg te vernietigen.

Tweede Wereldoorlog

Op 1 september 1939, na het begin van de Tweede Wereldoorlog, werd Kaufmann benoemd tot Rijksverdedigingscommissaris van het 10e militaire district. Dit militaire district omvatte, evenals gouw Sleeswijk-Holstein, ook het grootste deel van de gouwen Weser-Ems en Oost-Hannover. Na de Duitse bezetting van Denemarken in 1940 begon de architect Heinrich Bartmann, in opdracht van Kaufmann, met het uitwerken van bouwklare plannen voor een "Vogelfluglinie" (de Fehmarnsundbrücke en de veerverbinding naar Denemarken) die Groot-Hamburg met Scandinavië moest verbinden. In tegenstelling tot een ouder plan uit 1912 zou over de Fehmarnsundbrücke nu naast een spoorlijn ook een rijksautosnelweg met vier rijstroken worden aangelegd. In Denemarken was in 1937 al de Storstrømbrug tussen de eilanden Falster en Seeland ingewijd.

Kaufmann zag zichzelf als een onafhankelijk bestuursorgaan voor de burgers en hield wekelijks spreekuur. In zijn machtspositie vernietigde hij bestuurlijke beslissingen wanneer hij dat nodig achtte, waardoor de rechtszekerheid binnen het Hamburgse bestuur aanzienlijk werd ondermijnd. Zijn vorm van sociaal populisme maakte hem enigszins populair bij de inwoners van Hamburg. Hij lichtte de intentie achter zijn "socialisme van actie" toe in een toespraak voor de Hamburgse Kamer van Koophandel in oktober 1940:

“Wenn ich vor dem Kriege auf dieses Kapitel der Betreuung, Erziehung und Führung der deutschen Arbeiter so großen Wert gelegt habe, so geschah dies in der Erkenntnis, daß der totale Krieg in einem Industriestaat nicht nur mit Waffen und Soldaten, sondern vor allen Dingen mit Arbeitern geführt wird.”

“Als ik vóór de oorlog zoveel waarde heb gehecht aan dit hoofdstuk van de zorg, opvoeding en leiding van de Duitse arbeiders, dan gebeurde dat vanuit het besef dat een totale oorlog in een industriestaat niet alleen met wapens en soldaten wordt gevoerd, maar vooral met arbeiders.”

Na de geallieerde bombardementen van 15 en 16 september 1941, waarbij meer dan 600 mensen in Hamburg dakloos raakten, verzocht Kaufmann Hitler om toestemming de lokale Joden te deporteren, zodat hij hun bezittingen kon confisqueren om ontheemde Duitsers te huisvesten. Hitler stemde snel toe en de deportaties begonnen de volgende maand, onder meer naar het getto van Łódź in Polen. Naar schatting kwamen tijdens zijn bewind uiteindelijk circa 10.000 Joden uit Hamburg om het leven.

Als lid van het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps (NSKK) werd Kaufmann op 20 april 1941 bevorderd tot NSKK-Obergruppenführer. Op 30 januari 1942 volgde zijn bevordering tot SS-Obergruppenführer (luitenant-generaal).

Op 30 mei 1942 werd Kaufmann, als leider van Duitslands grootste zeehaven, benoemd tot Reichskommissar (Rijkscommissaris) voor de Zeescheepvaart. Daarmee deelde hij de verantwoordelijkheid voor de bevoorrading van overzeese onderdelen van de Wehrmacht, zoals het Afrikakorps. Op 24 augustus 1942 werd hij tevens benoemd tot Rijksverdedigingscommissaris voor de Noordkust (Duitse Bocht). Op 16 november 1942 werd de jurisdictie van de Rijksverdedigingscommissarissen gewijzigd van het militaire districtsniveau naar het gouw-niveau, waarbij hij alleen de controle behield over gouw Hamburg en de Duitse Bocht.

Sinds het bombardement op Hamburg in juli/augustus 1943 ("Operatie Gomorra") leek Kaufmann zich vooral te richten op het beperken van zijn persoonlijke schade. Zijn tot dan toe onvoorwaardelijke vertrouwen in Hitler was verdwenen. Zijn rapporten als Rijkscommissaris voor de overzeese scheepvaart lieten geen twijfel bestaan over de wanhopige militaire situatie, en hij legde grote voorraden voedsel en buitenlandse valuta aan in zijn woning in het natuurreservaat Duvenstedter Brook. Uit voorzorg werd de naam van zijn vrouw opgenomen in de pachtovereenkomst.

Op 20 juli 1944, onmiddellijk na de mislukte aanslag op Adolf Hitler, werden bevelen uitgevaardigd om lokale nazi-leiders te arresteren. In de meeste gevallen gebeurde dit echter niet. In Hamburg waren Kaufmann en de lokale legerdistrictscommandant bevriend; zij maakten zelfs grappen over wie van hen de ander zou moeten arresteren totdat de situatie was opgehelderd.

Net als alle gouwleiders werd Kaufmann op 18 oktober 1944 benoemd tot commandant van de Volkssturm in zijn gouw en begon hij plannen te maken voor de verdediging van de stad.

Eind 1944 werden concrete plannen gemaakt voor de verdediging van Hamburg en kort daarna begon de aanleg van twee verdedigingslinies. De tankbarrières van de binnenste ring lagen deels midden in dichtbevolkte woonwijken. Kaufmann en de Kampfkommandant en Generalmajor Alwin Wolz waren ervan overtuigd dat verdediging zinloos was. Volgens de controversiële historicus Kurt Detlev Möller zou Kaufmann op 3 april 1945 in de Führerbunker aan Hitler hebben gevraagd of een overgave van Hamburg als "open stad" mogelijk was. Hitler reageerde door hem te ontslaan als Rijksverdedigingscommissaris voor de Duitse Bocht.

De Generalfeldmarschall Ernst Busch en Großadmiral Karl Dönitz stonden erop de stad te verdedigen. Volgens deze bronnen waren Kaufmann en Wolz het begin mei nog steeds eens dat de stad zonder strijd moest worden overgegeven.

Nadat Dönitz, die door Hitler tot rijkspresident was benoemd en met de Flensburgregering naar Flensburg-Mürwik was gevlucht, op 2 mei had ingestemd met een gevechtsloze overgave van Hamburg, vergezelde Wolz op 3 mei 1945 de Duitse delegatie onder leiding van Hans-Georg von Friedeburg naar het Britse hoofdkwartier bij Lüneburg. In villa Möllering ondertekende hij de overgavevoorwaarden voor de stad. Diezelfde middag marcheerden Britse troepen Hamburg binnen.

Na de Tweede Wereldoorlog

Op 4 mei 1945 werd Kaufmann gearresteerd en naar een interneringskamp gestuurd. Onderweg naar Neurenberg raakte hij betrokken bij een auto-ongeluk, waarbij hij ernstig hoofdletsel opliep en langdurig in het ziekenhuis moest worden opgenomen. In april 1946 legde hij een getuigenverklaring af voor een Brits militair tribunaal dat onderzoek deed naar het zinken van de SS Cap Arcona, waarbij circa 7.500 concentratiekampgevangenen omkwamen. Uiteindelijk werd hij door een Britse militaire rechtbank veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf wegens oorlogsmisdaden, maar op 22 april 1949 werd hij vanwege gezondheidsproblemen als gevolg van zijn hoofdletsel vrijgelaten. Ondanks Kaufmanns "politieke verantwoordelijkheid" voor alle nazimisdaden in Hamburg, en dus ook voor de misdaden begaan in het concentratiekamp Neuengamme, werd hij niet vervolgd door de Britse militaire rechtspraak.

Kaufmann nam in 1946 uitsluitend als getuige deel aan het belangrijkste Neuengammeproces. Kaufmann was geen verdachte in de Neurenbergprocessen, maar moest wel getuigen. Hij legde een verklaring af over de complexe gebeurtenissen rond de Kristallnacht.

Op 3 augustus 1950 werd Kaufmann vanwege het risico op vlucht en belemmering van de rechtsgang opnieuw gearresteerd. Tijdens zijn internering sloot hij zich aan bij een zogenaamde "broederschap", een "elitaire rechtsextremistische ondergrondse organisatie" bestaande uit voormalige nazi-activisten en -officieren. Hun missie was om kranten te overspoelen met ingezonden brieven "om een van de beste Duitse mannen te helpen".

Op 18 november 1950 werd Kaufmann vrijgelaten. In januari 1951 werd hij tijdens de denazificatieprocedure ingedeeld in categorie 3 (Minderbelasteter) als minder ernstig delinquent, waarna zijn bezittingen werden vrijgegeven. Hij leefde voor een tijd in Hamburg-Poppenbüttel.

Kaufmann probeerde opnieuw politiek actief te worden in de kring rond Werner Naumann, de voormalige staatssecretaris van het Rijksministerie voor Volksvoorlichting en Propaganda. Deze kring probeerde de BHE-, DP- en FDP-partijen te infiltreren en een ‘nationale eenheidsbeweging’ op te zetten. Dit project stond onder toezicht van de Britse inlichtingendienst en leidde tot de arrestatie van Kaufmann en andere deelnemers op 15 en 16 januari 1953. Eind maart 1953 werd Kaufmann ontslagen uit het Britse militaire ziekenhuis in Iserlohn.

Een onderzoek van het openbaar ministerie naar "misdaden tegen de menselijkheid" leidde tot een aanklacht tegen Kaufmann, maar er vond geen hoofdproces plaats.

Vanaf 1959 was Kaufmann vennoot in een verzekeringsmaatschappij die eigendom was van zijn voormalige plaatsvervangend economisch adviseur van de gouw, Otto Wolff. Hij was ook vennoot in een chemische fabriek. Kaufmann leefde tot zijn dood op 4 december 1969 als een welgestelde burger in Hamburg.

Legendevorming en waarheid

Al in april 1946 had de Hamburgische Bürgerschaft (het stadsparlement) de Senaat verzocht onderzoek te laten doen naar de gebeurtenissen rond de geweldloze overgave van de stad. Het boek Das letzte Kapitel van archivaris Kurt Detlev Möller verscheen in 1947 en riep veel controverse op. Het stelde weliswaar terecht dat de geweldloze overgave door Kaufmann planmatig was voorbereid en bewust was bewerkstelligd – een weergave die ook overeenkomt met inzichten uit recenter onderzoek. Door de beperking tot de laatste oorlogsweken werd gauleiter Kaufmann echter gestileerd als redder van de stad, terwijl zijn verantwoordelijkheid voor nazimisdaden, de Jodenvervolging en vriendjespolitiek buiten beschouwing bleef.

In 1946 legde Kaufmann als getuige voor het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg een valse verklaring af, waarin hij stelde dat hij de Kristallnacht in Hamburg had verboden. Tijdens de ondervraging door aanklager Sir David Maxwell Fyfe beweerde hij dat hij op 9 november niet aanwezig was geweest bij de jaarlijkse herdenking van de nazi-kopstukken in München voor de Hitlerputsch van 1923, en dat hij daarom de oproep van Goebbels rond 22.00 uur om een pogrom tegen de Joden uit te voeren, niet had gehoord. Toen er ook in Hamburg pogroms uitbraken, zou hij deze hebben verboden. De gewelddadigheden die ondanks zijn verbod in Hamburg waren gepleegd, zouden volgens hem zijn uitgevoerd door commando's van buitenaf. Deze verklaring kwam tot het einde van de 20e eeuw geloofwaardig over op veel historici, zoals Hermann Graml. Het droeg ook bij aan het lange tijd overwegend positieve beeld van Kaufmanns rol in de nazi-staat. In werkelijkheid verliepen de vernielingen door de SA-commando's in Hamburg volgens hetzelfde patroon als elders. Pas in 1998 onderzocht archivaris Jürgen Sielemann de werkelijke betrokkenheid van Kaufmann bij de pogrom. Hij bewees dat Kaufmann wel degelijk in München was en van daaruit de bevelen van Goebbels voor de uitvoering van de pogrom telefonisch aan Hamburg had doorgegeven.

Kaufmann zette zich in voor de oprichting van het beruchte concentratiekamp Fuhlsbüttel, omdat hij de behandeling van tegenstanders van het regime in het concentratiekamp Wittmoor “te mild” vond. Hij belemmerde onderzoeken door het Openbaar Ministerie, gaf onrechtmatig opdracht om doodgeslagen gevangenen onmiddellijk te cremeren en verhinderde daarmee een voorgeschreven lijkschouwing.

Kaufmann verzamelde in zijn "Hamburger Stiftung von 1937” minstens 8,6 miljoen Reichsmark, afkomstig uit publieke middelen, donaties uit het bedrijfsleven en opbrengsten uit "ariseringen”. Gunstelingen en "verdienstelijke partijgenoten” bediende hij met contante bedragen, goedbetaalde schijnfuncties en met percelen, huizen en bedrijven van Joodse eigenaren. De president van de Rekenkamer, die hiertegen bezwaar durfde te maken, werd in 1938 geschorst en overgeplaatst.

Kaufmann nam na een bombardement op 16 september 1941 het initiatief en kreeg toestemming van Hitler om de Hamburgse Joden te deporteren. In een brief aan Hermann Göring schreef hij:

“Im September 1941 war ich nach einem schweren Luftangriff an den Führer herangetreten mit der Bitte, die Juden evakuieren zu lassen, um zu ermöglichen, dass wenigstens zu einem gewissen Teil den Bombengeschädigten wieder eine Wohnung zugewiesen werden könnte. Der Führer hat unverzüglich meiner Anregung entsprochen und die entsprechenden Befehle zum Abtransport der Juden erteilt.”

“In september 1941 wendde ik mij, na een zwaar bombardement, tot de Führer met het verzoek de Joden te laten evacueren, om het mogelijk te maken dat ten minste een deel van de door het bombardement getroffenen weer een woning kon krijgen toegewezen. De Führer gaf onmiddellijk gehoor aan mijn verzoek en gaf de betreffende bevelen voor het transport van de Joden.”

Deze deportatie strandde op het verzet van de gouverneur-generaal Hans Frank, die de Joden uit Hamburg niet wilde opnemen. Waarschijnlijk droeg het vroege initiatief van Kaufmann er echter toe bij dat de deportaties vanaf oktober 1941 in het hele Rijk op gang kwamen.

Carrière

Kaufmann bekleedde verschillende rangen in zowel de Allgemeine-SS als NSKK. De volgende tabel laat zien dat de bevorderingen niet synchroon liepen.

Datums Luftstreitkräfte Sturmabteilung NSDAP Allgemeine-SS NSKK
1917Kriegsfreiwilliger————
1922—SA-Mann———
Juli 1925——Gauleiter der NSDAP——
Mei 1933——Reichsstatthalter der NSDAP——
15 november 1933———SS-Oberführer—
27 januari 1934———SS-Gruppenführer—
1 september 1939——Reichsverteidigungskommissar——
20 april 1941————NSKK-Obergruppenführer
30 januari 1942———SS-Obergruppenführer—
30 mei 1942——Reichskommissar——

Lidmaatschapsnummers

Onderscheidingen

Selectie: