De kruisafneming is het moment waarop, volgens het christendom, het lichaam van Jezus Christus van het kruis genomen wordt, nadat hij gestorven is. Het moment van de kruisafneming is traditioneel de 13e statie van de kruisweg, die in veel katholieke kerken te vinden is, maar komt ook voor als zelfstandig kunstwerk.
In de Byzantijnse kunst werd het beeld van de kruisafname populair in de 9e eeuw en in het westen vanaf de 10e eeuw.
Centraal in het beeldwerk staat het dode, bleke lichaam van Jezus. Al in vroege afbeeldingen van de kruisafname, zijn de details – zoals de positie van het lichaam van Jezus – vrij divers. Het beeldwerk van de kruisafname laat, afgezien de kruisafneming van Jezus, vaak een flauwvallende Maria zien, die opgevangen wordt door Johannes (zoals in het schilderij van Rogier van der Weyden).
Peter Paul Rubens schilderde een aantal versies:
Van andere kunstenaars:
De Kruisafneming van Gerard Seghers in de Sint-Pauluskathedraal in Luik, toont de scène net nadat de kruisafneming gebeurt: Nicodemus neemt nog het laken weg dat diende als hulpmiddel om Jezus voorzichtig van het kruis af te nemen. Maria Magdalena wast ondertussen Jezus' voeten.
Soms neemt de kruisafneming maar een (klein) gedeelte is van een groter geheel in; dat zien we vooral in doorlopende verhalende composities, zoals in Scènes uit de passie van Christus (bijgenaamd De Passie van Turijn) van Hans Memling; het schilderij beeldt het ganse passieverhaal uit van links van rechts met rechtsboven een minuscule kruisafneming.