| Kruisbes | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Close-up van een bloeiend exemplaar | ||||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Ribes uva-crispa L. (1753) | ||||||||||||||||||
| Geteelde rode kruisbes | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Kruisbes of stekelbes (Ribes uva-crispa) is een plantensoort uit de ribesfamilie (Grossulariaceae).
Kruisbes heeft in het Nederlands vele lokale triviale namen. Zo wordt ze ook 'steikbear', 'klapbes', 'kroensel', 'kroesel', 'knoezel', 'knoerzel', 'kruudoorn', 'kruusdoren' of 'knoeper' genoemd. In Vlaanderen wordt ze vaak 'kries' of 'stekelbes' genoemd.

Kruisbes is een struikvormende plant die een hoogte van 0,6–1,2 m kan bereiken. Ze heeft gestekelde takken. De bladeren zijn rondachtig en drie- tot vijfbladinsnijdinglobbig. De bladsteel en de onderkant van het blad zijn zacht behaard. De plant bloeit in april met groenachtige tot vuilpaarse bloemen. De kelkbuis is klokvormig en de langwerpige kelkslippen zijn teruggeslagen. De kelk heeft dezelfde kleur als de kroonbladen. De vrucht is een kale of met klierachtige borstels bezette bes en heeft in rijpe toestand een groene, gele, rode of roodpaarse kleur.
In Noord-Amerika komt van nature een sterk gelijkende soort voor, Ribes hirtellum, met helderrode bessen.
Kruisbes komt voor op vocht- en kalkhoudende, eutrofe tot mesotrofe gronden op kapvlakten, onder struikgewas en op open plekken in het bos. Ze wordt bestoven door insecten en kan vruchtzetten met eigen stuifmeel (zelfbestuivend). De soort wordt vooral ornithochoraal verspreid.
In de syntaxonomie staat kruisbes binnen de struweelformatie te boek als kensoort voor het liguster-verbond (Berberidion vulgaris).
De bessen van kruisbes worden vers gegeten en vinden toepassing in Limburgse vlaai, jam en frisdrank.
Er wordt in Nederland nog maar weinig kruisbes geteeld, minder dan 15 hectare. In Vlaanderen is de teelt nog vrij algemeen bij de telers van kleinfruit, vooral in de typische fruitstreken zoals Haspengouw, de Voorkempen en het Hageland.
Vroeger werden de bessen onrijp geplukt voor de verwerkende industrie. Tegenwoordig worden ze rijp geplukt voor de verse consumptie en komen dan voornamelijk in juli op de markt.
Kruisbes worden vegetatief door stek vermeerderd. Voor particuliere tuinen worden ook wel kleine boompjes aangeboden, waarbij kruisbes is geënt op een onderstam van Ribes uva-crispa variëteit reclinatum, die gemakkelijk stekt. Doordat deze onderstam een hoogte van ongeveer 1 m heeft, groeien de vruchten op plukhoogte.
In de commerciële teelt kan gekozen worden voor vrij groeiende struiken, of voor de teelt aan hagen. Dit laatste komt tegenwoordig het meeste voor. Sommige rassen hebben een hangende groeiwijze waardoor ze niet meer geschikt zijn voor de teelt als vrijstaande struik, doch alleen nog maar aan een haag kunnen worden geteeld.
Bij de teelt aan hagen worden palen opgericht met daartussen draden die op een afstand van ongeveer 20–25 cm worden gespannen. Vervolgens worden per struik twee of drie gesteltakken omhoog geleid, waarbij er door middel van snoei voor wordt gezorgd dat de gesteltakken elk jaar over de volledige lengte zijn bekleed met vruchtdragend hout.
Kruisbes is geschikt voor kleine tuinen. Ze kan op een beperkte plaats veel vruchten geven. De soort heeft een voorkeur voor zon maar verdraagt ook halfschaduw. Ze heeft een voorkeur voor droge tot lichtvochtige grond met een pH van 6–6,5(–8). De plant groeit het best op neutrale grond, maar verdraagt ook alkalische gronden. Bij een hoge waterstand in de winter sterven kruisbesstruiken af.
Bij kruisbes wordt onderscheid gemaakt naar de kleur van de rijpe vruchten, te weten:
In de commerciële teelt zijn de rassen met rode of roodpaarse bessen het meest populair, omdat de vruchten er voor verse consumptie het meest aantrekkelijk uitzien. Dit neemt niet weg dat er binnen het sortiment van rassen met groene of gele bessen ook rassen voorkomen met een zeer goede consumptiekwaliteit.
De rijptijd van de rassen varieert en begint eind juni voor de vroegste rassen en loopt tot begin augustus voor de laatste rassen.
Hieronder worden diverse rassen beschreven, ongeveer op volgorde van rijptijd:
Per 100 gram vers product:
| Groen | Geel | Rood | |
|---|---|---|---|
| Energetische waarde | 44 kcal/184kJ | 28 kcal/118kJ | 44 kcal/184kJ |
| Koolhydraten | 8,8 g | 6,0 g | 8,8 g |
| Eiwit | 0,8 g | 1,0 g | 0,8 g |
| Vet | 0,15 g | 0,10 g | 0,15 g |
| Caroteen | 0,21 mg | 0,10 mg | 0,21 mg |
| Vitamine C | 35 mg | 30 mg | 35 mg |
| Vitamine B1 | 0,16 mg | 0,02 mg | 0,16 mg |
| Vitamine B2 | 0,02 mg | 0,01 mg | 0,02 mg |
| Calcium | 29 mg | 30 mg | 29 mg |
| IJzer | 0,63 mg | 1,0 mg | 0,63 mg |
De belangrijkste schimmelaantasting is Amerikaanse kruisbessenmeeldauw (Sphaerotheca mors-uvae) en bladvalziekte (Drepanopeziza ribis).
Amerikaanse kruisbessenmeeldauw veroorzaakt op jonge scheuten en bessen een witte schimmel. De ontwikkeling van de scheuten wordt sterk geremd en de bessen worden waardeloos. Er zijn rassen verkrijgbaar die niet tot weinig vatbaar zijn voor deze ziekte. Bij de vatbare rassen moet echter tegen de ziekte worden gespoten. De bespuitingen vangen aan op het moment dat de bessen de grootte hebben van een erwt. De gehele struik moet bij de bespuiting goed worden geraakt, waarbij het beste van onder af kan worden gespoten. De bespuiting moet enige malen worden herhaald; bij ernstige aantasting ook na de pluk. Bij de snoei in de winter moeten aangetaste toppen (zwart verkleurd) worden uitgeknipt en verbrand. Alhoewel het uitknippen van toppen uit het oogpunt van snoei helemaal verkeerd is, is deze maatregel noodzakelijk om vroege infectie in het opvolgende jaar te voorkomen.
Er zijn verschillende schimmelbestrijdingsmiddelen (fungiciden) werkzaam tegen Amerikaanse kruisbessenmeeldauw. Er dient te worden nagegaan welke werkzame stoffen volgens de lokale wetgeving zijn toegestaan voor dit gebruik. Tussen de laatste bespuiting en de oogst moet een wachttijd in acht genomen te worden. Middelen met verschillende werkingsmechanismen worden afgewisseld om resistentie van de schimmelziekte tegen een bepaald middel te voorkomen.