| Kurt Lewin | ||
|---|---|---|
| Persoonlijke gegevens | ||
| Volledige naam | Kurt Zadek Lewin | |
| Geboortedatum | 9 september 1890 | |
| Geboorteplaats | Mogilno | |
| Overlijdensdatum | 12 februari 1947 | |
| Overlijdensplaats | Newtonville, Massachusetts | |
| Nationaliteit | Duits-Amerikaans | |
| Academische achtergrond | ||
| Alma mater | Ludwig Maximilians-universiteit, Universiteit van Freiburg, Humboldtuniversiteit van Berlijn | |
| Promotor | Carl Stumpf | |
| Wetenschappelijk werk | ||
| Vakgebied | Psychologie, sociale psychologie | |
| Universiteit | Universiteit van Iowa, Massachusetts Institute of Technology | |
| Bekend van | veldtheorie, groepsdynamica, actieonderzoek | |
Kurt Lewin (Mogilno, 9 september 1890 – Newtonville (Massachusetts), 12 februari 1947) was een Duits-Amerikaans psycholoog. Hij geldt als een van de pioniers van de moderne sociale psychologie en leverde belangrijke bijdragen aan de veldtheorie, groepsdynamica, onderzoek naar leiderschapsstijlen en actieonderzoek.
Lewin werd beïnvloed door de gestaltpsychologie, maar ontwikkelde een eigen theoretische benadering waarin gedrag werd opgevat als het resultaat van de wisselwerking tussen een persoon en diens omgeving. Dit wordt vaak weergegeven met de formule B = f(P,E): gedrag (behavior) is een functie van de persoon en de omgeving.
Na zijn emigratie uit nazi-Duitsland in 1933 werkte Lewin in de Verenigde Staten onder meer aan de Cornell University, de University of Iowa en het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Aan MIT richtte hij het Research Center for Group Dynamics op.
Lewin werd geboren in Mogilno, destijds gelegen in de Pruisische provincie Posen en tegenwoordig in Polen, in een Joods gezin.
In 1905 verhuisde het gezin naar Berlijn. Lewin begon in 1909 met een studie geneeskunde aan de Universiteit van Freiburg, studeerde vervolgens biologie in München en ging daarna naar de Friedrich-Wilhelms-Universität in Berlijn, de huidige Humboldtuniversiteit te Berlijn. Daar verschoof zijn belangstelling naar psychologie en filosofie. Hij studeerde onder anderen bij psycholoog Carl Stumpf.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Lewin in het Duitse leger. Na een verwonding keerde hij terug naar Berlijn. Hij promoveerde in de psychologie en was vervolgens aan de universiteit van Berlijn werkzaam.
In Berlijn werkte Lewin in een omgeving waarin ook de gestaltpsychologie van onder anderen Max Wertheimer, Wolfgang Köhler en Kurt Koffka zich ontwikkelde. Hij werd door deze stroming beïnvloed, maar ontwikkelde daarnaast een eigen theoretische en experimentele benadering.
Lewin verbleef in 1932 als gastdocent in de Verenigde Staten. Na de machtsovername door de nationaalsocialisten en de toenemende uitsluiting van Joden besloot hij Duitsland definitief te verlaten.
In augustus 1933 emigreerde hij naar de Verenigde Staten. Hij werkte aanvankelijk aan Cornell University. In 1935 werd hij verbonden aan de Iowa Child Welfare Research Station van de Universiteit van Iowa, waar hij onderzoek deed naar kinderen, groepen, motivatie en sociale processen.
De University of Iowa beschrijft Lewins komst naar de Child Welfare Research Station als een ontwikkeling die de afdeling psychologie in de jaren veertig aan de voorhoede van theoretische vernieuwing hielp plaatsen.
In 1944 verliet Lewin Iowa. Aan het Massachusetts Institute of Technology richtte hij het Research Center for Group Dynamics op. Het centrum hield zich bezig met experimenteel onderzoek naar groepen, leiderschap, communicatie en sociale verandering.
Lewin bleef er werkzaam tot zijn overlijden in 1947.
Een van Lewins belangrijkste theoretische bijdragen was zijn veldtheorie (field theory).
Volgens Lewin kan gedrag niet voldoende worden verklaard vanuit uitsluitend eigenschappen van een persoon of uitsluitend kenmerken van diens omgeving. Gedrag ontstaat uit de actuele wisselwerking tussen beide.
Hij vatte dit samen in de formule:
waarbij B staat voor gedrag (behavior), P voor de persoon en E voor de omgeving.
Lewin gebruikte het begrip levensruimte (life space) voor het geheel van de persoon en de psychologisch relevante omgeving op een bepaald moment. Binnen deze levensruimte werken verschillende doelen, behoeften en krachten op het gedrag in.
Zijn veldtheorie werd mede beïnvloed door de gestaltpsychologie en door het gebruik van begrippen uit de natuurkunde, maar was bedoeld als een psychologische theorie over gedrag in concrete situaties.
Na zijn dood werden verschillende van zijn theoretische teksten gebundeld in Field Theory in Social Science (1951).
Lewin speelde een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de wetenschappelijke studie van groepsdynamica.
De American Psychological Association omschrijft groepsdynamica onder meer als de processen en veranderingen binnen sociale groepen die invloed hebben op communicatie, conflicten, besluitvorming, leiderschap, normen en machtsverhoudingen. De term werd door Lewin gebruikt om de veranderlijke krachten binnen groepen te benadrukken.
Lewin stelde dat groepen niet eenvoudigweg een verzameling individuen zijn. Gedrag van afzonderlijke groepsleden wordt mede bepaald door de structuur, normen en krachten binnen de groep.
Dit uitgangspunt vormde een belangrijke basis voor later onderzoek naar teams, organisaties, leiderschap en organisatiepsychologie.
Samen met Ronald Lippitt en Ralph K. White voerde Lewin in de jaren dertig experimenteel onderzoek uit naar verschillende vormen van leiderschap.
In een bekende studie uit 1939 werden groepen jongens onder verschillende sociale klimaten onderzocht. Daarbij werden drie leiderschapsstijlen onderscheiden:
De onderzoekers bestudeerden de gevolgen van deze verschillende omstandigheden voor onder meer groepsgedrag, agressie, samenwerking en productiviteit.
Het onderzoek vond plaats tegen de achtergrond van de opkomst van fascistische en autoritaire regimes in Europa. Lewin was daarbij ook geïnteresseerd in de vraag hoe democratische vormen van groepsleiding konden functioneren.
Het onderscheid tussen autocratisch, democratisch en laissez-faire leiderschap kreeg later grote invloed binnen onderzoek naar leiderschap en organisaties.
Lewin wordt beschouwd als een van de grondleggers van actieonderzoek (Engels: action research).
Hij gebruikte de term in de jaren veertig voor onderzoek waarin wetenschappelijke kennisontwikkeling wordt gecombineerd met pogingen om concrete maatschappelijke problemen te veranderen. De American Psychological Association omschrijft actieonderzoek in de oorspronkelijke Lewiniaanse betekenis als onderzoek dat wordt uitgevoerd om een sociaal probleem aan te pakken en waarvan de resultaten worden gebruikt om de situatie te verbeteren.
In zijn artikel Action Research and Minority Problems uit 1946 beschreef Lewin een cyclisch proces van:
Wetenschappelijk onderzoek en praktische verandering werden daarbij niet als afzonderlijke activiteiten gezien. Onderzoek naar een probleem kon tegelijkertijd bijdragen aan de oplossing ervan.
Deze benadering kreeg later toepassing binnen onder meer onderwijs, organisaties, gezondheidszorg en sociaalwetenschappelijk onderzoek.
Lewin vond dat psychologie niet alleen fundamentele kennis moest opleveren, maar ook gebruikt moest worden bij maatschappelijke problemen.
Zijn onderzoek hield zich onder meer bezig met groepsconflicten, discriminatie, minderheden, leiderschap en sociale verandering.
De Society for the Psychological Study of Social Issues (SPSSI), waarvan Lewin medeoprichter was, kent sinds 1948 de Kurt Lewin Award toe voor bijdragen die psychologisch onderzoek verbinden met maatschappelijke actie.
Verschillende geschriften over deze onderwerpen werden na zijn dood gebundeld in Resolving Social Conflicts.
Lewin wordt in literatuur over organisatieverandering en verandermanagement vaak in verband gebracht met een model van drie fasen:
Lewin gebruikte in een publicatie uit 1947 inderdaad begrippen als unfreezing, moving en freezing bij zijn bespreking van sociale verandering.
Het later algemeen bekende model unfreeze–change–refreeze moet echter met enige voorzichtigheid aan Lewin worden toegeschreven. Historisch onderzoek van Stephen Cummings, Todd Bridgman en Kenneth Brown uit 2016 concludeerde dat Lewin zelf geen uitgewerkt driestappenmodel voor verandermanagement formuleerde zoals dat later in managementliteratuur werd gepresenteerd.
Volgens deze studie werd het model grotendeels na Lewins overlijden gereconstrueerd en vereenvoudigd. Lewin gebruikte zelf bovendien het woord refreezing niet; dat begrip verscheen later in publicaties van anderen.
De studie naar deze herinterpretatie ontving de Human Relations Paper of the Year Award 2016.
Lewins bredere theorie over verandering was complexer en hing samen met zijn veldtheorie, groepsdynamica en onderzoek naar de krachten die een bestaande toestand in stand houden of veranderen.
Lewins werk heeft invloed gehad op verschillende vakgebieden, waaronder:
Zijn combinatie van theorie, experiment en maatschappelijke toepassing werd kenmerkend voor zijn werk.
MIT noemt de oprichting van het Research Center for Group Dynamics door Lewin als onderdeel van de intellectuele geschiedenis die het moderne denken over werk en organisaties mede heeft gevormd.
Zijn theorieën over persoon-omgevingsinteractie, groepen en sociale verandering worden ook decennia na zijn overlijden nog besproken en opnieuw beoordeeld.
Lewin overleed op 12 februari 1947 in Newtonville, Massachusetts, op 56-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval.
Na zijn dood werden verschillende niet eerder als boek verschenen teksten verzameld en uitgegeven. Tot de bekendste postuum verschenen bundels behoren Resolving Social Conflicts (1948) en Field Theory in Social Science (1951).
Een selectie van Lewins publicaties:
| Jaar | Publicatie |
|---|---|
| 1935 | A Dynamic Theory of Personality |
| 1936 | Principles of Topological Psychology |
| 1938 | The Conceptual Representation and the Measurement of Psychological Forces |
| 1939 | Patterns of Aggressive Behavior in Experimentally Created “Social Climates” (met Ronald Lippitt en Ralph K. White) |
| 1942 | Field Theory and Learning |
| 1946 | Action Research and Minority Problems |
| 1947 | Frontiers in Group Dynamics |
| 1948 | Resolving Social Conflicts (postuum) |
| 1951 | Field Theory in Social Science (postuum) |