

De sage van Gelmel beschrijft de geschiedenis van het ontstaan van Zondereigen en Ginhoven in de 9e en 10e eeuw. De figuur van Gelmel wordt daarbij verbonden met een bredere Vikingaanwezigheid in het Markgebied dat zich uitstrekte van Breda tot aan de bron.
De naam Gelmel komt voor in historische bronnen. In 1154 wordt een zekere Godescalcus de Gelmela vermeld, wat erop wijst dat Gelmel toen reeds als plaats- of geslachtsnaam bestond.
Historicus K.A.H.W. Leenders identificeert Gelmel met het kasteel van Gelmel in Hoogstraten. Volgens hem was het nabije Wortel de oude parochie, terwijl het kasteel van Gelmel het plaatselijke kasteel was. Gelmel was de burcht van de gelijknamige heren, die al in de twaalfde eeuw in de bronnen voorkomen.
Ook in vroegmoderne historische literatuur werd Gelmel met Hoogstraten verbonden. J.B. Grammaye vermeldde in zijn Antiquitates Bredanae de formule Gelmel sive Hoogstraten, letterlijk “Gelmel, ofwel Hoogstraten”. Elders in zijn werk verwees hij naar “het Landt van Gelmel met alle de dorpen tusschen Marck ende Baerel (Baarle)” en verklaarde hij Gelmel als de burcht van Hoogstraten.
De sage van Gelmel sluit dus aan bij een historisch bekende naam, maar de bronnen bewijzen vooral het bestaan van de naam, de burcht en de heren van Gelmel, niet de gebeurtenissen uit de sage zelf.
Er zijn enkele varianten. Hier de legende zoals ze verteld wordt in Ginhoven:
Gelmel was een Viking. Aan het eind van de 9e eeuw kwam hij geregeld de Mark opvaren met zijn Vikingschepen. Hij voer verder het Merkske op richting Ginhoven, tot waar de Noordermark het Merkske instroomde.
Bij Ginhoven, daar waar de Noordermark het Merkske instroomt, ging hij steeds aan wal om te gaan plunderen. Na de plunderingen vertrokken de rovers weer en de buit werd in verre streken verkocht. Telkens kwamen ze weer terug en begonnen de plunderingen weer opnieuw. Dit bewijst dat de Vikingen de rivier als leidraad gebruikten en tot de bron kwamen, wat overeenkomt met wat algemeen wordt aangenomen.
Op een dag kwam hij terug met zijn schepen. Bij aankomst kwamen er geen rovers uit de boten, maar vrouwen en kinderen. Hij wilde zich vestigen op Ginhoven. De graaf stemde toe en Gelmel werd benoemd tot Heer van Zondereigen. Gelmel liet een motte ter verdediging opwerpen. Op deze motte kwam een burcht met een gracht te staan. Aan de voet kwam een toren van hout te staan met palissaden. Het neerhof rondom de motte was ook nog omringd door een houten muur. Hieromheen liep ook nog een gracht. Binnen het neerhof woonden de ondergeschikten van Gelmel.
De bewoners van Ginhoven en Zondereigen bleven na de oprichting van de burcht gespaard van verdere invallen door de Vikingen. De prijs die hiervoor betaald moest worden was hoog. De vrijheid werd ingeleverd, de boeren werden als laten verbonden aan de burcht van de heer. Het aanzien van Gelmel groeide. Met succes dwong hij naar de hand van Beatrijs, de dochter van de Heer van Breda. De Heer van Weelde was jaloers op Gelmel en daagde hem uit tot een gevecht. Gelmel won het gevecht en doodde de Heer van Weelde.
Gelmel vertrok hierop naar het Heilige Land en keerde niet meer terug naar zijn vrouw. Eenzaam bleef zij in Breda wachten op haar man. Maar nooit zou zij iets van hem vernemen.
De koppeling van Gelmel aan Ginhoven kan worden begrepen als een lokale concretisering van een oudere, regionaal gedeelde herinnering. De sage van Gelmel wordt expliciet verbonden met Ginhoven en omliggende dorpen zoals Zondereigen en Minderhout. In een andere overlevering wordt bovendien vermeld dat zich op het grondgebied van Wortel een wachttoren zou hebben bevonden, dat later is uitgegroeid tot het Gelmelslot. Het kasteel van Hoogstraten wordt al in 1294 als Gelmelslot benoemd. Deze elementen wijzen op een bredere regionale inbedding van de legende, waarbij verschillende nederzettingen hun eigen geografische aanknopingspunten in het verhaal hebben geïntegreerd.
Volgens het boek 'Het kasteel van Breda' (1904) wordt reeds in 840 melding gemaakt van Deense aanwezigheid in de regio, onder meer in de context van een Deense koningsdochter die als bruid naar de Engelse kust werd gebracht. In hetzelfde werk wordt het jaar 1124 genoemd als het moment waarop de ‘Denen’ bij Minderhout werden verslagen, waarbij 25 doden vielen en het kasteel van Breda (Brunesheim) definitief in handen van Hendrik van Breda kwam.
Ab Henrico Viro illustri, unde Domini de Breda descendunt, exstrueta de consensu Ducis et Domini Leodiensis anno M.e.XVI. et dedicat,çt festo D. Virginis anno decimo sequenti, praesentibus Gerardo de Breda, et Domino Baldo de Laere, filiis dicti Domini Henrici de Brunesheim Patroni dictae Ecclesiae.
Door de edele man Hendrik, van wie de heren van Breda afstammen, werd [de kerk van Zundert] gebouwd met toestemming van de hertog en de heer van Luik in het jaar 1016 en gewijd op het feest van de Heilige Maagd in het daaropvolgende tiende jaar, in aanwezigheid van Gerard van Breda en heer Baldo van Laere, zonen van genoemde heer Hendrik van Brunesheim, patroon van die kerk. (In sommige stambomen wordt Hendrik de Brunesheim de Tienen genoemd wat een link legt naar het graafschap Bruningerode).
Het verdrijven van deze groepen valt samen met de territoriale expansie van het hertogdom Brabant. De slag bij Minderhout en de vernietiging van het Brunesheimkasteel, geleid door Arnaud van Wesemale, erfmaarschalk van Brabant, kan in dit kader worden gezien als een politiek en symbolisch sluitstuk van deze ontwikkeling.
Deze tradities zijn niet rechtstreeks met schriftelijke bronnen te onderbouwen, maar leven voort in de lokale geschiedkundige herinnering. Ze bevatten veel historische onwaarheden.
In de Bredasche Courant verscheen in 1899 'Een oud gedicht'. Het gedicht was gebundeld door meneer Adriaen Havermans, van 1637 tot 1653 griffier van de stad Breda. Het werd in de krant gezet door archivaris J. F. Corstens die de oorsprong van het gedicht schatte op 1622-1625. In het gedicht wordt de Mark vereenzelvigd met de Markgod, voorgesteld met baard. Bij Gelmel staat in de kantlijn aangetekend: Hoogstraten.
In het werk Levens en legenden van heiligen (1893), De Denensage worden vier kroniekschrijvers besproken die elk, vanuit hun eigen tijd en invalshoek, melding maken van de Denensage.
De Denensage is een gedicht dat geen origineel is, maar een kopie uit de 15e eeuw dat werd bewaard in de kerk van Breda. Het gedicht functioneert als memoriaal narratief: poëtische geschiedschrijving. Deze overleveringen worden in de historiografie gezien als onderdeel van de bredere traditie rond de aanwezigheid van Vikingen en Denen in het Markgebied en de latere verdrijving van deze groepen in de 12e eeuw.
Vroegmoderne geschiedschrijvers hebben de oorsprong van Breda en Brunesheim in verband gebracht met een mogelijke Deense aanwezigheid in de vroege middeleeuwen. In zijn Historia Bredana (1640) stelt M. J. Boschorn(ius) dat, tegen de achtergrond van noordelijke volksverhuizingen, het niet uitgesloten is dat Denen zich in de regio vestigden en daar een versterking oprichtten. Hij benadrukt daarbij expliciet dat deze opvatting onzeker is en geen vaststaand historisch feit vormt.
Een bende Denen wordt op een rooftocht door Wesemalus overvallen en gedood. Hij laat zijn soldaten de wapenuitrusting der gedooden aantrekken en trekt naar de burchhof (Brunesheim) der Denen. Deze meenende, dat hunne makkers terugkeeren, openen de poorten, worden overvallen en gedood.
Gramaye vermeldt in zijn Antiquitates Bredanae dat na het jaar 1124 een verplaatsing van de residentie naar Brunesheim (ook Brunesham en Bruyneshaymes genoemd) plaatsvond. Deze gebeurtenis zou volgens een oud handschrift van de Kerk van Breda zijn vastgelegd en vergezeld zijn gegaan van een Latijns gedicht. In dit gedicht wordt verhaald hoe de dochter van de Deense koning, onderweg naar Engeland, tijdens een zeereis omkwam en hoe haar gevolg aan land kwam in het gebied van Breda. De passages worden in de historiografie beschouwd als onderdeel van de overlevering over Deense aanwezigheid en het latere verdwijnen daarvan uit de politieke orde van de streek.
Volgens de Chronyk van Breda (1664) van Jan van Vliet werd het kasteel van Breda in 1125 veroverd op de Denen door Arnold van Wesemael, erfmaarschalk van Brabant. Van Vliet baseert zich daarbij op oudere notities, waarin het gebeuren wordt samengevat met de Latijnse vermelding: “Anno milleno (1000) centeno (100) bis (2x) duodeno (12) castrum de Breda cum turri corruit, altare.” Deze datering komt overeen met het jaar 1124. Daarna werd de burcht overgeërfd van vader op zoon, van Hendrik van Brunesheim Tienen (1070-1125) op Gerard van Breda. Arnold was getrouwd met Adela van Aalst Marbais (1081-1121), vrouwe van Breda, Schoten en Groot-Zundert.
De meest uitvoerige beschrijving vinden we bij Th. E. van Goor, Beschrijving der stadt en lande van Breda ('s Gravenhage, 1744), pagina 13: Hendrik, de tweede heer van Breda, raakte in oorlog met de Denen of Noormannen, die, niettegenstaande zij sedert lange jaren door hun landgenoten uit hun wingewesten verdreven waren, echter het slot Brunesheim nog in handen hielden, om zijn land van dat roofzuchtige volk te ontlasten. Hij steunde daarbij voornamelijk op de gunst en bijstand van Godfried met den Baard, hertog van Lotharingen.
De heer van Wesemael, die hem op bevel van de hertog te hulp gekomen was, heeft een grote hoop van die Denen, die te Minderhout, in het land van Hoogstraten, bezig waren met plunderen en stropen, overvallen en allen doodgeslagen. De overwinnaars, de kleding der neergeslagenen aangetrokken hebbende, zijn in die gedaante naar Brunesheim getrokken en, door de wachters der plaats, die niet beter wisten of het waren hun medemakkers, binnengelaten zijnde, hebben zij de burcht overweldigd en deszelfs sterken en torens tot den grond toe afgebroken.
Bij van Goor wordt de sage als historisch feit voorgesteld wat hem door sommigen is aangewreven en zijn geloofwaardigheid naar beneden haalde. Toch kan nader onderzoek naar de beschreven personages nuttig zijn, ook al komen ze niet in dezelfde tijdsperiode voor: David I van Schotland (regeerperiode 1124-1153) zendt boden aan koning Magnus III van Noorwegen (regeerperiode 1093-1103). De regeerperiodes komen niet overeen, maar uit het verhaal blijkt dat de sage inhoudelijk meer met de levensloop van zijn zoon Sigurd I overeenkomt. Deze huwt namelijk in 1102 op zijn negen jaar met een vijfjarige Ierse prinses, ' Blathmin Ní Briain ', om een verbond te sluiten tussen beide vaders: koning Magnus en koning Muircheartach Ua Briain. Echter wordt kort daarna, in 1103, zijn vader koning Magnus vermoord in een raid terwijl hij koeien in de schepen aan het laden is als voedsel voor zijn leger. Het huwelijk wordt daarna eenzijdig ontbonden door Sigurd die haar afstoot. Daarna is er geen spoor meer van haar. De drie zonen van koning Magnus, Øystein I, Sigurd en Olaf Magnusson worden dan op zeer jonge leeftijd koning van Noorwegen. Historici zien de Gelmelsage meestal als een samengesteld verhaal waarin echte historische figuren in één narratief zijn samengebracht. Daardoor lijkt het alsof het om een historisch verslag gaat, terwijl het in werkelijkheid om een legende gaat. Er zijn concrete details naar plaats en tijd zoals de plaats Ripen in Denemarken waar het afscheidsfeest van de uitgehuwelijkte prinses doorgaat, maar in de Denensage gaat het over een Deense prinses die naar een Schotse koning/prins wordt gevoerd. In de Noorse sagen over koning Sigurd is het juist omgekeerd, gaat de prins van Noorwegen naar Ierland.
Een volgend punt is dat de Denen dertig jaar in de burcht van Breda verblijven voordat ze verdreven worden door de Brabantse 'bevrijders'. De dertig jaar komen overeen met het afkondigen van de kruistochten in 1194 en de bijhorende propaganda en het verjagen van de 'valse' kruisvaarders in Breda in 1124. (zie voor details de kroniek zelf bij 'Extra Links')

De tekst over de komst van het Heilig Kruis en de vermeende Deense aanwezigheid in Breda wordt door historici niet beschouwd als een gelijktijdig historisch verslag van de beschreven gebeurtenissen. Toch zitten er elementen in van de kruistocht van koning Sigurd. Deze bouwt enkele jaren na de dood van zijn vader zestig longships en hij vertrekt in 1107 in Bergen. Hij begint zijn kruistocht met een overwintering aan de kusten van het Noordzeekanaal. De kruistocht verloopt van de lente van 1108 tot 1111. Hij komt terug over land.
Koning Sigurd krijgt in Jeruzalem een splinter van het Heilig Kruis van Boudewijn, broer van Godfried van Bouillon. De Denenage wordt geïnterpreteerd als een stichtingslegende van Breda, maar bevat ook elementen die de omgeving van Breda overstijgen. In de analyse onderscheiden onderzoekers doorgaans drie verhaallagen: een Deense stichtingstraditie die de oorsprong van Breda verklaart, een religieuze laag rond het Heilig Kruis die de stichting een goddelijke legitimatie verleent, en een politieke laag waarin de verdrijving van de Denen door de hertog van Brabant de opname van Breda in het Hertogdom Brabant rechtvaardigt. Hoewel de figuur Gelmel in de Denensage zelf niet voorkomt, lijken motieven uit het Bredase oorsprongsverhaal zich stroomopwaarts langs de rivier de Mark te hebben verspreid. Daarbij werden bestaande verhaalelementen mogelijk lokaal (Ginhoven, Zondereigen, Hoogstraten) herwerkt en aangepast aan een nieuwe context. Ook in Schoten, dat historisch gelinkt is aan de heren van Breda, is er uitgebreide aandacht voor de Viking Gelmel, zoals een folkloregroep Gelmel (1968).
Deze opbouw vertoont overeenkomsten met andere middeleeuwse oorsprongsverhalen in de Lage Landen, zoals de Brabo-legende in Antwerpen en de hagiografische tradities van Gent en Leuven. In dergelijke verhalen worden religieuze motieven en politieke belangen met elkaar verbonden om de identiteit, het gezag en de territoriale positie van een stad te verklaren. De Bredase legende kan daarom worden gezien als onderdeel van een bredere middeleeuwse traditie van stedelijke identiteitsvorming en legitimering. De sage heeft een duidelijk politiek karakter: de christelijke Brabanders worden voorgesteld als de rechtmatige en goede verdedigers van het land, terwijl de heidense Denen als vijanden optreden die uiteindelijk worden verdreven. Op die manier legitimeert het verhaal het gezag van de heersers van Breda over het gebied.
In de sage wordt verteld dat de burcht Brunesheim in Breda van een Vikinghoofdman Bruno was: dit is historisch niet juist. In de historiografie wordt Hendrik van Brunesheim (ca. 1080 – ca. 1125) beschouwd als de stamvader van de heren van Breda. De heren van Breda en Schoten, waren van het Leuvense-Henegouwse huis. Hij wordt in 1116 vermeld als stichter van de Sint-Willibrorduskerk van Groot-Zundert. Zijn zoon Gerard van Breda (ca. 1100 – ca. 1150) was de eerste die de naam “van Breda” droeg en geldt als de eerste heer van Breda. Met hem werd de naam van de heerlijkheid blijvend verbonden aan het geslacht dat later zou uitgroeien tot een van de voornaamste adellijke families in het hertogdom Brabant. In de sage komen nog andere personen voor zoals Arnout Haghen als dienaar van de heer Hendrik. In Breda is er een Princenhage dat een apart leen was.
Jan I, hertog van Brabant, bericht dat er tussen Arnold van Leuven, heer van Breda, enerzijds, en Geeraard (Van Wesemaal) anderzijds, een geschil is geweest over de landen Ekeren en Loenhout, waarover nu vrede is gesloten, op boete van 2400 pond Leuvens. De hertog, als opperleenheer van deze heerlijkheden, belooft de uitspraak van zijn scheidsrechters te doen nakomen. Alzo zal hij Arnout, heer van Wesemaal, dwingen af te zien van zijn rechten op Ekeren en Loenhout; desnoods zal hij vrouw Beatrix voor de bisschop van Luik doen dagen tot teruggave van al de charters en privilegiën van die landen.
Ook de heer Arnold van Wezenmaal is een historisch correcte figuur, maar wordt in een verkeerde tijd geponeerd. Hij huwde met Beatrix van Breda, en wilde heer van Loenhout worden, maar werd tegengewerkt door de hertog van Brabant. Zijn zoon mocht na 1285 wel heer van Bergen op Zoom worden.
Of Gelmel echt een Vikingachtergrond had, of dat hij een gewone Brabantse leenman was met een eigen burcht in 1154, is niet geweten. Hij komt in elk geval niet voor in de Bredase Denensage.