De term limburgisme wordt op twee manieren gebruikt: binnen de historische taalkunde (waar het verwijst naar taalkenmerken in Oudnederlandse of Middelnederlandse teksten die typisch zijn voor het Limburgs) en voor de interferentie tussen dialect en standaardtaal die zich onder sommige sprekers van de Limburgse dialecten voordoen.
Limburgismen kunnen verschillende vormen aannemen. Het kan gaan om een grammaticaal element, de gebruikte woordenschat of om de gebruikte spelling. Voorbeeld van limburgismen op het gebied van spelling zijn onder andere te vinden in het Handschrift Borgloon, waar relatief vaak de spelling "u" en "ou" voor "oe" wordt gebruikt. Uit een vergelijking met het veertiende-eeuwse oorkondenmateriaal blijkt, hoewel "oe" de meest gangbare spelling is, dat de varianten met "u" en "ou" kenmerkend zijn voor teksten en schrijvers uit zuidelijk Limburg. Deze kenmerken helpen taalkundigen om teksten (of hun kopiisten) in een bepaald dialectgebied te plaatsen.
Onder andere het volgende wordt door Limburgssprekenden vaak toegepast in het Nederlands:[bron?]
Soms worden bepaalde eigenaardigheden van het Nederlands taalgebruik van Limburgstaligen onterecht als foutief en dus als limburgisme bestempeld. Een voorbeeld is het feit dat het woordgeslacht in het Limburgs duidelijker aanwezig is dan in de Nederlandse standaardtaal. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het feit dat het onbepaalde lidwoorden zich zowel richt naar mannelijke zelfstandige naamwoorden (ne maan, 'ne stool) als naar vrouwelijke (n vrouw, 'n taofel). Hierdoor zijn sprekers van het Limburgs sneller geneigd om naar traditioneel vrouwelijke woorden in het Nederlands verwijzen met "zij/haar" (bijvoorbeeld: "De poot van de tafel is gebroken. Haar poot is gebroken."; "De poot van de stoel is gebroken. Zijn poot is gebroken."), terwijl veel andere Nederlandstaligen die gevoeligheid tegenwoordig niet meer delen ("De poot van de tafel/stoel is gebroken. Z'n poot is gebroken."). Hoewel het eerste voorbeeld grammaticaal correcter is dan het tweede, wordt dat eerste voorbeeld toch door veel Nederlanders als onnatuurlijk aangevoeld.[bron?]