De lange studies werden in 1945 bekroond met de Belgische Prix de Rome die Quinet kreeg voor zijn cantate La Vague et le Sillon.
Als muziekpedagoog
Al op zijn 24ste gaf Quinet muziekles: eerst aan de muziekacademie van Binche, daarna aan deze van Etterbeek. In 1943 werd Quinet benoemd tot docent piano aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel. Daarbovenop werd hij in 1948 adjunct-docent harmonieleer en in 1959 docent fuga in Brussel.
In 1957 won Quinet de Tweede Prijs op de Koningin Elisabethwedstrijd voor compositie met Variations pour orchestre. Aan de wedstrijd namen 234 composities deel. Zijn naam als componist was meteen gemaakt. Hij schreef in 1964 het verplicht werk Piano Concerto n° 1 voor dezelfde wedstrijd voor piano die door Eugen Moguilevski werd gewonnen.
De composities van Quinet lijken in stijl op die van Paul Hindemith maar onderscheidt zich door zijn helderheid en de afwezigheid van lyrische uitbundigheid. In zijn vroegere werken is de invloed van zijn leermeester Jean Absil duidelijk merkbaar maar vanaf het begin van de jaren 1950 kreeg hij wel een meer individuele stijl.
Zijn compositie Three Orchestral Pieces uit 1951 doet denken aan Franse muziek met een orkestratie die verwant is aan deze van Béla Bartók. Quinet gebruikte vaak bestaande modellen zoals de passacaglia of oude dansvormen. Zijn Variations is opgebouwd als een baroksuite en zijn ballet La nef des fous als een symfonie met een vlug hoofdthema afgewisseld met trage, expressieve passages.
Gaandeweg verwijderde Quinet zich van de tonale muziek.
Oeuvre
Le mirliton d'Irène op. 11, 1944, vocaal kwartet a capella
Trois esquisses concertantes op. 12, 1946, viool en orkest/viool en piano
Croquis op. 13, 1946, piano
Sonate op. 13/bis, 1946, piano
Trois chants de la potence op. 14, 1947, vocaal kwartet a capella
Bourée op. 15, 1947, viool en piano
Trio à cordes n°1 op. 16, 1948, viool, altviool, cello
Quatre poèmes de Maurice Carême op. 17, 1948, vocaal kwartet a capella