| Jean Absil | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Jean Nicolas Joseph Absil | |||
| Geboortedatum | 23 oktober 1893 | |||
| Geboorteplaats | Bon-Secours | |||
| Overlijdensdatum | 2 februari 1974 | |||
| Overlijdensplaats | Ukkel | |||
| Land | ||||
| Opleiding en werk | ||||
| Opleiding gevolgd aan | Koninklijk Conservatorium Brussel | |||
| Beroep(en) | Componist, muziekpedagoog | |||
| Genre(s) | Klassiek | |||
| Instrument(en) | orgel | |||
| Act(s) | Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique | |||
| ||||
Jean Nicolas Joseph Absil (Bon-Secours bij Péruwelz, Henegouwen, 23 oktober 1893 — Ukkel bij Brussel, 2 februari 1974) was een Belgische componist en muziekprofessor.

Absils vader, François Absil, was koster van de basiliek in Bonsecours; in diezelfde bedevaartskerk werd de kleine Jean koorknaap. Op 17-jarige leeftijd kreeg hij lessen in notenleer van zijn vader. Korte tijd later leerde hij de bugel te bespelen. Zo wordt hij 3e bugel in de plaatselijke fanfare. Net zoals Paul Gilson was Absil daar steeds erg trots op.
Al vroeg was hij leerling van Alphonse Oeyen en aansluitend volgde hij cursussen aan de École Saint-Grégoire in Doornik. Later werd hij organist aan de bedevaartsbasiliek van Bonsecours. Vanaf 1913 studeerde hij aan het Brusselse conservatorium compositie bij Léon Dubois en Paul Gilson. Met zijn eerste symfonische pogingen trok hij naar Gilson; deze zei hem meteen: Jij hebt in een fanfare gespeeld, dat zie ik aan de partijen voor de koperblazers!.
Hij was een goede vriend van Darius Milhaud, Arthur Honegger, Jacques Ibert en Florent Schmitt.
Van 1922 tot 1958 was hij directeur van de Muziekacademie te Etterbeek, die vanaf 1963 zijn naam draagt. Aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel werd hij zelf (1931) aangesteld als professor. Verder werd hij benoemd tot leraar aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth. Hij was lid van de Koninklijke Academie van België (Academie Royale de Belgique). Voor zijn composities werd hij onder meer onderscheiden met de Prix de Rome voor zijn cantate La guerre (1922) en de Rubensprijs (1934). Op advies van P.O. Ferroud stichtte hij in 1935 samen met R. Chevreuille, A. Huybrechts, Marcel Poot, André Souris en nog andere componisten de groep La sirène ter uitvoering van eigentijdse werken, het Brusselse pendant van de Parijse groep Le Triton.
Absils werken waren vanaf het einde van de 30'er jaren regelmatig in de Société Internationale de Musique Contemporaine te horen; voor een bepaalde tijd was Absil voorzitter van de Belgische sectie van dit gezelschap.
| Voltooid in | titel | aktes | première | libretto |
|---|---|---|---|---|
| 1937 | Peau d'âne, opus 26 | 3 aktes | 1942, Rome | Henry Ghéon |
| 1939 | Ulysse et les sirènes, opus 41 | 1939, radio-opera | José Bruyr | |
| 1940 | Philatélie (Postzegelkunde), opus 46 | Thomas Braun | ||
| 1944 | Fansou ou Le chapeau chinois, opus 64 | 1 akte | 1947, Brussel | Maurice Franc-Nohain |
| 1950 | Pierre Breughel l'Ancien, opus 73 | radio-opera | René Lyr | |
| 1951 | Les voix de la mer (De stem van de zee), opus 75 | 3 aktes | 26 maart 1954, Brussel | René Lyr |
| Voltooid in | titel | aktes | première | libretto | choreografie |
|---|---|---|---|---|---|
| 1949 | Le miracle de Pan, opus 71 | 1 akte | 1952, Brussel | René Lyr | |
| 1950 | Epouvantail, opus 74 | 1 akte | 1951, Brussel | Etienne De Sadeleer | |
| 1951 | Les météores, opus 77 | 1 akte | 1952, Monte Carlo | René Lyr | |
| 1956 | Le Bal chez Madame de X | 1957, Brussel | |||
| 1966 | Petites polyphonies, opus 128 |