| Maria Landini | ||||
|---|---|---|---|---|
Vermelding van Landini in het manuscript van "Alba Cornelia" (1714) | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Ook bekend als | Mariuccia La Landini La Contini Maria Landini-Conti | |||
| Geboortedatum | circa 1660-1670 | |||
| Geboorteplaats | Hamburg | |||
| Overlijdensdatum | 22 juni 1722 | |||
| Overlijdensplaats | onbekend | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | operazanger, zanger | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stijl(en) | opera oratorium | |||
| Zangstem | sopraan | |||
| ||||
Maria Landini (Hamburg, circa 1660/1670 - 22 juni 1722) was een Italiaanse sopraan. Haar zangcarrière speelde zich tot 1713 af in Italië en Hannover; daarna werkte zij als prima donna aan het hof te Wenen.
Landini zou de dochter zijn van markies Orazio del Monte, het hoofd van de hofhouding van Christina van Zweden in het Palazzo Corsini te Rome. Haar moeder zou daar werkzaam zijn als hofdame. Hierdoor verbleven ook Maria en haar zussen aan het hof. De jonge Maria werd door koningin Christina gestimuleerd om te zingen en ze genoot aan het muzikale hof een goede training. Ze deed hoogstwaarschijnlijk ook mee aan de muziekuitvoeringen die de koningin organiseerde.
Nadat koningin Christina in 1689 was overleden ging Maria Landini naar het hof van prinses Sophia te Hannover. Ze ontmoette hier de Fransman Châteauneuf, in het Italiaans ook wel 'Mallo di Castelnovo' genoemd. De twee trouwden met elkaar en kregen uiteindelijk drie kinderen: Ferdinando, Francesca en Caterina.
In Hannover trad Landini op met onder anderen Remolini en Antonio Borosini en ze zong mee in diverse opera's van Agostino Steffani. In 1696 keerde ze weer terug naar Italië.
Na haar verblijf in Hannover reisde Landini langs meerdere Italiaanse steden. Zo trad zij in op in het Venetiaanse theater San Giovanni Grisostomo. Twee jaar later was ze in Mantua, waar ze zong in Giovanni Battista Bononcini's opera Il Trionfo di Camilla regina de Volsci.
In 1703 zong Landini in het Teatro Nuovo te Casale in de opera Gli equivoci nel sembiante van Antonio Caldara. Deze opera werd opgevoerd voor Ferdinando Carlo, de hertog van Mantua.
In 1709 trad ze in Bologna op in de opera L'inimico generoso, eveneens geschreven door Caldara.
In 1712 was Landini opnieuw in Venetië. Hier werkte ze mee aan de productie van Merope van Francesco Gasparini.
Tijdens haar rondreis door Italië maakte ze ook een uitstapje naar Wenen. Op 1 oktober 1710 zong Landini daar in de opera La decima fatica d'Ercole van Johann Joseph Fux. Mogelijk leerde ze hier ook Francesco Conti kennen, die als theorbist aan het hof werkzaam was.
In 1713 kwam Landini vast in dienst bij het Weense hof. Ze maakte daar in 1714 haar debuut in de opera Alba Cornelia van Francesco Conti. In augustus van dat jaar was zij als prima donna te horen met de hoofdrol in I Satiri in Arcadia, eveneens door Conti gecomponeerd.
Inmiddels was Landini's echtgenoot Castelnovo overleden. Ze had van hem een groot vermogen geërfd, waaronder woningen in Wenen en Hieteldorf. In oktober 1714 traden Landini en Conti met elkaar in het huwelijk. Ook voor Conti was dit zijn tweede huwelijk.
Tijdens het carnaval van 1715 zong Landini in de opera Ciro. In de komende jaren kreeg ze elke hoofdrol in de opera's van zowel haar echtgenoot als van Johann Fux. Daarnaast trad ze ook op tijdens andere muziekevenementen en zong zij in oratoria.
Tijdens het carnaval van 1721 zong Landini in Conti's opera Alessandro in Sidone. Dit zou haar laatste optreden worden, want ze werd kort hierna ernstig ziek. Op 30 mei van dat jaar maakte zij haar testament op, waarin ze aangaf dat ze begraven wilde worden in de Schottenkirche, naast haar eerste echtgenoot.
In mei 1722 wilde Landini samen met haar man naar Padua reizen. De reden van deze reis is niet duidelijk en het is ook onbekend of ze inderdaad in Padua is geweest. In ieder geval overleed zij in juni.
De rol van prima donna aan het Weense hof werd tijdelijk waargenomen door haar concurrente Regina Schoonjans, die al sinds 1714 aan het hof werkzaam was. In 1725 werd de sopraan Maria Anna Lorenzani aangenomen als prima donna. In april van dat jaar trad Lorenzani ook nog eens in het huwelijk met weduwnaar Conti.
Landini ontving als prima donna in Wenen een ruim salaris van 4000 florijnen per jaar. Dat was meer dan haar man, die als hofcomponist genoegen moest nemen met 2880 florijnen. Daarnaast beschikte Landini ook nog over de erfenis van haar eerste echtgenoot. Dit alles maakte het voor Landini en Conti mogelijk een luxueus leven te leiden.
In haar testament had Landini haar bezittingen verdeeld. Verschillende familieleden werden in dit testament genoemd: haar dochter Francesca (gehuwd met Signor Pilastrina), haar zoon Ferdinand (kapitein van de grenadiers te Mantua) en haar dochter Caterina. Ook was er sprake van een zoon Ignazio. Verder vermeldde ze haar echtgenoot Francesco Conti en haar schoonzus Caterin Angela. Haar eigen zus Christine Landini kreeg ook een deel van de bezittingen toegekend.
Naast haar familieleden kreeg ook haar trouwe bediende Francesca Autelli een deel van de erfenis.