Mariana Franko

Mariana Franko (Sint Eustatius, 28 juli 1718 – 9 september 1795) was een vrije zwarte vrouw die midden 18e eeuw op Curaçao leefde. Zij werd daar in 1760 wegens diefstal en heling veroordeeld tot verbanning en verbeurdverklaring van al haar bezittingen. Zij kwam in 1764 naar Nederland om deze veroordeling bij de Staten-Generaal aan te vechten en eerherstel te verkrijgen. Na verscheidene procedures is ze hier in 1772 in geslaagd. In 1779 werd haar een schadevergoeding toegekend van 2000 gulden plus een jaarlijks pensioen van 500 gulden.

Biografie

Handgeschreven doopboek uit het begin van de achttiende eeuw. Het papier is vergeeld en aan de randen beschadigd en gerestaureerd. Op de pagina staat een linksboven een korte introductie geschreven door predikant Anthony Kowan. Daaronder staan drie dopen ingeschreven en op de rechterpagina nog vier dopen.
Doopboek van Sint Eustatius 1709-1740 met rechtsboven de doopakte van Marjana Franko uit augustus 1725

Mariana Franko wordt in achttiende-eeuwse documenten omschreven als een vrije zwarte vrouw. Zij werd op 18 juli 1718 in slavernij geboren op Sint Eustatius en is op een gegeven moment vrijgelaten (gemanumitteerd). In augustus 1725, toen ze zeven jaar oud was, werd ze gedoopt als lidmaat van de gereformeerde kerk. Dit was ongebruikelijk voor de maatschappelijke verhoudingen op Curaçao van die tijd; lidmaatschap van dit kerkgenootschap was bijna uitsluitend voorbehouden aan mensen van Europese afkomst. In het doopregister staan de namen van haar ouders vermeld: Christina en Franko. Haar peetmoeder was Margarita Lindesay, een vrouw uit een vooraanstaande familie op Sint Eustatius. Zij nam Mariana mee naar Curaçao.

Franko kon lezen en schrijven en was economisch redelijk welvarend. Zij was een tijd eigenaar van een huis in Otrobanda en bezat zelf vijf slaafgemaakten. In 1752 ging ze werken op de plantage Sorgvlied (ook wel Zorgvliet) op Curaçao; zij voerde de administratie en hield toezicht op de kinderen. Op Sorgvlied woonde ze samen met Pedro Anthonij, een slaafgemaakte die als voorman een leidinggevende functie had op de plantage.

Beschuldiging en verbanning

In 1758 beschuldigde de eigenaresse van de plantage, de weduwe Lamont, Franko's levensgezel Pedro Anthonij van diefstal. Franko werd zelf aangezien als medeplichtige; men verdacht haar ervan de gestolen goederen te hebben verborgen of verscheept. Anthonij werd gemarteld en bekende in eerste instantie de diefstal maar trok zijn bekentenis later weer in. Franko werd in Willemstad gevangen gezet en verhoord. Zij bleef consequent elke betrokkenheid ontkennen, ook toen ze onder zware druk werd gezet om te bekennen. Anthonij werd veroordeeld tot openbare geseling en verbanning. Dit laatste betekende dat hij in een niet-Nederlandse kolonie zou worden verkocht.

Franko zat twee jaar gevangen. Concreet bewijs tegen haar ontbrak en de procedure verliep traag en onzorgvuldig. Verzoekschriften die zij indiende kwamen niet bij de juiste personen aan en de autoriteiten negeerden een ontlastende verklaring door de blanke opzichter van Sorgvlied. Een brief aan een voormalige minnaar, Mozes Levij Maduro (‘Sjoor Mosa Maduro’), kwam in het archief van het gouvernementssecretariaat terecht. In 1760 werd ze veroordeeld tot levenslange verbanning. Haar bezittingen, waaronder haar slaven, werden verbeurd verklaard en verkocht. Ook haar vrijbrief (het bewijs van haar status als vrij burger) werd in beslag genomen. De opbrengst van de verkoop van haar bezittingen ging naar de fiscaal (vergelijkbaar met een officier van justitie) en de eigenaresse van de plantage.

Verblijf in Nederland en beroepsprocedures

Deel van een handgescheven verzoekschrift aan de Staten-Generaal. Waarschijnlijk geschreven voor Marjana's advocaat Sebastian Thierry de Bye. Zij ondertekende zelf met haar naam Marjana Frank.
Handtekening van Marjana Franko onder een verzoek aan de Staten-Generaal

Franko werd verbannen naar Jamaica en wist vanaf daar via Engeland naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te reizen. In Amsterdam meldde ze zich bij het hoofdkantoor van de West-Indische Compagnie. Het lukte haar om haar zaak te laten voorleggen aan de Staten-Generaal, waar men niet onder de indruk was van de manier waarop de procedure op Curaçao was gevoerd. In 1767 werd besloten tot revisie van het vonnis; in 1772 werd het vonnis van de raad van Curaçao vernietigd. Franko wenste echter ook eerherstel, teruggave van haar eigendom en haar vrijbrief, en schadevergoeding. Zij kreeg een schadevergoeding van tweeduizend gulden en een pensioen van vijfhonderd gulden per jaar toegekend. Het duurde nog vijf jaar voordat het gouvernement van Curaçao de vergoeding voor de verbeurd verklaarde eigendommen uitbetaalde. De schuldeisers van Franko in Nederland lieten hierop direct beslagleggen.

Het is niet bekend of Mariana Franko ooit naar Curaçao is teruggekeerd. Uit een stuk in het Stadsarchief Amsterdam blijkt dat haar schuldeisers wel dachten dat zij eind 1779 weer op Curaçao woonde. Uit stukken in het Gemeentearchief Den Haag blijkt echter dat Franko op 9 september 1795 in Den Haag is overleden. Ze werd begraven op het Noorderkerkhof dat in de negentiende eeuw is geruimd. De stukken betreffende haar zaak bevinden zich in het Nationaal Archief in Den Haag.

Externe bron