Mariaverschijning

Het Pauselijk gekroond devotiebeeld van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima.

Mariaverschijningen zijn gemelde bovennatuurlijke verschijningen van Maria, die in de christelijke religie beschouwd wordt als de moeder van Jezus. De personen die melden een Mariaverschijning ervaren te hebben beschrijven het eerder als een externe manifestatie, dan als een visioen of een interne, spirituele ervaring. In de loop van de geschiedenis zijn zowel Mariaverschijningen als visioenen in verband gebracht met religieuze boodschappen, devotionele praktijken en pelgrimstradities. Ook verschijningen van Jezus Christus zelf en van andere religieuze figuren komen voor.

De meeste meldingen over Mariaverschijningen vinden plaats in een rooms-katholieke, oosters-orthodoxe of oriëntaals-orthodoxe context. Voor 16 november 1851 werd geen enkele verschijning door de katholieke kerk als authentiek erkend.

Canonieke erkennning

Een verschijning wordt pas officieel erkend na een grondig onderzoek door de diocesane rechtbank, dat uit verschillende fasen bestaat. Dit onderzoeksproces kan aanzienlijke tijd in beslag nemen en vereist een substantiële inzet van de diocesane administratie, die belast is met het verzamelen van getuigenissen, het verhoren van betrokkenen en het opstellen van de nodige rapportage. Pas nadat het onderzoek op diocesaan niveau is afgerond, kan het dossier worden voorgelegd aan de bevoegde instanties van de Romeinse Curie, waar eventueel een verdere beoordeling op hoger kerkelijk niveau plaatsvindt.

Diocesaan niveau

Volgens het canonieke recht kan een vermeende Mariaverschijning slechts als bovennatuurlijk worden erkend na een diocesaan onderzoek, waarbij de bevoegde bisschop een positieve beoordeling uitspreekt. De uiteindelijke erkenning van dergelijke verschijningen gebeurt doorgaans op het niveau van het plaatselijke episcopaat. De officiële erkenning van mariaverschijningen door de kerkelijke overheid vond vaak plaats vanuit pastorale overwegingen, waarbij plaatselijke bisschoppen aansluiting zochten bij een reeds bestaande en wijdverspreide volksdevotie. Deze erkenning volgde in veel gevallen pas geruime tijd na de vermeende verschijningsgebeurtenissen, met name wanneer de betreffende locatie zich inmiddels had ontwikkeld tot een belangrijk bedevaartsoord. In sommige gevallen verliep tussen de verschijning en de officiële erkenning een uitzonderlijk lange periode: Le Laus werd pas na bijna vier eeuwen erkend, Tepeyac na meer dan twee eeuwen, Champion na ongeveer anderhalve eeuw en Gietrzwałd na ruim een eeuw.

Universeel niveau

Hoewel de Heilige Stoel in sommige gevallen bij het onderzoek wordt betrokken, heeft slechts een beperkt aantal verschijningsclaims expliciete pauselijke goedkeuring ontvangen. Een bekend voorbeeld is de verschijning van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe in Mexico. Ondanks de buitengewone betekenis van deze devotie, die Guadalupe heeft doen uitgroeien tot het meest bezochte mariale bedevaartsoord ter wereld, heeft de verschijning formeel nooit meer dan een pastorale goedkeuring van de Kerk ontvangen.

De erkenning van de bovennatuurlijke aard van verschijningen in Amsterdam, gedaan door de bisschop van Haarlem, werd in 2020 tenietgedaan, nadat de Congregatie van de Geloofsleer opnieuw op zijn veroordeling van 1974 had gewezen.

ontwikkeling bedevaartsoord

In het merendeel van de gerapporteerde mariaverschijningen manifesteert Maria zich volgens de overlevering op een specifieke locatie aan één individu of aan een beperkte groep getuigen. Deze personen ontvangen doorgaans een boodschap, opdracht of profetische mededeling die aan de verschijning wordt toegeschreven.

In sommige gevallen gaan dergelijke verschijningen gepaard met buitengewone natuurverschijnselen of andere als bovennatuurlijk geïnterpreteerde gebeurtenissen, die door grotere groepen aanwezigen worden waargenomen en door gelovigen vaak als bevestiging van het miraculeuze karakter van de verschijning worden beschouwd.

De verschijningen van Zeitoun, boven een Koptisch-Orthodoxe kerk in Egypte, vormen een opmerkelijke uitzondering, aangezien deze volgens verschillende bronnen door honderdduizenden mensen zouden zijn waargenomen.

Mariaverschijningen nemen een belangrijke plaats in binnen de volksdevotie en maken deel uit van de katholieke en orthodoxe geloofstradities. Plaatsen die met dergelijke verschijningen in verband worden gebracht, ontwikkelen zich niet zelden tot internationaal bekende bedevaartsoorden, zoals Guadalupe (Mexico), La Salette, Lourdes, Fátima, Banneux en Medjugorje.

Anno 2019 had de Katholieke Kerk vijftien door de plaatselijke bisschop erkende bovennatuurlijke Mariaverschijningen in zekere mate eveneens erkend. De goedkeuring betreffende de eerste onder de hierna opgesomde gevallen, die betreffende Onze-Lieve-Vrouw van Guadelupe in Mexico, was niet meer dan een in 1754 door de paus gegeven pastorale goedkeuring, zonder formele erkenning van de verschijningen die in 1531 zouden hebben plaatsgevonden. De overige 'erkenningen' dateren allemaal van de 19e, 20e en 21e eeuw.

Rang Plaats Land Data van verschijning Waarnemer Datum van erkenning
1 Tepeyac Mexico 12 december 1531 Juan Diego Cuauhtlatoatzin 24 april 1754, pastorale goedkeuring door paus Benedictus XIV, zonder erkenning
2 Le Laus Frankrijk mei 1664 1718 Benoîte Rencurel 4 mei 2008, erkenning door bisschop di Falco.
3 Rome Italië 20 januari 1842 Alphonse Ratisbonne 13 juni 1842, erkenning, niet van de verschijning, maar van de miraculeuze bekering van Ratisbonne, door kardinaal Patrizi, vicaris van het bisdom Rome.
4 La Salette-Fallavaux Frankrijk 19 september 1846 Maximin Giraud en Mélanie Calvat 19 september 1851, erkenning door Mgr de Buillard, bisschop van Grenoble.
5 Lourdes Frankrijk 11 februari 185816 juli 1858 Bernadette Soubirous 18 januari 1862, aprobatie door Mgr. Laurence, bisschop van Tarbes.
6 Champion (Wisconsin) Verenigde Staten oktober 1859 Adèle Brise 8 december 2010, positieve appreciatie door Mgr Ricken, bisschop van Green Bay.
7 Pontmain Frankrijk 17 januari 1871 Eugène en Joseph Barbedette, Françoise Richer, Jeanne-Marie Lebosse 2 februari 1872, positieve appreciatie door Mgr Wicart en 16 april 1920 door Mgr Grellier, bisschoppen van Laval
8 Gietrzwald Polen 27 juni 187716 september 1877 Justyna Szafrynska en Barbara Samulowska 25 juli 1977, positieve appreciatie voor de verering door Mgr Wojtowki, bisschop van Warnia
9 Fátima Portugal 13 mei 191713 oktober 1917 Lúcia dos Santos, Francisco Marto en Jacinta Marto 13 oktober 1930, positieve appreciatie door Mgr Correia da Silva, bisschop van Leiria.
10 Beauraing België 29 november 19323 januari 1933 Fernande, Gilberte en Albert Voisin, Andrée en Gilberte Degeimbre 2 juli 1949, positieve appreciatie door Mgr Charue, bisschop van Namen
11 Banneux België 15 januari 19332 maart 1933 Mariette Beco 22 augustus 1949, positieve appreciatie door Mgr Kerkhofs, bisschop van Luik
12 Betania Venezuela 25 maart 19765 januari 1990 Maria Esperanza Medrano de Bianchini 21 november 1987, positieve apprecatie door Mgr Bello Ricardo, bisschop van Los Teques.
13 Akita Japan 6 juli 197315 september 1981 Agnes Sasagawa 22 april 1984, positieve appreciatie (voor onverklaarbare feiten omtrent het beeld van Maria, niet voor de verschijningen) door Mgr Johannes Shoojiroo, bisschop van Niigata
14 Kibeho Rwanda 28 november 198128 november 1989 Alphonsine Mumureke, Nathalie Mukamazimpaka, Marie-Claire Mukangango 29 juni 2001, positieve appreciatie door Mgr Misago, bisschop van Gikongoro
15 San Nicolás de los Arroyos Argentinië 25 september 198311 september 1991 Gladys Quiroga de Motta 22 mei 2016, positieve appreciatie door Mgr Cardelli, bisschop van San Nicolas de los Arroyos.

Beoordeling in de Katholieke Kerk

Algemeen

De Rooms-Katholieke Kerk hecht geen groot belang aan verschijningen, om een aantal redenen.

Situering

Private verschijningen zijn hiërarchisch helemaal onderaan de bronnen van het depositum fidei te situeren. Dit is de graad van theologische zekerheid van een geloofspunt. Deze zijn in dalende volgorde van belang:

Criteria

Het overgrote deel van de verschijningen wereldwijd is niet van bovennatuurlijke oorsprong. Slechts een klein aantal verschijningen worden als zodanig wel aanvaard door de Kerk. Om dit belangrijk onderscheid te kunnen herkennen heeft de Kerk een aantal vaststaande criteria, op basis waarvan de verschijning wordt beoordeeld.

De actuele uitwerking hiervan bestaat in het document van de Congregatie voor de Geloofsleer uit 1978, getiteld Normen van de congregatie om het verder zetten van het beoordelen van vermeende verschijningen en openbaringen.

Een vermeende verschijning kan onderzocht worden door ofwel de lokale bisschop van de plaats waar de vermeende verschijning plaatsvond, ofwel de nationale bisschoppenconferentie waartoe het lokale bisdom behoort, ofwel de Heilige Stoel. Deze autoriteiten hebben echter geen verplichting om een vermeende verschijning te onderzoeken, zelfs indien dit gevraagd wordt.

De overgrote meerderheid van de vermeende verschijningen wordt, om een veelheid aan redenen, nooit onderzocht. Een minderheid wordt wel onderzocht. In dat geval verloopt een (volledige) erkenningsprocedure in twee fasen.

Eerste fase

In een eerste fase wordt een voorafgaandelijk onderzoek gevoerd met betrekking tot de feiten van de vermeende verschijning. Aan een aantal positieve én negatieve criteria moet cumulatief worden voldaan, opdat de tweede fase kan worden aangevat. De criteria zijn technische begrippen, opgenomen in het document, en zijn:

  • positieve criteria:
    • morele zekerheid omtrent het plaatsvinden van de verschijning
    • onderzoek naar de persoon die de verschijning heeft ondergaan
    • onderzoek naar de inhoudelijke aspecten van de boodschap betreffende de verschijning
    • onderzoek naar de spirituele vruchten van de verschijning
  • negatieve criteria:
    • grove fouten met betrekking tot de feiten
    • doctrinaire problemen met betrekking tot de inhoud van de boodschap
    • afwezigheid van financieel gewin
    • afwezigheid van zwaar immoreel gedrag van de persoon die de verschijning heeft ondergaan
    • afwezigheid van psychiatrisch contentieux

Indien er cumulatief aan al deze criteria werd voldaan wordt een voorlopig besluit gevat dat stelt dat, momenteel en tot nader order, er geen elementen voorhanden zijn die de vermeende bovennatuurlijke verschijning aantonen, bewijzen of doen vermoeden, maar er evenmin elementen zijn die een eventuele bovennatuurlijke verschijning uitsluiten. Er is gerede twijfel omtrent het wel of niet bestaan van een bovennatuurlijke oorsprong. Het zou kunnen, maar het zou evengoed niet kunnen. Deze status wordt non constat de supernaturalite genoemd. Een verder onderzoek kan, maar moet niet, worden gevoerd door de autoriteiten om zekerheid te krijgen omtrent het bovennatuurlijk karakter van de vermeende verschijning. Slechts een klein deel van de onderzochte verschijningen behoort tot deze categorie.

Indien er cumulatief aan al deze criteria niet werd voldaan wordt de vermeende verschijning afgekeurd, ofwel formeel door middel van het vaststellen van de status constat de non supernaturalite op een plechtige wijze, ofwel informeel door het stopzetten van elk verder onderzoek door de onderzoekende autoriteit. Dat wil zeggen dat er elementen aanwezig zijn die de bovennatuurlijke oorsprong onherroepelijk uitsluiten. Het overgrote deel van alle onderzochte verschijningen behoort tot deze categorie.

Beroep tegen dergelijke beslissingen kan altijd worden ingesteld. Maar de autoriteit in kwestie is niet verplicht hierop in te gaan.

Tweede fase

In een tweede fase kan op basis van het voorlopig onderzoek - afgesloten met de status van non constat supernaturalite - een gedetailleerd onderzoek gedaan worden. Dit kan gebeuren door de lokale bisschop, nationale bisschoppenconferentie of de Heilige Stoel. De criteria worden uitgebreid en zijn door de jaren heen steeds strenger geworden, zodat slechts een zeer klein aantal onderzochte verschijningen wordt voorzien van de status van onweerlegbare bovennatuurlijkheid. Verschijningen worden geacht zeer uitzonderlijke gebeurtenissen te zijn. Indien onomstotelijk zou blijken dat er sprake is van een bovennatuurlijk ingrijpen, kan de status constat de supernaturalite worden vastgesteld door de autoriteiten. Maar deze vaststelling is enkel mogelijk als de Heilige Stoel, direct of indirect, zijn goedkeuring heeft verleend.

Beroep tegen dergelijke beslissing kan altijd worden ingesteld. Maar de autoriteit in kwestie is niet verplicht hierop in te gaan.

Richtlijnen van 17 mei 2024

Op 17 mei 2024 vaardigde het Dicasterie voor de Geloofsleer aangepaste richtlijnen uit betreffende verschijningen, in aanvulling van de richtlijnen van 1978. De sceptische en afwijzende houding van de katholieke Kerk tegenover verschijningen werd hierin bevestigd. Voor de beoordeling van gemelde verschijningen of andere bovennatuurlijke fenomenen, werd een gradatie in zes categorieën vooropgesteld.

De meest gunstige is de zesde categorie, die nochtans geen erkenning van de verschijning of het fenomeen inhoudt, maar alleen een "nihil obstat" verleent voor het toelaten van verering, omdat er aanwijzingen zijn dat de H. Geest in een bepaald geval werkzaam is geweest. De vijf andere categorieën houden veel sceptische beoordelingen in, tot en met de laagste categorie die zonder meer een afwijzing of zelfs een veroordeling inhoudt.

Het zijn de plaatselijke bisschoppen die tot de opname in een van de vooropgestelde categorieën beslissen, met nochtans een uiteindelijke beslissing die toebehoort aan het Vaticaan.

Bibliografie

Zie ook