
Martin Opitz von Boberfeld (Bunzlau, Silezië, 23 december 1597 – Danzig, 20 augustus 1639) was een Duitse diplomaat en dichter uit de Barok.
Opitz werd door zijn landgenoten als de grootste dichter aller tijden gezien en maakte er geen geheim van dat hij zich voor zijn dichtkunst van buitenlandse voorbeelden bediende, namelijk van de Fransman Pierre Ronsard en de Nederlander Daniël Heinsius.
“Anderzijds beschrijft Maarten Luther wel de betekenis van het calvinisme voor de culturele en literaire ontwikkelingen, waarbij de dichter en diplomaat Martin Opitz (1597-1639) als een prima voorbeeld daarvan wordt voorgesteld,” aldus cultuurhistoricus Klaus Garber. Opitz diende onder andere als rolmodel voor de Kürbishütte, de groep Koningsberger dichters rond Simon Dach. In 1638 was Opitz in Koningsbergen bij hen te gast.
Hij stierf in 1639 aan de pest. Hij ligt begraven in de Mariakerk in Gdańsk.

Opitz schreef onder andere zijn Teutsche Poëmata uit 1624 en het Buch von der deutschen poeterey. In dit boek beschrijft Opitz de regels voor alle genres waaraan literatuur volgens zijn opvatting zou moeten voldoen. Dat werd als richtsnoer voor de Duitse dichtkunst gebruikt.
Dat heeft wel tot gevolg gehad dat de literatuur uit de Barok een nogal starre indruk op ons maakt. Daarnaast spelen in de literatuur bepaalde stijlelementen een belangrijke rol:
In Teutsche Poëmata (de titel is ontleend aan Heinsius' Nederduytsche Poëmata) noemt Opitz Heinsius ‘der Niederländische Apollo’ en spreekt van diens ‘ubernatürliche Geschickligkeit’.