| Mary Church Terrell | ||
|---|---|---|
Portret van Mary Church Terrell | ||
| Algemene informatie | ||
| Volledige naam | Mary "Mollie" Eliza Church Terrell | |
| Geboortenaam | Mary Church | |
| Geboren | 23 september 1863 Memphis, Tennessee | |
| Overleden | 24 juli 1954 Annapolis, Maryland | |
| Nationaliteit | ||
| Beroep | schrijver, mensenrechtenverdediger, vrouwenrechtenactivist, politicus, kiesrechtactivist, lezinggever, clubwoman, spreker, leerkracht | |
| Bekend van | Amerikaanse Burgerrechtenbeweging | |
| Familie | ||
| Partner | Robert Heberton Terrell (18 oktober 1891; 20 december 1925) | |
| Vader | Robert Reed Church | |
| Kinderen | Phyllis Terrell | |
Mary "Mollie" Eliza Church Terrell (geboren als Mary Church (Memphis, Tennessee 23 september 1863 – Annapolis, Maryland 24 juli 1954) was een Amerikaanse burgerrechtenactiviste, suffragette, journaliste, lerares en een van de eerste Afro-Amerikaanse vrouwen die een universitaire graad behaalde. Ze gaf les op de afdeling Latijn van de M Street School in Washington D.C. (nu bekend als Paul Laurence Dunbar High School). Deze school was de eerste openbare middelbare school voor Afro-Amerikanen in de Verenigde Staten.
In 1895 was ze de eerste Afro-Amerikaanse vrouw in de Verenigde Staten die werd benoemd tot lid van de schoolraad van een grote stad, waar ze tot 1906 in het District of Columbia werkzaam was.
Terrell was een van de oprichters van de National Association for the Advancement of Colored People (1909) en de Colored Women's League of Washington (1892). Ze hielp bij de oprichting van de National Association of Colored Women (1896) en was de eerste nationale voorzitter ervan. Ook was ze een van de oprichters van de National Association of College Women (1923). Ze was een baanbrekende Afro-Amerikaanse burgerrechtenactiviste, onderwijzeres en voorvechtster van vrouwenkiesrecht, die haar hele leven streed voor raciale en gendergelijkheid.
Terrell pleitte ook voor verandering toen ze zich aansloot bij Ida B. Wells-Barnett in een campagne tegen lynchen en toen ze samen met de National Women's Party bij het Witte Huis demonstreerde voor vrouwenrechten.
Mary Church werd op 23 september 1863 geboren in Memphis, Tennessee, als dochter van Robert Reed Church en Louisa Ayres, beiden vrijgelaten slaven van gemengde afkomst (Roberts vader en grootvader van moederskant en Louisa's vader waren van Europese afkomst). Na de Burgeroorlog opende Terrell een winkel in pruiken en haarextensies, wat het gezin financiële zekerheid gaf. Robert opende een saloon. Toen hij vanwege zijn ras geen vergunning kreeg, klaagde hij de staat Tennessee met succes aan wegens schending van de Civil Rights Act van 1866. Na het bloedbad van Memphis in 1866 en de gele koorts-epidemie van 1878 kocht hij onroerend goed rond Beale Street in Memphis, Tennessee en werd hij een van de eerste zwarte miljonairs in het zuiden van de Verenigde Staten en een invloedrijk lid van de Republikeinse Partij. Te midden van nationale tegenspoed in de die tijd werd de familie Terrell onderdeel van een opkomende bovenklasse in de Verenigde Staten.
Mary Churchs ouders scheidden in 1874 en haar moeder verhuisde van Memphis naar New York City. Mary en haar jongere broer Thomas bleven na de scheiding bij hun moeder wonen. Op 18 oktober 1891 trouwde ze in Memphis met Robert Heberton Terrell, een advocaat die de eerste zwarte rechter bij de gemeentelijke rechtbank in Washington D.C. werd. Ze kregen in 1898 een dochter, Phyllis Terrell, vernoemd naar de dichteres Phillis Wheatley. Terrell adopteerde later nog een dochter, Mary.

Mary Church begon haar carrière in het onderwijs in 1885. Ze doceerde moderne talen aan de Wilberforce Universiteit. Na twee jaar lesgeven in Ohio verhuisde ze naar Washington D.C. om les te geven in Latijn aan de M Street High School.
In 1888 nam ze verlof om twee jaar lang door Europa te reizen en te studeren. In Italië, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland leerde ze vloeiend Frans, Duits en Italiaans. In 1881 bood het Oberlin College haar een functie aan als directeur van het Bureau Studentenzaken (Registrar's office in het Engels), waarmee ze de eerste Afro-Amerikaanse vrouw in die functie zou zijn geweest, maar ze sloeg het aanbod af. Toen ze in 1891 met Robert “Berto” Heberton Terrell trouwde, moest ze ontslag nemen bij de M Street School, waar ook haar man lesgaf. In 1895 werd ze door het schoolbestuur van Washington D.C. benoemd tot hoofdinspecteur – de eerste vrouw die deze functie bekleedde. Bij haar terugkeer naar de Verenigde Staten verlegde Church haar aandacht van lesgeven naar sociaal activisme, waarbij ze zich vooral richtte op de emancipatie van Afro-Amerikaanse vrouwen. Ze schreef ook veel, waaronder een autobiografie, en haar werk werd in verschillende tijdschriften gepubliceerd.
Terrells autobiografie, A Colored Woman in a White World (1940), beschrijft haar persoonlijke ervaringen met racisme. Terrell begon met schrijven in 1925 en publiceerde het boek vijftien jaar later, op 78-jarige leeftijd, in eigen beheer.
Zwarte vrouwenclubs en de National Association of Colored Women
In 1892 sloot Terrell zich aan bij verschillende vooraanstaande Afro-Amerikaanse vrouwen, waaronder Ida B. Wells-Barnett en Anna J. Cooper, om de Colored Women's League op te richten in Washington, D.C. De organisatie had als doel om sociale vooruitgang, eenheid en het welzijn van Afro-Amerikanen te bevorderen. De League richtte onderwijsprogramma's op zoals trainingslessen en kleuterscholen voor zwarte kinderen voordat deze programma's werden opgenomen in het openbare schoolsysteem van Washington, D.C. Terrells leiderschap en het succes van deze initiatieven droegen bij aan haar benoeming tot lid van de District of Columbia Board of Education in 1895, waarmee ze de eerste Afro-Amerikaanse vrouw werd die in die raad zitting had. Ze bekleedde deze functie tot 1906.
Strijden voor het kiesrecht voor zwarte vrouwen
Terrell was ook diep betrokken bij de vrouwenkiesrechtbeweging. Tijdens haar studie aan Oberlin College raakte ze geïnteresseerd in vrouwenrechten en nam later deel aan de National American Woman Suffrage Association (NAWSA). Via deze organisatie ontwikkelde ze nauwe relaties met vooraanstaande vrouwenkiesrechtactivisten zoals Susan B. Anthony en Elizabeth Cady Stanton. Terrell was actief bij acties voor het invoeren van het negentiende amendement op de Amerikaanse grondwet waarin onder meer het vrouwenkiesrecht werd vastgelegd. Toen de Eerste Wereldoorlog ten einde liep, sloten Terrell en haar dochter Phyllis zich aan bij Alice Paul en Lucy Burns van de National Women's Party om bij het Witte Huis te demonstreren voor het stemrecht voor vrouwen. Ze nam deel aan de stemrechtparade van 1913 (de Woman Suffrage Procession), georganiseerd door Alice Paul, waarmee ze hielp pogingen om zwarte vrouwen binnen de mars te segregeren tegen te gaan.
Terrell gebruikte haar positie om openlijk te spreken over de uitdagingen waarmee Afro-Amerikaanse vrouwen te maken hebben, die discriminatie ervaren op basis van zowel ras als geslacht. In 1898 hield ze een toespraak getiteld "The Progress of Colored Women", waarin ze de "dubbele last" benadrukte waarmee zwarte vrouwen werden geconfronteerd en de kiesrechtbeweging opriep hun strijd te steunen. Hoewel veel Afro-Amerikaanse vrouwen het vrouwenkiesrecht steunden, werden zij vaak uitgesloten van leiderschapsposities binnen grote organisaties zoals NAWSA. Desondanks bleef Terrell pleiten voor raciale en gendergelijkheid, en hield zij toespraken over eenheid, raciale rechtvaardigheid en de ervaringen van zwarte Amerikanen in Washington, D.C.
Integratie

Haar activisme strekte zich uit tot in de twintigste eeuw via organisaties zoals de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP), waarvan ze medeoprichter was. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ondersteunde ze zwarte militairen via de NAACP. Later in haar leven bleef ze zich inzetten voor het afbreken van rassenscheiding. In de late jaren veertig en vroege jaren vijftig vocht ze tegen discriminatie binnen de American Association of University Women en hielp ze mee aan het leiden van een campagne om restaurants in Washington D.C. te desegregeren. Door boycots, stakingsposten en juridische stappen slaagde de beweging toen de rechtbanken in 1953 oordeelden dat gesegregeerde eetgelegenheden in de stad ongrondwettelijk waren.
In 1949 betraden Terrell en haar collega's Clark F. King, Essie Thompson en Arthur F. Elmer het gesegregeerde Thompson Restaurant. Toen het restaurant weigerde hen te serveren, spanden ze een rechtszaak aan. Advocaat Ringgold Hart, die Thompson vertegenwoordigde, betoogde op 1 april 1950 dat de wetten van het district ongrondwettelijk waren en won later de zaak tegen rassenscheiding in restaurants. In de drie jaar dat er werd gewacht op een uitspraak in de zaak District of Columbia v. John R. Thompson Co., richtte Terrell zich op andere restaurants. Uiteindelijk oordeelde de rechtbank op 8 juni 1953 dat gesegregeerde eetgelegenheden in Washington, DC, ongrondwettelijk waren.
Tot in haar tachtiger jaren bleef Terrell actief in protesten tegen segregatie. Ze heeft de baanbrekende uitspraak van het Hooggerechtshof meegemaakt die een einde maakte aan segregatie op openbare scholen. Terrell overleed in 1954 op 90-jarige leeftijd en liet een blijvende erfenis achter als pionier van zowel de burgerrechtenbeweging als de strijd voor vrouwengelijkheid.
Schrijfster en journalist
Naast haar activisme had Terrell een belangrijke carrière als schrijver en journalist. Onder het pseudoniem Euphemia Kirk publiceerde ze artikelen in zowel zwarte als witte kranten, waarin ze de Afro-Amerikaanse vrouwenclubbeweging promootte en pleitte voor burgerrechten. Ze schreef voor tal van publicaties, waaronder de Chicago Defender, de New York Age en de Washington Post.
Terrell werkte nauw samen met invloedrijke burgerrechtenleiders zoals Frederick Douglass en Booker T. Washington. Douglass moedigde haar aan haar activisme voort te zetten, zelfs na haar huwelijk, omdat hij het belang van haar talenten erkende. Terrell nam ook deel aan internationale initiatieven en sprak op het Internationaal Vrouwencongres in Berlijn in 1904, waar ze toespraken in meerdere talen hield.