Mathias Joseph Wolters (Roermond, 17 maart 1793 - Gent, 21 april 1859) was een Belgische ingenieur, architect en edelman.
Mathias Wolters was een zoon van Jean-Chrétien Wolters en van Marie-Joséphine Schonken. Hij trouwde in 1829 in Sas van Gent met Rosalie Verschaffel (1803-1865). Ze hadden drie kinderen.
In de tijd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werkte Wolters onder meer aan de versterkingen van de stad Maastricht en aan het graven van het kanaal Gent-Terneuzen.
Einde 1830 opteerde hij voor België en werd hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen voor de provincie Oost-Vlaanderen.
Hij werd aangesteld tot gevolmachtigd commissaris namens de koning in de Commissie die de Nederlands-Belgische Conventie (het Scheldetractaat) regelde die op 20 mei 1843 in Gent werd afgesloten, met betrekking tot de waterhuishouding in de provincies Oost- en West-Vlaanderen en de buurprovincies in Nederland.
Op 1 januari 1847 werd hij door koning Leopold I opgenomen in de Belgische erfelijke adel.
Hij besteedde zijn vrije tijd aan historische opzoekingen (vooral over gemeenten en oude abdijen in Nederlands Limburg), die hij publiceerde:
Ook schreef hij in zijn functie bij Bruggen en Wegen een aantal technische werken:
De lijst van zijn werken is te vinden in de Bibliographie nationale.