| Maurice Emmanuel | ||||
|---|---|---|---|---|
Maurice Emmanuel in 1920 | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Marie François Maurice Emmanuel | |||
| Geboren | 2 mei 1862 | |||
| Overleden | 14 december 1938 | |||
| Land | ||||
| Opleiding en beroep | ||||
| Opleiding gevolgd aan | Conservatoire national supérieur de musique et de danse de Paris (1880), École du Louvre | |||
| Leermeester(s) | Léo Delibes, Ernest Guiraud, Théodore Dubois, Louis-Albert Bourgault-Ducoudray, François-Auguste Gevaert | |||
| Beroep(en) | Componist, muziekhistoricus | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stijl(en) | opera, symfonie | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Archieflocatie | Departementsarchief van Yvelines | |||
| Prijzen en erkenningen | Ridder in het Legioen van Eer | |||
| Links | ||||
| Website | ||||
| (en) Allmusic-profiel | ||||
| (en) Discogs-profiel | ||||
| (en) MusicBrainz-profiel | ||||
| ||||
Marie François Maurice Emmanuel (Bar-sur-Aube, 2 mei 1862 - Parijs, 14 december 1938) was een Frans componist van klassieke muziek en musicoloog.
Hij kreeg aan het Conservatoire de Paris les van onder meer Théodore Dubois (harmonieleer), Louis-Albert Bourgault-Ducoudray (muziekgeschiedenis) en Léo Delibes (compositie). Zijn theorieën over modaliteit, die hij later in zijn composities zou verwerken, vielen niet in goede aarde bij Delibes, die hem belette mee te dingen naar de Prix de Rome. Daarom stapte hij over naar de lessen van Ernest Guiraud, waardoor hij Claude Debussy goed leerde kennen, die ook aan het Conservatoire studeerde.
Emmanuel studeerde ondertussen ook aan de Sorbonne, waar hij in 1886 afstudeerde in de letteren. In 1896 verdedigde hij er zijn doctoraatsthesis over l'Orchestique grecque en l'éducation du danseur grec.
Hij was een aantal jaren leraar geschiedenis aan een meisjesschool en van 1904 tot 1907 was hij kapelmeester van de Basilique Sainte-Clotide, waar Charles Tournemire de organist-titularis was.
Van 1909 tot 1936 was hij, als opvolger van Bourgault-Ducoudray, docent in de muziekgeschiedenis aan het Conservatoire. Tot zijn studenten behoorden Olivier Messiaen, Henri Dutilleux, Georges Migot, Yvonne Lefébure en Robert Casadesus.
Emmanuel werkte mee aan de door Camille Saint-Saëns, Charles Bordes en Vincent d'Indy tot stand gebrachte kritische uitgave van de werken van Jean-Philippe Rameau. Hij voerde de muziekwetenschappelijke redactie over de laatste twee delen XVII en XVIII.
Als componist behoorde Emmanuel niet tot een groep of stroming, maar ging hij zijn eigen weg. Wel was hij, net als Paul Dukas en Jean Roger-Ducasse, een Franse componist vol zelftwijfel die een groot deel van zijn compositorisch oeuvre vernietigde. Hij publiceerde een vrij bescheiden oeuvre met een verfijnde, transparante expressie, dat weinig bekend werd. Het omvat pianowerken waaronder zes sonatines, vocale muziek en kamermuziek. Er bestaan weinig opnamen van zijn muziek, maar de cellosonate op. 2, het strijkkwartet op. 8 en het trio op. 11 hebben de aandacht getrokken.
Tot zijn orkestrale muziek behoren een Ouverture pour un conte gai (1890) en twee symfonieën (nr. 1, opgedragen aan Gabriel Pierné in 1919 en nr. 2 "Bretonne" in 1931). Een derde symfonie, waaraan hij in 1938 bezig was, bleef onvoltooid. Zijn laatste werk, het symfonisch gedicht Le poème du Rhône (1938), werd georkestreerd door Marguerite Béclard d'Harcourt, die bij hem gestudeerd had.
Voor muziektheater schreef hij onder meer Pierrot-peintre (1886), pantomime op een libretto van Félix Régamey, en twee tragische opera's naar Aeschylus: Prométhée enchaîné (1916-18) naar Prometheus geboeid en Salamine, naar Perzen en opgevoerd in de Parijse Opéra in 1929.


Emmanuel schreef onder meer: