| May Sinclair | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Pseudoniem(en) | May Sinclair | |||
| Geboortedatum | 24 augustus 1863 | |||
| Geboorteplaats | Rock Ferry | |||
| Overlijdensdatum | 14 november 1946 | |||
| Overlijdensplaats | Aylesbury | |||
| Werken | ||||
| Genre(s) | Dagboeken | |||
| Bekende werken | Life and Death of Harriett Frean | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Lid van | Munro Ambulance Corps | |||
| Archieflocatie | Bibliotheek van de universiteit van Pennsylvania | |||
| Links | ||||
| (en) IMDb-profiel | ||||
| ||||
May Sinclair, pseudoniem van Mary Amelia St. Clair (Rock Ferry, Cheshire, 24 augustus 1863 – Aylesbury, 14 november 1946) was een Britse schrijfster en suffragette die ongeveer twee dozijn romans, korte verhalen en gedichten schreef. Ze was tevens een actieve voorvechtster van vrouwenkiesrecht en lid van de Women Writers' Suffrage League. Ze heeft zich ooit verkleed als een ingetogen, rebelse Jane Austen voor een evenement ter ondersteuning van de vrouwenkiesrechtbeweging.
Haar moeder, Amelia Sinclair, was streng en religieus. Haar vader, William Sinclair, was een scheepseigenaar uit Liverpool die failliet ging toen Sinclair zeven jaar oud was en vervolgens alcoholist werd. Haar ouders gingen uit elkaar. Sinclair bleef bij haar moeder, verhuisde regelmatig en was afhankelijk van de hulp van familieleden. Sinclair ging op haar achttiende naar het Cheltenham Ladies' College. Haar moeder haalde haar daar na een jaar weer weg omdat ze voor haar broers moest zorgen; vier oudere broers leden aan een dodelijke aangeboren hartafwijking.

Vanaf 1896 schreef Sinclair professioneel om in haar eigen levensonderhoud en dat van haar moeder te voorzien, die in 1901 overleed. Als actieve feministe behandelde Sinclair een aantal thema's die verband hielden met de positie van vrouwen en het huwelijk. Haar werken verkochten goed in de Verenigde Staten. Sylvia Pankhurst herinnerde zich Sinclairs activiteiten voor het vrouwenkiesrecht. In 1912 publiceerde de Women Writers' Suffrage League haar ideeën over feminisme. Hier ontkrachtte ze theorieën van Sir Almroth Wright die stelden dat de suffragettes gedreven werden door seksuele frustratie vanwege het tekort aan mannen. Ze zei dat het vrouwenkiesrecht en de klassenstrijd vergelijkbare aspiraties waren en dat de werkende vrouw niet in concurrentie moest treden met de ambities van de mannelijke arbeidersklasse.
Rond 1913 was zij een van de oprichters en supporters van de Medico-Psychological Clinic in Londen, die werd geleid door Dr. Jessie Murray. Sinclair raakte geïnteresseerd in het psychoanalytische gedachtegoed en verwerkte in haar romans onderwerpen die verband hielden met de leer van Sigmund Freud.
In 1914 meldde ze zich vrijwillig aan bij het Munro Ambulance Corps onder leiding van Hector Munro, een van de directeurs van de Medico-Psychologische Clinic in Londen (waartoe ook Lady Dorothie Feilding, Elsie Knocker en Mairi Chisholm behoorden) die gewonde Belgische soldaten aan het Westfront in Vlaanderen bijstond. Enkele gedichten, haar roman The Belfry en haar oorlogsdagboek Journal of Impressions in Belgium beschrijven haar ervaringen als vrijwillige verpleegster bij een Engelse veldambulancegroep achter de frontlijn in België, waarbij ze eerst actief was vanuit Gent. Ze werd slechts enkele weken nabij de frontlijn ingezet. De gebeurtenissen maakten zo’n enorme indruk op haar, dat ze er ettelijke keren over schreef. Eerst in de gedichten Field Ambulance in Retreat (gedateerd oktober 1914) en Dedication (To a Field Ambulance in Flanders); dat laatste werd in 1914 opgenomen in Hall Caines King Albert’s Book: A Tribute to the Belgian King and People from Representative Men and Women throughout the World. Het gedicht (Danger) verwoordde haar aanvankelijke enthousiasme voor de oorlog en voor de aantrekkingskracht van het gevaar. Maar al snel doordrong de alomvattende tragiek en het grote verlies dat de oorlog teweegbracht haar verzen: “Your names are strung with the names of ruined and immortal cities.” Hetzelfde gedicht opende later ook haar Belgisch oorlogsdagboek.
Sinclairs beschrijvingen van stervende soldaten in het Flandria-hospitaal en van de aanzwellende stroom gevluchte Vlamingen die in het Feestpaleis moesten worden opgevangen, zijn omvangrijk en gedetailleerd. Haar grote empathische vermogen evolueerde van shock over medelijden tot toenemende gevoelloosheid en gelatenheid; en uiteindelijk tot de verzuchting: “There are no words for it, because there are no ideas for it.”
Ze beschreef ook de overhaaste evacuatie van het Rode Kruis met gewonde Britse soldaten uit de Sint-Pietersabdij en het Flandriahotel richting Oostende in het tweede weekend van oktober 1914, toen de Duitsers na de val van Antwerpen snel oprukten naar Gent. Maar ook hierbij had ze vooral aandacht voor wie achterbleef: Belgische vluchtelingen, hotelpersoneel, opgegeven soldaten. In een ander gedicht After the Retreat, geschreven na de val van Antwerpen, herinnerde Sinclair zich de terugtrekking van de troepen door België, voorbij haar “dear city of Ghent”. Ook in haar na WO I genoteerde herinneringen bleef ze expliciet naar Gent verlangen.
Haar roman The Combined Maze uit 1913, het verhaal van een Londense klerk en de twee vrouwen van wie hij houdt, werd door critici, waaronder George Orwell, zeer geprezen, terwijl Agatha Christie het beschouwde als "een van de beste romans die ooit geschreven zijn".
Ze schreef vroege kritieken op het Imagisme en de dichter HD (1915 in The Egoist); ze onderhield destijds contacten met Hilda Doolittle (HD), Richard Aldington en Ezra Pound. Ze recenseerde de poëzie van T.S. Eliot (1917 in de Little Review) en de fictie van Dorothy Richardson (1918 in The Egoist) in een positief licht. Er zijn aanwijzingen dat bepaalde aspecten van Sinclairs latere romans beïnvloed werden door modernistische technieken, met name in de autobiografische roman Mary Olivier: A Life (1919).
Sinclair was een belangrijk criticus op het gebied van modernistische poëzie en proza, en aan haar wordt toegeschreven dat zij als eerste de term 'stream of consciousness' in een literaire context gebruikte, toen ze de eerste delen van Dorothy Richardsons romanserie Pilgrimage (1915-1967) recenseerde in The Egoist, april 1918. Ze is bekend om haar romans Leven en dood van Harriett Frean (1922) en Arnold Waterlow: een leven (1924).
Ze werd opgenomen in de Contact Collection of Contemporary Writers uit 1925.

Sinclair schreef twee bundels met bovennatuurlijke verhalen, Uncanny Stories (1923) en The Intercessor and Other Stories (1931). EF Bleiler noemde Sinclair "een onderschatte schrijver" en beschreef Uncanny Stories als "uitstekend". Gary Crawford heeft gezegd dat Sinclairs bijdrage aan het genre van de bovennatuurlijke fictie "hoe klein ook, toch opmerkelijk is". Jacques Barzun nam Sinclair op in een lijst van schrijvers van bovennatuurlijke fictie die ‘men zeker eens zou moeten opzoeken’. Brian Stableford heeft verklaard dat Sinclairs "bovennatuurlijke verhalen met een ongewone fijngevoeligheid en precisie zijn geschreven, en dat ze tot de meest effectieve voorbeelden van hun vluchtige soort behoren". Andrew Smith heeft Uncanny Stories omschreven als "een belangrijke bijdrage aan het spookverhaal".
De Amerikaanse criticus Dorothy Parker berispte Sinclair omdat ze boeken produceerde “met één hand achter haar rug gebonden en een beboterde crumpet in de andere.”
Vanaf eind jaren twintig vertoonde ze de eerste tekenen van de ziekte van Parkinson en stopte ze met schrijven. Ze vestigde zich in 1932 met een partner in Buckinghamshire. Ze overleed op 14 november 1946. Ze is begraven op het kerkhof van St John-at-Hampstead in Londen.
Sinclair schreef ook non-fictie gebaseerd op studies van de filosofie, met name het idealisme. In haar boek A Defence of Idealism (1917) verdedigde ze een vorm van idealistisch monisme.
Sinclair was geïnteresseerd in parapsychologie en spiritualisme; ze was vanaf 1914 lid van de Society for Psychical Research.
Referenties