Messierobject

De 110 Messierobjecten; het nummer is de som van rij en kolom (rij 30, kolom 1 is M31).

|thumb|Moderne foto's van de 110 objecten, Messier 1 tot en met Messier 110, 2015.]]

Bladzijden twee en drie van de Messiercatalogus in de Connoissance des Temps voor 1784, p. 228-229.

De Messierobjecten zijn een groep van 110 astronomische objecten die werden gecatalogiseerd door Charles Messier in zijn Catalogue des nébuleuses et des amas d'étoiles (Catalogus van nevels en sterhopen), waarvan de eerste versie in 1774 werd gepubliceerd. De reden om de catalogus te maken was dat Messier een kometenjager was en regelmatig objecten vond die op kometen leken, maar er geen waren. Om deze verwarring te voorkomen heeft hij een lijst van al deze objecten opgesteld. De catalogus bevat sterrenstelsels, sterrenhopen en nevels, en is nog altijd een veelgebruikte waarneemlijst voor amateurastronomen.

Geschiedenis

Messiers eerste lijst bevatte 45 (ongenummerde) objecten van M1 tot M45. Een tweede lijst die hij in 1780 publiceerde telde 68 objecten. Zijn definitieve lijst, met 103 objecten, verscheen in het jaar daarop (1781).

Een groot deel van de latere objecten is te danken aan Pierre Méchain, die met Messier samenwerkte. Tussen juni 1779 en april 1782 vond hij dertig nevels en sterrenhopen, waarvan hij er 26 als eerste ontdekte. Hij gaf zijn waarnemingen vrijwel direct door aan Messier, die de posities meestal controleerde en de objecten aan zijn lijst toevoegde. Méchains laatste twee bijdragen, M102 en M103, werden zonder controle en zonder positie in de editie van 1781 opgenomen. Vier latere vondsten haalden die editie niet; Méchain beschreef ze in 1783 in een brief aan Jean Bernoulli, redacteur van het Berliner Astronomisches Jahrbuch.

Op basis van ongepubliceerde aantekeningen van Messier en Méchain hebben latere sterrenkundigen nog zeven objecten aan Messiers catalogus toegevoegd. In 1921 voegde Camille Flammarion M104 toe. M105, M106 en M107 werden in 1947 toegevoegd door Helen Sawyer Hogg en M108 en M109 werden in 1953 toegevoegd door Owen Gingerich. M110 werd ten slotte in 1967 door Kenneth Glyn Jones toegevoegd. De Messierlijst bereikte pas in de twintigste eeuw zijn huidige status van 110 objecten.

Soorten objecten

Messier noemde zijn lijst een catalogus van nevels en sterhopen. Dat veel van zijn "nevels" sterrenstelsels buiten de Melkweg zijn, was in zijn tijd nog niet bekend. Volgens de indeling van SEDS, waarin M102 als NGC 5866 wordt geteld, bevat de huidige lijst 40 sterrenstelsels, 29 bolvormige sterrenhopen, 26 open sterrenhopen, 7 nevels rond jonge sterrenhopen, 4 planetaire nevels en één supernovarest (M1). Daarnaast staan er drie objecten in die geen nevel, sterrenhoop of sterrenstelsel zijn: de stervlek M24 in de Melkweg, de dubbelster M40 en het groepje van vier sterren M73, een asterisme.

Omdat Messier vanuit Parijs waarnam, liggen alle objecten ten noorden van ongeveer −35° declinatie. Heldere objecten aan de zuidelijke hemel, zoals de Magelhaense wolken, ontbreken daardoor. Ook heldere noordelijke objecten die niet op een komeet lijken, nam Messier gewoonlijk niet op. Een uitzondering zijn de Orionnevel (M42 en M43), Praesepe (M44) en de Pleiaden (M45), die hij in één nacht, op 4 maart 1769, opmat. Volgens Gingerich wilde hij zo zijn eerste lijst op 45 objecten brengen; een mogelijke verklaring, die niet vaststaat, is dat hij de 42 objecten in de catalogus van Nicolas-Louis de Lacaille uit 1755 wilde overtreffen.

Ontbrekende objecten

M102 is een speciaal geval. De ontdekker, Méchain, verklaarde in 1783 dat het object een dubbele vermelding was van M101, het Windmolenstelsel. Messier noteerde later echter zelf een positie voor M102, en die positie en de beschrijving in de catalogus wijzen eerder op het sterrenstelsel NGC 5866. Welk object met M102 bedoeld is, staat niet vast.

Ook enkele andere nummers waren lange tijd onvindbaar. Bij M47, M48 en M91 maakte Messier een fout bij het verwerken van zijn metingen, waardoor de opgegeven positie niet klopte. De bedoelde objecten werden pas in de twintigste eeuw achterhaald: M48 in 1934, M47 in 1959 en M91 in 1969. M40 was wel juist beschreven, maar werd pas in 1966 herkend als de dubbelster Winnecke 4.

Gebruik

Messierobjecten worden nog steeds genoemd bij hun nummer. Zo is M31 de Andromedanevel. Vrijwel alle objecten zijn met een kleine telescoop te zien. Eind maart, rond nieuwe maan, is het vanaf lage noordelijke breedten mogelijk ze in één nacht allemaal waar te nemen; een poging daartoe heet een Messiermarathon.

Zie ook

Verder lezen

Boeken

Websites

Zie de categorie Messier Catalog van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.