Modellenrecht

Het tekeningen- en modellenrecht behandelt de bescherming van tekeningen en modellen van het nieuwe uiterlijk van een gebruiksvoorwerp. Tekeningen en modellen worden in de Benelux beschermd door het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE). Dit verdrag is in 2007 in de plaats gekomen van de Benelux Tekeningen en Modellen Wet (BTMW). In de Europese Unie worden modellen beschermd op grond van Verordening (EU) 2026/715 betreffende Uniemodellen. Uniemodellen gelden in de gehele Europese Unie en daarmee ook in de Benelux. Een modellenrecht is vijf jaar geldig en kan maximaal viermaal worden verlengd. De maximale bescherming is dus 25 jaar.

In andere landen geldt vaak een soortgelijke bescherming. Zo kent de Verenigde Staten het 'design patent'. Een tekening vertoont een bepaald tweedimensionaal uiterlijk dat wordt beschermd en een model een driedimensionaal product.

Vereisten voor bescherming volgens het BVIE en de Uniemodellenverordening

Formele eisen voor bescherming

Benelux

Bescherming in de Benelux kan alleen worden verkregen door formele registratie. Een tekening of modelrecht wordt verkregen voor vijf jaar en kan vervolgens vier keer met vijf jaar worden verlengd tot maximaal 25 jaar.

Het BBIE toetst het depot alleen op formele eisen en of de afbeeldingen op orde zijn. De toetsing ziet niet toe op de nieuwheid en het eigen karakter. Ingeschreven modellen die niet aan de wettelijke eisen voldoen kunnen dus weliswaar worden ingeschreven, maar kunnen door een derde via de rechter weer nietig worden verklaard.

Als rechthebbende wordt geacht diegene die het mode heeft vastgelegd. De feitelijke ontwerper heeft de mogelijkheid om binnen vijf jaar na het model op te eisen.

Europese Unie

Binnen de Europese Unie bestaan twee vormen van modelbescherming: het ingeschreven Uniemodel en het niet-ingeschreven Uniemodel. Voor beide vormen gelden onder meer de vereisten van nieuwheid en eigen karakter. De wijze waarop de bescherming ontstaat, de beschermingsduur en de rechten van de houder verschillen echter.

Ingeschreven Uniemodel

Een ingeschreven Uniemodel ontstaat door registratie bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO). Bij de behandeling van een aanvraag controleert het EUIPO onder meer de formele vereisten en of het aangevraagde voorwerp als model kan gelden en niet in strijd is met de openbare orde of goede zeden. Het EUIPO onderzoekt bij de registratie niet of het model nieuw is en een eigen karakter heeft.

Een ingeschreven Uniemodel wordt aanvankelijk voor vijf jaar beschermd, gerekend vanaf de datum van indiening van de aanvraag. De registratie kan telkens met vijf jaar worden verlengd tot een maximale beschermingsduur van 25 jaar.

Niet-ingeschreven Uniemodel

Een niet-ingeschreven Uniemodel kan zonder registratie ontstaan wanneer een model dat aan de wettelijke beschermingsvoorwaarden voldoet voor het eerst binnen de Europese Unie aan het publiek beschikbaar wordt gesteld. De bescherming duurt drie jaar vanaf die eerste beschikbaarstelling en kan niet worden verlengd.

De bescherming van een niet-ingeschreven Uniemodel is beperkter dan die van een ingeschreven Uniemodel. De houder kan zich alleen verzetten tegen gebruik dat voortvloeit uit het namaken van het beschermde model. Wanneer een vergelijkbaar model onafhankelijk is ontwikkeld door een ontwerper van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze het eerdere model niet kende, is volgens de verordening geen sprake van namaak.

Omdat bij een niet-ingeschreven Uniemodel geen registratiebewijs bestaat, is de bewijspositie van de rechthebbende van bijzonder belang. Bij een beroep op het recht moet onder meer kunnen worden onderbouwd welk model bescherming geniet, wanneer het voor het eerst aan het publiek beschikbaar is gesteld en dat het aangevochten gebruik uit namaak voortvloeit.

Inbreuk op het tekeningen- en modellenrecht

Voor een Uniemodel omvat de beschermingsomvang ieder model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. Bij de beoordeling van de beschermingsomvang wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.

Voor een niet-ingeschreven Uniemodel geldt daarnaast een bijzondere beperking. De houder kan zich alleen tegen het gebruik van een ander model verzetten wanneer dat gebruik voortvloeit uit het namaken van het beschermde model. Van namaak is volgens de verordening geen sprake wanneer het aangevochten gebruik voortvloeit uit onafhankelijk scheppend werk door een ontwerper van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze het eerdere model niet kende.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in Gautzsch/Duna geoordeeld dat de houder van een niet-ingeschreven model in beginsel moet bewijzen dat het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van het beschermde model. De wederpartij moet op haar beurt aantonen dat het gebruik het resultaat is van een onafhankelijk scheppingsproces. Wanneer toepassing van nationale bewijsregels het uitoefenen van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken, moeten die regels zo worden toegepast dat de doeltreffendheid van het Unierecht behouden blijft.

Voor namaak is geen exacte één-op-éénkopie vereist. De Hoge Raad bevestigde dit in 2016 in het Basil-arrest. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip namaak niet is beperkt tot een identieke kopie; beslissend is onder meer of het aangevallen model is ontleend aan het beschermde model en binnen de beschermingsomvang daarvan valt.

Samenloop met het auteursrecht

Modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming kunnen naast elkaar bestaan. Een model dat als Uniemodel wordt beschermd, kan vanaf het moment waarop het is gemaakt of in enige vorm is vastgelegd ook voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, mits aan de voorwaarden van het auteursrecht is voldaan.

De voorwaarden voor beide vormen van bescherming verschillen. Voor modelrechtelijke bescherming staan onder meer nieuwheid en eigen karakter centraal. Voor auteursrechtelijke bescherming moet het voorwerp oorspronkelijk zijn in die zin dat het de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door diens vrije en creatieve keuzes.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigde in 2025 in de gevoegde zaken Mio en Konektra dat voor gebruiksvoorwerpen en andere werken van toegepaste kunst geen strengere auteursrechtelijke originaliteitseis geldt dan voor andere soorten werken. Er bestaat volgens het Hof geen verhouding van regel en uitzondering tussen modelrechtelijke en auteursrechtelijke bescherming. De creatieve keuzes die auteursrechtelijke bescherming rechtvaardigen, moeten wel in het voorwerp zelf tot uitdrukking komen en kunnen niet zonder meer worden verondersteld.

Ook de beoordeling van inbreuk verschilt. Voor auteursrechtelijke inbreuk moet worden vastgesteld dat oorspronkelijke creatieve elementen van het beschermde werk herkenbaar zijn overgenomen. De enkele omstandigheid dat twee voorwerpen dezelfde algemene indruk wekken, is daarvoor niet beslissend; dat criterium behoort tot het modellenrecht.

Oude tekeningen en modellen

Tekeningen en modellen van vóór 1 januari 1975 (de datum van inwerkingtreding van de Benelux Tekeningen en Modellenwet) houden de bescherming in een land, die ze vóór die datum hebben verkregen (art. 25 BTMW). Vóór 1975 was men aangewezen op de Auteurswet en op de vorderingen op grond van onrechtmatige daad (art. 1401 BW (oud), nu art. 6:162 BW).