| Monsieur Jacques | ||||
|---|---|---|---|---|
Het afgietsel aan de Coolsingel in Rotterdam | ||||
| Kunstenaar | Oswald Wenckebach | |||
| Jaar | 1956 | |||
| Materiaal | brons | |||
| Locatie | Expo 58 | |||
| Adres | Coolsingel 123, 3012 AG Rotterdam | |||
| Coördinaten | 51° 55′ NB, 4° 29′ OL | |||
| Hoogte | 183 cm | |||
| ||||
Monsieur Jacques, ook wel Meneer Jacques, is een bronzen beeld van de Nederlandse beeldhouwer Oswald Wenckebach (1895–1962) uit 1956. Afgietsels ervan staan bij de ingang van het Kröller-Müller Museum in Otterlo en sinds 1959 aan de Coolsingel in Rotterdam. Het levensgrote beeld stelt geen bestaand persoon voor, maar verbeeldt een zelfvoldane burgerman: de borst vooruit, de neus omhoog en de hoed en handschoenen met beide handen op de rug. Het geldt als het bekendste werk van Wenckebach.
De figuur is sterk gestileerd en vrijwel zonder detaillering uitgevoerd. Dat de man een overjas draagt, blijkt vooral uit het silhouet; de armen lijken met het lichaam te zijn vergroeid. Het model van de jas is slechts summier aangeduid met enkele verdiepte lijnen en verhoogde vlakken, die de plaats van revers en zakken markeren. Ook broek en schoenen zijn op vergelijkbare wijze vereenvoudigd: waar de broek in de voet overgaat, is in het midden gelaten.
Toen het beeld in de jaren vijftig werd onthuld, herkenden veel Nederlanders er het stereotype van de Nederlandse burgerman in. Het werd ook wel gezien als het prototype van de Rotterdammer. De Tijd noemde het in 1968 het "minder officiële visitekaartje" van de stad, een nuchter en gemoedelijk tegenbeeld van Zadkines aangrijpende De verwoeste stad. De krant bestreed echter die typering: het beeld had in elke andere stad kunnen staan en stelde eenvoudigweg een niet meer zo jonge, wat burgerlijke heer uit de gegoede middenstand voor.
Monsieur Jacques komt voort uit een reeks van acht kleine beeldjes die Wenckebach vanaf 1953 maakte en waarin steeds dezelfde figuur in een andere houding en met een uitvergrote karaktertrek voorkomt, zoals De kritische Jacques en Jacques met zorgen. De reeks kleine beelden bevindt zich in brons in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen, dat als gietdatum 1964 vermeldt. Het grote beeld is een vergrote uitvoering van Jacques als tentoonstellingsbezoeker en volgens het Kröller-Müller Museum het laatste werk uit de reeks.

Volgens zijn weduwe was Wenckebach tijdens een vakantie in Zuid-Frankrijk wat "aan het kleien", zoals hij het zelf noemde, en maakte hij daar als grapje een luierend mannetje dat van de zon genoot. Bij het zien van het resultaat stelde hij vast dat het op de dichter Jacques Bloem leek; zo kwam het beeldje aan de naam Meneer Jacques. Dit liggende beeldje, met een pet op en de handen onder het hoofd, gold volgens de zoon van de kunstenaar als de "oer-Jacques". Toen het beeld in 1958 deel uitmaakte van de Nederlandse inzending voor de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, werd het aangeduid met de Franse vorm Monsieur Jacques. Die benaming bleef daarna in gebruik en verdrong geleidelijk de oorspronkelijke naam.
Andere figuren uit de reeks staan in Heerlen, de geboorteplaats van Wenckebach, waar Monsieur Jacques plechtig met de hoed op het hoofd en een wandelstok aan de arm op de Promenade staat, en in Meppel, waar een zittende Jacques is opgesteld onder de titel In afwachting. De reeks vormde de aanzet tot een grotere groep: tussen 1956 en 1960 ontwierp Wenckebach 26 levensgrote beelden in dezelfde stijl, waaronder De spoetnikkijker (1957) in Utrecht.
Van het beeld bestaan drie afgietsels. Het derde exemplaar heeft geen bekende openbare standplaats.
Zie ook: foto's op Wikimedia Commons.
Het eerste afgietsel werd in 1956 door de Staat aangekocht en in 2005 vanuit het Instituut Collectie Nederland overgedragen aan het Kröller-Müller Museum, waar het bij de ingang van het museum staat (inventarisnummer KM 127.092, 183 × 62 × 62 cm). Dit exemplaar was het beeld dat in 1958 in Brussel werd getoond, waar het niet op een sokkel maar in het gras stond en veel aandacht trok.
Zie ook: foto's op Wikimedia Commons.
Het tweede afgietsel werd door de gemeente Rotterdam aangekocht en op de Coolsingel geplaatst. Op 2 maart 1959 werd bekend dat burgemeester en wethouders met Wenckebach in contact waren getreden over de vervaardiging en aankoop van een kopie van het 1,83 meter hoge beeld, dat op de Wereldtentoonstelling veel belangstelling had getrokken. In totaal zouden er drie afgietsels worden gemaakt. In april stelde het college de gemeenteraad voor het afgietsel voor ten hoogste 16.500 gulden aan te kopen en het een plaats te geven in het plantsoentje op de hoek van de Coolsingel en de Binnenweg. Het bedrag zou worden betaald uit een fonds dat was gevormd uit drie rijkssubsidies die de gemeente in de oorlogsjaren had ontvangen voor opdrachten aan Nederlandse beeldende kunstenaars in het kader van de wederopbouw. Van de in totaal 85.000 gulden was nog ruim 46.000 gulden beschikbaar. De staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en de raadscommissies voor de Kunstzaken en de Financiën stemden met het voorstel in. De Stichting Herrijzend Rotterdam noemde het beeld, dat op de Expo in de wandeling "Mannetje Jacques" heette, "een bijzonder geslaagde, geestige sculpture". Het Rotterdamsch Parool liep op de plaatsing vooruit met een fotomontage, waarin een oude opname van het beeld op de Expo in het nog lege plantsoen was gemonteerd.
Het beeld werd op Pinksterdrie, 19 mei 1959, onthuld door de wethouder van kunstzaken Nancy Zeelenberg. Het was de dertiende Rotterdamse Opbouwdag, en de beeldhouwer en zo'n duizend Rotterdammers waren erbij aanwezig. In haar toespraak verzekerde zij het beeld dat het zich thuis zou voelen, want "hoeveel Rotterdammers heten er niet net als u Jacques?" Ze voegde eraan toe dat al die Rotterdammers van hem zouden gaan houden, "net als ik, Jacquelientje". Het beeld kreeg een plaats in een plantsoen op de hoek van de Coolsingel en de Binnenweg, voor het gebouw van de Rotterdamsche Bank, op een sokkel van ongeveer een halve meter hoog en met het gezicht naar de Coolsingel. Na de dood van Wenckebach op 3 november 1962 legde burgemeester Gerard van Walsum op 8 november namens het gemeentebestuur een krans bij het beeld.
Afgezien van de verplaatsingen die de herinrichting van de Coolsingel noodzakelijk maakte, werd het beeld meermalen van zijn plaats verwijderd. Op zondagochtend 18 november 1962, ruim twee weken na de dood van de beeldhouwer, werd de politie gewaarschuwd dat het beeld naast zijn sokkel in het gras lag. Sculpture International Rotterdam schrijft het voorval toe aan baldadigheid, maar het onderzoek wees destijds in een andere richting. Vermoedelijk was een vroege passant die niet meer vast ter been was, tegen het beeld opgebotst. Dat was genoeg, want het beeld stond minder stevig dan zijn parmantige houding deed vermoeden. De specie in het voetstuk had zich onvoldoende aan de sokkel gehecht, en de lassen waarmee een bronzen strip aan het beeld vastzat, waren door weersinvloeden aangetast. Dat het beeld wankelde, was al eerder opgevallen: schoolkinderen die tegen zijn buik duwden, konden het enkele centimeters laten uitslaan. Doordat het zijwaarts in het natte gras viel, bleef het onbeschadigd. Gemeentewerken nam het in bewaring. In maart 1963 werd het teruggeplaatst en daarbij steviger verankerd.
In juni 1970 stond het beeld midden in de drukte van de manifestatie C70. Langs zijn hoek draaide een stoeltjeslift, er stond een grote poffertjeskraam en er trokken grote mensenmassa's voorbij. Volgens Het Vrije Volk was het beeld toen nog niet hersteld van een recente "beenbreuk", maar glom het van genot.
In de nacht van 13 op 14 december 1995 werd het beeld door drie personen gestolen, die het te voet meenamen. Verderop op de Coolsingel hield een politieagent hen met hun buit staande, waarna het beeld in beslag werd genomen. De verantwoordelijke gemeenteambtenaar hoorde de volgende ochtend via de Rotterdamse radio van de diefstal. De vermoedelijke grap kwam de gemeente duur te staan: de sokkel moest nieuwe voeten krijgen en een scheur in het beeld zelf moest worden hersteld.
Daarnaast is het beeld herhaaldelijk beklad met obscene afbeeldingen en teksten. In februari 2025 droeg het onverwacht een hoedje met het opschrift LOVE, terwijl het zijn eigen hoed nog altijd op de rug hield.
Sinds 2003 maakt Monsieur Jacques samen met werk van Thom Puckey, Pieter Starreveld en Shinkichi Tajiri deel uit van het zogenoemde Coolsingel-ensemble. In verband met langdurige werkzaamheden aan de Coolsingel stond het beeld vanaf 2018 tijdelijk in de tuin van CultuurWerkplaats Tarwewijk. In januari 2021 keerde het terug naar de Coolsingel. Het staat sindsdien voor de hoofdingang van het voormalige bankgebouw, dat inmiddels deel uitmaakt van Forum Rotterdam.