Moshe de Portella

Moshe de Portella (Tarazona, circa 1230 - 1293) was hofjood van de koningen van Aragón.

Straat in de voormalige Joodse wijk van Tarazona

Portella werd geboren in de Joodse wijk van Tarazona, een van de grootste Joodse gemeenschappen van Aragón. Hij had vier broers: Salomon, Abraham, Ismael en Yucef. De Joodse gemeenschappen in Spanje bloeiden tijdens zijn leven, zowel op intellectueel als op economisch gebied. Moshe de Portella werd voor het eerst genoemd in 1273 als hoofd van de aljama van de Joden van Tarazona, de zelfbesturende gemeenschap van de Joden. Enkele jaren later was hij economisch actief in heel Aragón, tot in Valencia.

Tijdens de laatste jaren van de regering van koning Jacobus I van Aragón werd Portella benoemd tot merino van Tarazona en andere steden. Hij stond in voor de herstelling en het onderhoud van de grensversterkingen en had ook tot taak om geschillen in zijn rechtsgebied te beslechten. Hij was hofjood van zowel koning Peter III als Alfons III van Aragón, net als zijn broer Ismael. In die hoedanigheid was hij adviseur van de koning. Hij beheerde de graanvoorraden van het koninkrijk en verstrekte als bankier leningen aan de kroon. Hij werd zo machtig dat tijdens de Cortes van Aragón van 1286 de edelen van Aragón aan de koning vroegen om hem te ontzetten uit zijn ambten. De koning ging hier niet op in. Als Jood kreeg hij wel geen officiële titel toebedeeld.

Portella overleed in 1293 in onopgehelderde omstandigheden.