| Moe'awija I | ||
|---|---|---|
| kalief | ||
| Periode | 661-680 | |
| Voorganger | Ali ibn Aboe Talib | |
| Opvolger | Yazid I | |
| Familie | ||
| Geboren | 603 Mekka | |
| Overleden | 680 | |
| Vader | Aboe Sufyan ibn Harb | |
| Moeder | Hind bint Oetba | |
| Dynastie | Omajjaden | |

Moe'awija I of Mu'awiyah (Arabisch, Muʿāwiya ibn Abī Sufyān; Mekka, tussen ca. 597 en 605 – Damascus, april/mei 680) was van 639 tot 661 gouverneur van Sjaam (Bilad al-Sham) en daarna de eerste kalief van de Omajjaden-dynastie (661-680). Het jaar van zijn geboorte is onzeker: vroege bronnen noemen 597, 603 of 605, andere naslagwerken 602.
Moe'awija was een zoon van Aboe Sufyan (Sakhr) ibn Harb, de leider van de clan Banu Abd Sjams van de Qoeraisj-stam in Mekka. Zijn afstamming in mannelijke lijn is:
Mohammed en Ali ibn Aboe Talib behoorden tot de Banu Hasjim, de zusterclan van de Banu Abd Sjams. Mohammed en Moe'awija deelden dezelfde voorvader, Abd Manaf ibn Qoesayy. De lijnen lopen als volgt uiteen:
Mohammed, Ali en Moe'awija hadden dus niet "dezelfde over-over-grootvader": Abd Manaf staat voor Moe'awija één generatie verder terug dan voor Mohammed en Ali.
Moe'awija's moeder was Hind bint Oetba, eveneens van de Banu Abd Sjams. Haar vader Oetba ibn Rabi'a en Moe'awija's broer Hanzala sneuvelden in 624 bij Badr aan Mekkaanse zijde. Moe'awija's broer Yazid ibn Abi Sufyan was een zoon van Zaynab bint Nawfal; ook Utba ibn Abi Sufyan was zijn broer. Zijn halfzuster Umm Habiba (Ramla bint Aboe Sufyan) was een dochter van Aboe Sufyan en Safiyya bint Abi al-As. Zij was weduwe van Ubayd Allah ibn Jahsh toen zij met Mohammed trouwde.
Moe'awija's vader Aboe Sufyan was tot 627 een van de leiders van het Mekkaanse verzet tegen Mohammed en voerde de Mekkanen aan bij Uhud (625) en de Grachtenslag (627). Moe'awija nam volgens R. Stephen Humphreys deel aan de Slag bij Uhud aan Mekkaanse zijde.
Na de verovering van Mekka in 630 namen Moe'awija, zijn vader en zijn broer Yazid de islam aan. Volgens overleveringen die al-Baladhuri en Ibn Hajar vermelden, zou Moe'awija al sinds de onderhandelingen van Hudaybiyya (628) in het geheim moslim zijn geweest. Als onderdeel van Mohammeds streven naar verzoening met de Qoeraisj werd hij een van Mohammeds schrijvers (kātib); hij was een van de zeventien geletterde Qoeraisj in die tijd.
Kalief Aboe Bakr ibn Aboe Quhafa gaf de Banu Abd Sjams een aandeel in de verovering van Sjaam. Moe'awija's broer Yazid werd omstreeks 634 een van de vier bevelhebbers en Moe'awija werd commandant van Yazids voorhoede. In 637 behoorde hij tot de troepen die met kalief Oemar ibn al-Khattab Jeruzalem binnentrokken.
Toen Aboe Ubayda ibn al-Jarrah in 639 stierf in de pest van Amwas, verdeelde Oemar het gezag over Sjaam en benoemde hij Yazid ibn Abi Sufyan tot gouverneur van Damascus, Jordanië en Palestina. Yazid overleed later dat jaar aan dezelfde ziekte, waarna Oemar Moe'awija benoemde tot militair en fiscaal gouverneur van Damascus en mogelijk Jordanië. In 640 of 641 veroverde hij Caesarea.
Onder kalief Oethman ibn Affan werd Moe'awija's gebied uitgebreid met Palestina en, in 646 of 647, met Homs en de Jazira. Daarmee bestuurde hij heel Sjaam. Hij steunde daarbij op de Arabische stammen van Sjaam, vooral de Banu Kalb.
Moe'awija begon de Arabische zeecampagnes tegen de Byzantijnen in de oostelijke Middellandse Zee. Onder zijn leiding werd Cyprus aangevallen. Volgens al-Baladhuri en Khalifa ibn Khayyat leidde Moe'awija de aanval zelf, volgens een andere overlevering zijn admiraal Abdallah ibn Qais. In beide overleveringen moest Cyprus tribuut betalen. In 654/655 versloeg een Arabische vloot de Byzantijnse onder keizer Constans II in de Slag van de Masten. De bevelhebber was volgens de bronnen ofwel de gouverneur van Egypte, Abd Allah ibn Sa'd ibn Abi Sarh, ofwel Moe'awija's luitenant Abu al-A'war Amr ibn Sufyan.
Toen kalief Oethman in juni 656 door opstandelingen in Medina werd belegerd, vroeg hij Moe'awija om hulp. Moe'awija stuurde een leger richting Medina, maar dat keerde terug bij Wadi al-Qura toen het nieuws van Oethmans dood bekend werd.
Oethman ibn Affan werd in juni 656 in Medina vermoord door opstandelingen uit Egypte. Ali ibn Aboe Talib, de neef en schoonzoon van Mohammed, werd in Medina als kalief erkend; hij werd gesteund door de Basriërs, de Koefanen en het merendeel van de Ansar.
Moe'awija, een verwant van de vermoorde kalief, hield zijn eed van trouw aan Ali achter. Hij eiste wraak voor Oethman. Hij had in Sjaam een sterke en trouwe machtsbasis en kon niet eenvoudig worden vervangen. Berichten dat Ali hem formeel had ontslagen, worden door Madelung verworpen. Moe'awija beschuldigde Ali openlijk van betrokkenheid bij Oethmans dood. In deze fase eiste hij het kalifaat zelf nog niet op; zijn hoofddoel was zijn positie in Sjaam te behouden.
Ook Aïsja bint Aboe Bakr, Talha ibn Oebayd Allah en Zoebayr ibn al-Awwam verzetten zich tegen Ali's verkiezing; dit was het begin van de Eerste Fitna. Ali versloeg hen bij Basra in de Slag van de Kameel. Talha en Zoebayr sneuvelden en Aïsja trok zich terug in Medina. Moe'awija sloot een pact met Amr ibn al-As, aan wie hij het gouverneurschap van Egypte beloofde, en zekerde zijn noordgrens met een bestand met Byzantium.
In 657 trok Ali met zijn Iraakse leger naar Sjaam. Moe'awija's troepen stonden al bij Siffin, nabij Raqqa. Na weken van schermutselingen en onderhandelingen kwam het in juli 657 tot een veldslag. Volgens de vroege islamitische bronnen kreeg Ali's leger de overhand; toen staken enkele Sjamieten bladzijden van de Koran op hun lansen en riepen op tot arbitrage. Ali stemde in onder druk van een groot deel van zijn leger. Niet-islamitische bronnen, zoals Theophanes, melden daarentegen dat de Sjamieten wonnen.
De arbitrage-overeenkomst werd in augustus 657 getekend. Daarin werd Ali's titel amir al-mu'minin weggelaten, zodat Ali en Moe'awija als gelijkwaardige partijen werden behandeld. Abu Musa al-Asj'ari vertegenwoordigde Ali en Amr ibn al-As Moe'awija. De twee scheidsrechters kwamen bijeen in Dumat al-Jandal en later in Adhruh. De arbitrage liep zonder uitkomst af, maar versterkte Moe'awija's positie en verzwakte die van Ali.
Daarna erkenden de Sjamieten Moe'awija als kalief en begroetten zij hem als amir al-mu'minin. De bronnen plaatsen dit in 658 of 659.
Een deel van Ali's leger verwierp de arbitrage en scheidde zich af: de kharidjieten ("zij die weggingen"). Ali versloeg hen in 658 bij Nahrawan. In 658 veroverde Amr ibn al-As in Moe'awija's opdracht Egypte op Ali's gouverneur. In 660 zond Moe'awija Busr ibn Abi Artat naar het Hijaz en Jemen; Medina, Mekka en Taif erkenden daarbij Moe'awija.
In januari 661 werd Ali door een kharidjiet vermoord.
Na Ali's dood werd zijn zoon Hasan ibn Ali in Kufa als kalief erkend. Moe'awija trok met zijn leger op naar Irak en omkocht Ubayd Allah ibn Abbas, de bevelhebber van Hasans voorhoede, die zijn post verliet. Daarna onderhandelde hij met Hasan. Hasan deed in de zomer van 661 afstand van het kalifaat in ruil voor een financiële regeling: Madelung noemt augustus, andere bronnen juli of september. Moe'awija werd daarna als kalief erkend. Vroege islamitische bronnen noemen 661 "het jaar van de eenheid". Hasan trok zich terug in Medina.
Hasan overleed in 670. Veel vroege bronnen melden dat hij werd vergiftigd door een van zijn echtgenotes, Ja'da bint al-Asj'ath, volgens sommigen in samenspanning met Moe'awija.
Moe'awija vestigde zijn hof in Damascus en steunde op de stammen van Sjaam. In Irak en het oosten delegeerde hij het gezag aan gouverneurs als al-Moegira ibn Sjoe'ba (Koefa) en Ziyad ibn Abihi (Basra), die hij omstreden als zijn halfbroer adopteerde.
De eerste diwan, een register van strijders, werd ingesteld onder kalief Oemar ibn al-Khattab. Vroege Arabische bronnen schrijven Moe'awija de diwans voor correspondentie (rasa'il), kanselarij (khatam) en postdienst (barīd) toe.
Moe'awija zette de Byzantijns-Arabische oorlogen voort. In 669 voerde zijn zoon Yazid een veldtocht tot bij Chalcedon, tegenover Constantinopel, en bereikte zijn marine volgens Hinds Sicilië. In 670 benoemde hij Oeqba ibn Nafi tot zijn plaatsvervanger over de Noord-Afrikaanse gebieden ten westen van Egypte. Oeqba stichtte daar Kairouan in het huidige Tunesië.
Tussen 674 en 678 vonden Arabische aanvallen op Constantinopel plaats, in de overlevering het "beleg van Constantinopel". Volgens de traditionele reconstructie voerden Arabische vloten jaarlijks campagnes rond de stad, met Cyzicus als basis. De Byzantijnen versloegen de Arabische vloot met behulp van het Grieks vuur. Deze reconstructie wordt in de moderne wetenschap betwist: James Howard-Johnston meent dat er geen beleg heeft plaatsgevonden, terwijl Marek Jankowiak de grote aanval op 667–669 dateert. Rond 678/679 sloten Moe'awija en Byzantium een vredesverdrag waarbij het kalifaat jaarlijks tribuut betaalde.
In 675 of 676 maakte Moe'awija openbaar dat zijn zoon Yazid ibn Moe'awija hem zou opvolgen. Het was de eerste erfopvolging in de islamitische geschiedenis. Verzet kwam van Hoessein ibn Ali, Abd Allah ibn al-Zoebayr, Abd Allah ibn Oemar en Abd al-Rahman ibn Abi Bakr, allen zonen van vooraanstaande metgezellen van Mohammed of van een eerdere kalief. De benoeming werd door critici gezien als een schending van het beginsel van de šūrā (overleg) en als de invoering van dynastiek bestuur naar Byzantijns en Sassanidisch voorbeeld.
Moe'awija overleed aan een ziekte in Damascus in Rajab 60 AH (april of mei 680), op circa 80-jarige leeftijd. Volgens de bronnen overleed hij op 7, 21 of 29 april. Hij werd begraven bij de Bab al-Saghir-poort van Damascus; al-Dahhak ibn Qays leidde het gebed. Na zijn dood volgden de Slag bij Karbala en de Tweede Fitna.
In de soennitische traditie geldt Moe'awija als metgezel (sahabi) van Mohammed en als schrijver van de openbaring. Zijn kalifaat wordt echter niet tot dat van de "rechtgeleide" kaliefen gerekend; de belangrijkste bezwaren zijn dat hij het kalifaat verwierf door een burgeroorlog en dat hij de erfopvolging invoerde.