


De Nakba of Al-Nakba / Al-Naqba (Arabisch: النكبة – 'De ramp' of 'De catastrofe') is de etnische zuivering van Palestijnen door de gewelddadige ontheemding en onteigening van hun land, eigendom en bezittingen, samen met de vernietiging van hun samenleving en de onderdrukking van hun cultuur, identiteit, politieke rechten en nationale aspiraties. Ze vond plaats tussen 1947 en 1949 in het toenmalige Mandaatgebied Palestina. Gedurende de Nakba werden in totaal 700.000-800.000 Palestijnen uit hun land verdreven. Deze gebeurtenissen worden door Palestijnen wereldwijd elk jaar herdacht op 15 mei, de Nakba-dag.
De term Nakba, wat in het Arabisch 'catastrofe' betekent, werd in 1948 als eerste geïntroduceerd door de Syrische intellectueel Constantin Zureiq (1909-2000), kort na de oprichting van de staat Israël en het uitbreken van de eerste Arabisch-Israëlische oorlog. Hij schreef in 1948 tijdens de wapenstilstand in de oorlog het boek Ma'na al-Nakba (De betekenis van de ramp). Het boek definieert de conceptuele parameters van de Arabische tragedie, die Zureiq al-Nakba noemt, om de Arabische nederlaag in de oorlog van 1948 te beschrijven.
Het gebruik van de term is in de loop der tijd geëvolueerd tot het synoniem voor de massale verdrijving en vlucht van honderdduizenden Palestijnen. De symbolische betekenis werd in 1998 wereldwijd versterkt toen Yasser Arafat, destijds leider van de PLO, 15 mei officieel uitriep tot Nakba-dag.
Onder Israëlische Joden was het begrip Nakba vrijwel onbekend tot in de late jaren 1980. Pas met de opkomst van de Nieuwe Historici vanaf 1987 kreeg de term bekendheid. Dat viel samen met de Eerste Intifada en het ontstaan van talrijke Israëlische organisaties die opkwamen voor Palestijnse rechten.
Na de publicatie van de Balfourverklaring, die het Verenigd Koninkrijk in de Eerste Wereldoorlog had opgesteld, kwam er tijdens het Brits Mandaat een massale immigratie op gang van Europese en Amerikaanse zionistische Joden, die zich in Palestina wilden vestigen om er een Joodse staat te stichten. De Arabisch-Palestijnse inwoners en de omringende Arabische landen verzetten zich tegen deze massa-immigratie in hun gebied – dat al eeuwenlang onder islamitisch bestuur stond – omdat zij tegen de vestiging van een Joodse staat waren.
Na jaren van onlusten tussen de westerse Joodse zionistische immigranten en de inheemse Arabische bevolking van Palestina besloot de Britse regering de toekomst van Palestina voor te leggen aan de Verenigde Naties. Een plan om Palestina op te delen in twee staten middels VN-resolutie 181 (1947) werd door de Arabische leiders afgewezen aangezien de Arabische staat minder land (42,9%) toebedeeld kreeg dan de Joodse staat (56,4%). Joodse groepen en milities als de Hagana, Irgun en Lechi, die door door de Britten als terroristische organisaties werden beschouwd, hadden intussen de verovering van Palestina voorbereid.
Met inachtneming van de resoluties 181(II) en 194(III) werd Israël op 11 mei 1949 met Resolutie toegelaten tot het lidmaatschap van de Verenigde Naties, in de resolutie omschreven als "vredelievende staat die de verplichtingen van het Handvest kan en wil uitvoeren". Volgens het voorstel zou de Joodse staat ongeveer 55 procent van het mandaatgebied ontvangen, waaronder de dunbevolkte Negevwoestijn, terwijl de Arabische staat circa 45 procent zou omvatten, waaronder de Gazastrook en het bergland van centraal Palestina. De grenzen waren complex en bestonden uit meerdere afzonderlijke gebieden die door corridors met elkaar verbonden zouden worden.
De Joodse leiders, onder aanvoering van David Ben Gurion, aanvaardden het plan ondanks bezwaren tegen de voorgestelde grenzen. De Arabische leiders in Palestina en de omringende Arabische staten verwierpen het voorstel omdat zij de verdeling onrechtvaardig vonden en gekant waren tegen de stichting van een Joodse staat.
Toen de Britten op 15 mei 1948 het mandaat over Palestina zouden beëindigen, riepen in de nacht van 14 mei de zionistische Joodse leiders onder leiding van David Ben-Gurion de staat Israël uit, een door de Zionistische Wereldorganisatie nagestreefd doel. Daarop trokken legers van de Arabische buurlanden het gebied binnen om de Palestijnse bevolking te steunen in de strijd tegen de zionisten en Arabisch grondgebied veilig te stellen en naar eigen zeggen 'de Joden de zee in te drijven'.
De oorlog leidde tot wederzijds bloedvergieten. Arabieren moordden Joodse dorpen uit (bijvoorbeeld het bloedbad van Kfar Etzion) en er waren zware bomaanslagen op Joodse doelen (Bomaanslag in de Ben Yehudastraat, 58 doden. Anderzijds waren er vele massaslachtingen en pogroms op de Palestijnse bevolking en meer dan 750.000 Arabische Palestijnen die uit het door de zionistische milities veroverde gebied werden verdreven of moesten vluchten.
De verdreven Palestijnen zochten een heenkomen in naburige Arabische landen. Ongeveer twee derde van hen vluchtte naar de Gazastrook of de Westelijke Jordaanoever, die tijdens de oorlog door respectievelijk Egypte en Transjordanië bezet waren.
Na de wapenstilstand in 1949 waren er driekwart miljoen Palestijnse vluchtelingen verdreven of moesten vluchten uit het, door zionistische troepen en het reeds gevormde Israëlisch Defensieleger (IDF) veroverde gebied. Van de 850.000 Arabische Palestijnen die binnen de grenzen van de aangewezen Joodse staat woonden, bleven er nog 150.000-160.000 in de nieuwe staat Israël.
Uit de rest van Palestina, inclusief Jeruzalem, vluchtten zo'n 152.000 Palestijnen, wat volgens de Shai het totaal op 391.000 bracht. De massale vlucht begon in april-mei. Volgens het document was de uittocht voor circa 70% het gevolg van militaire acties van de Haganah en de paramilitaire troepen Irgun en Lechi. In deze periode vond onder meer het beruchte Bloedbad van Deir Yassin plaats en werd onder andere de gehele bevolking van Al-Tantoera verdreven nadat er, volgens ooggetuigen, ook daar een bloedbad zou hebben plaatsgevonden.
In het voorjaar van 1948 werden Palestijnse dorpen, zoals Al-Tantoera systematisch ontvolkt en meestal ook verwoest door troepen van de Haganah; na mei 1945 door de IDF die uit de Haganah was voortgekomen. Dat gebeurde met name in de "Operatie Nachshon" (5–16 april), "Operatie Bi'ur Hametz" (21–22 april) en "Operatie Namal" (april-mei). Deze etnische zuiveringen waren onderdeel van het Plan Dalet. Van april tot juni veroverden Joodse troepen district na district, waarbij hele dorpen met de grond werden gelijkgemaakt.
Na mei 1948 werden nog eens zo'n 350.000 Palestijnen uit Palestina verdreven bij de verovering van nog meer gebieden door het Israëlische leger. Dit gebeurde onder meer door aanvallen op Lydda (al-Ludd) en Ramla (Ramleh), waarbij in juli in "Operatie Dani" (9-19 juli) de totale Arabische bevolking van beide plaatsen, op dat moment 75.000-100.000 burgers, werden vermoord of verdreven. Deze plaatsen waren in het VN-verdelingsplan toegewezen aan de te vormen Arabische staat.
Ook na 1948 en onder de militaire bezetting van de Westelijke Jordaanoever door Israël vanaf 1967 worden Palestijnen gedwongen hun woningen te verlaten. Vaak wordt hun woning als vorm van collectief straffen vernietigd of worden de bewoners gedwongen deze zelf te slopen. Hun levensomstandigheden worden door de Israëlische bezetter zeer bemoeilijkt. De door Israël gebouwde Israëlische Westoeverbarrière doorsnijdt hun land, en dorpen worden afgesneden van hun landbouwgrond.
Op Palestijns grondgebied zijn door Israël nationalistische Israëlische nederzettingen gebouwd, die steeds verder uitgebreid worden en via kolonistenwegen, die ontoegankelijk zijn voor de Palestijnse bevolking, met elkaar en met het grondgebied van de staat Israël worden verbonden. Daarbij wordt de wapenstilstandsgrens door Israël niet gerespecteerd. Op de Westelijke Jordaanoever van Palestina dreigt Israël sinds 1967 steeds meer over te gaan op annexatie van de Westoever. Sinds 2005 is de Gazastrook, met acht Palestijnse vluchtelingenkampen, door Israël geheel militair ingesloten en gecontroleerd.
In een paneldiscussie van het UN Committee on the Exercise of the Inalienable Rights of the Palestinian People op 17 mei 2024, vergeleek de voorzitter Ardi Imseis de Oorlog in Gaza (2023-2025) met de Nakba en stelde dat dit geen twee aparte of te onderscheiden gebeurtenissen zouden zijn maar een aaneengesloten proces dat generaties Palestijnen raakt. Imseis waarschuwde dat de Israëlische regering zijn ware intenties niet langer zou verbergen en de Palestijnen drie opties zou laten: verdrijving, onderwerping of dood.
Tijdens de Nakba werden leegstaande Arabische woningen geplunderd en in bezit genomen. Israël heeft veel van de geroofde bezittingen, zoals boeken, brieven, documenten, foto's en films, in archieven en bibliotheken verzameld en weggestopt. Volgens historica Rona Sela, en maker van de documentaire Looted and Hidden: Palestinian Archives in Israël, begonnen de systematische plunderingen en beslagleggingen van Palestijnse cultuurgoederen al in de jaren 1930 – nog voor de stichting van Israël in 1948 – door de Haganah en gingen door tot recente jaren in de 21ste eeuw. In het verleden hadden activisten en onderzoekers ook al verzekerd dat Israël doelbewust essentiële documenten niet in de openbaarheid brengt om de Israëlische oorlogsmisdaden, inclusief slachtpartijen op grote schaal, gedwongen uitdrijvingen en huisverwoestingen, te verdonkeremanen. De Palestijnse archieven in Israël bevatten nooit eerder geziene afbeeldingen van de Palestijnse geschiedenis die het Israëlische leger uit archieven in Libanon gestolen heeft. Sela brengt ze aan het licht
Volgens historicus Benny Morris werden bijna 400 Palestijnse dorpen en een aantal steden verwoest of ontvolkt. De huizen die gespaard bleven, werden weggegeven aan Joodse immigranten en de dorpen en steden kregen een nieuwe – Israëlische – naam.
Onderzoeker Salman Abu Sitta noemt daarenboven nog zo'n 100 bedoeïenendorpen. Salman Abu Sitta, die in 1948 als 10-jarige met zijn familie uit de Beër Sjeva-regio werd verdreven, richtte de Palestine Land Society (Plands) op, die informatie verzamelt over de Nakba. Zijn website toont onder andere kaarten met de Palestijnse dorpen die tot 1948 bestonden en "The Atlas of Palestine", met gedetailleerde topografische kaarten. Aan de hand van oude kaarten wil Abu Sitta verwoeste dorpen heropbouwen. Hij ijvert voor de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen en verklaarde dat dit niets van doen had met politiek, soevereiniteit, bezetting of apartheid. Palestijnen hebben geen doelen, maar rechten die niet aan anderen kunnen worden overgedragen en waar geen concessies aan kunnen worden gedaan.
De Israëlische NGO Zochrot heeft in 2014 een app uitgebracht met locaties en andere informatie over verwoeste en ontvolkte dorpen en vluchtelingenkampen. Op de verwoeste dorpen blijken door het Joods Nationaal Fonds bossen en parken te zijn aangelegd, onder meer als nationaal park van Israël.
De meeste wetenschappers zijn het er over eens dat verdrijvingen en het geweld de primaire oorzaken waren voor de vlucht van de Palestijnen en tot de verantwoordelijkheid van de Israëlische troepen behoorde. Aan het begin van de oorlog, voordat de Arabische legers in mei 1948 het land binnen kwamen, waren al zo'n 250.00-380.000 Palestijnen verdreven. Het Israëlische leger benadrukte de actie als een militaire 'noodzaak'. De wetenschappelijke consensus onder historici is dat, wat met de Palestijnen gebeurde in 1948 moet worden gezien als een etnische zuivering, hoewel sommigen het daar niet mee eens zijn. Factoren die bij de vlucht een rol speelden, waren onder meer de directe verdrijvingen door Israëlische troepen, de vernietiging van Arabische dorpen, psychologische oorlogsvoering met inbegrip van terrorisme en bloedbaden zoals het veelbesproken bloedbad van Deir Yassin :239–240 waardoor velen uit angst op de vlucht sloegen, oogsten in brand werden gestoken, tyfusepidemieën in sommige gebieden die werden veroorzaakt door Israëlische vergiftiging van waterputten, en de ineenstorting van het Palestijnse leiderschap, met inbegrip van de demoraliserende impact van de vluchtende rijkere klassen.
Het officiële Israëlische narratief zegt dat de Palestijnen voornamelijk zijn gevlucht voor de oorlog en op bevel van de Arabische leiders, maar niet volgens een vooropgezet plan van de zionistische leiders. Onder invloed van de Nieuwe Historici is deze visie ten minste deels in twijfel getrokken. Benny Morris stelde in 2001 dat de vluchtelingencrisis uit de oorlog voortkwam, maar niet vooraf was gepland. Laila Parsons, die afstudeerde onder supervisie van Avi Shlaim, stelde juist dat de IDF handelde volgens een zorgvuldig gestructureerd plan om de Palestijnen te verdrijven, teneinde een levensvatbare zionistische staat te kunnen creëren. Ze wees er op dat dorpen van de Druzen selectief werden gespaard, in tegenstelling tot die van de Palestijnen en stelde dat de Israëlische geschiedschrijving en visies bewust zijn verdraaid, om een gemeenschappelijke historie van Joods-Druzische vriendschap te creëren.
Vlucht vanwege evacuatieorders van "Arabische instituties en bendes" ("Arab institutions and gangs") – wat volgens het Israëlische narratief de hoofdoorzaak was voor de massale vlucht – en "vrijwillige" vlucht wordt door historici als een mythe van de hand gewezen. Uit Israëlische documenten blijkt dat dit slechts van invloed was in circa 5% van de dorpen (geen aantallen genoemd), maar dat zo'n 70% vluchtte als direct gevolg van "Jewish military action". De Israëlische archieven bevatten Palestijnse en Arabische documenten waaruit blijkt dat het Palestijnen juist door de Arabische autoriteiten werd verboden om hun huizen te verlaten, op straffe van te worden doodgeschoten of in beslagname van hun huis. De Joods-Israëlische nieuwe historicus Ilan Pappé beschrijft in zijn boek "The Ethnic Cleansing of Palestine" uit 2006 - onder meer op basis van archiefmateriaal - dat er wel degelijk een plan was voor de verdrijving van de Palestijnse bevolking en hoe dit werd gerealiseerd.

De vluchtelingen kwamen terecht in Palestina zelf en in de omliggende landen en zijn sindsdien gehuisvest in vluchtelingenkampen. Hiermee ontstond het Palestijnse vluchtelingenprobleem. De UNRWA, de hulporganisatie van de Verenigde Naties is voor deze vluchtelingen opgericht. In VN-resolutie 194 van december 1948, op grond van het rapport van VN-bemiddelaar Folke Bernadotte, riepen de VN de strijdende partijen op tot verzoening, waarin in paragraaf 11 de terugkeer van en schadevergoeding aan de vluchtelingen werd opgenomen. Israël wenste Resolutie 194 als één geheel te implementeren, terwijl de Arabische landen eisten dat eerst punt 11, de terugkeer van vluchtelingen, zou worden uitgevoerd. De resolutie werd nimmer uitgevoerd.
Verreweg de meeste Palestijnen zijn voorstander van het Palestijnse recht van terugkeer. De Israëli's zijn hierover verdeeld. Het overgrote deel is tegenstander van terugkeer van de vluchtelingen, omdat dit het Joodse karakter van de staat zou aantasten. Een zeer gering deel van de Israëli's is van mening, dat de terugkeer noodzakelijk is om een einde aan het conflict te maken. Israël pleit voor een definitieve vestiging van de verdreven Palestijnen in andere landen en een opheffing van hun vluchtelingenstatus. Dat laatste is volgens het internationaal recht echter onmogelijk, omdat dit een individueel recht is en in strijd met VN-resolutie 194.
De Israëlische NGO Zochrot is voorstander van terugkeer en heeft tot doel het brede Joodse publiek bewust te maken van de Nakba en de voortdurende onrechtvaardigheden die daaruit zijn voortgekomen. Zij is van mening dat erkenning van het recht van terugkeer ook goed zal zijn voor de Joodse bevolking.
De Palestijnen en "Nieuwe Historici" verwijten de Israëlische overheid, systematisch informatie over de Nakba geheim te houden. In een systeem van censuur en geschiedsvervalsing, werd van origineel materiaal vaak de herkomst uitgewist en werden aanduidingen naar believen herschreven, bijvoorbeeld door Palestijnen aan te duiden als terroristen of bendes. Palestijnen zien deze censuur als onderdeel van een bredere trend van fysieke en culturele uitwissing sinds 1948. Daarnaast wordt ook materiaal geheim gehouden, dat details onthult over de behandeling van Palestijnen door Israël.
Historica Tamar Novick vond een incompleet document zonder vermelding van de herkomst, over bloedbaden en plunderingen in 1948 in het vernietigde Palestijnse dorp Safsaf, dat veroverd werd door de IDF. Benny Morris schreef over een document dat ging over dezelfde gebeurtenissen, maar Novick ontdekte na de publicatie daarover, dat het document op last van het Ministerie van Defensie weer achter slot en grendel was geplaatst. Ook Morris zelf ondervond, dat eerder openbaar gemaakte documenten later weer waren verzegeld.
Sinds 2002 hebben teams van het Ministerie de staatsarchieven doorzocht om historische documenten te verwijderen, met de focus op dossiers over de Nakba. Een geheime annex van een rapport handelt bijvoorbeeld over het aanvechten door de staat van landeigendom van Palestijnen en een rapport uit 1958 legt uit, dat het toepassen van de krijgswet (martial law) onder andere nodig was om de toegang van Arabische burgers tot de arbeidsmarkt te beperken en om het opnieuw opbouwen van vernietigde dorpen te verhinderen.
Een andere genoemde reden voor het verbergen van documenten is, om studies naar de oorsprong van het vluchtelingenprobleem te ondermijnen. Zoals het verhullen van getuigenissen over de verdrijving van meer dan 85.000 Bedoeïenen uit de Negev. Haaretz ontdekte, dat getuigenissen van IDF-generaals over het doden van burgers, het vernietigen van dorpen en het verdrijven van Bedoeïenen in het decennium na 1948 waren verborgen. Ook werden interviews door het Yitzhak Rabin Center, over de verdrijving van Palestijnen en het vernietigen van dorpen om hun terugkeer te verhinderen, gecensureerd.
Hoewel een deel van de documenten op internet openbaar is gemaakt, is veel nog altijd niet toegankelijk, ondanks het verlopen van de geheimhoudingstermijn. In 2019 was nog maar 1 procent van het "IDF and Security Establishment Archive" – het grootste archief van Israël – voor het publiek toegankelijk. Dat van de Shin Bet is geheel geheim. Veel materiaal is alleen deels toegankelijk voor Israëlisch-Joodse onderzoekers. De Nationale Bibliotheek heeft zo'n 30.000 boeken, die niet toegankelijk zijn voor de meeste Palestijnen. Voor zover er databases van archieven zijn, zijn deze gewoonlijk alleen te doorzoeken in Hebreeuws en Engels, niet in Arabisch.
Nakba Day (Nakbadag) wordt jaarlijks op 15 mei gehouden, zowel in Israël als in de bezette Palestijnse gebieden. Nakba Day werd in 1998 ingesteld door Yasser Arafat, die toen president was van de Palestijnse Autoriteit. Dit ter gelegenheid van de 50ste gedenkdag van de Nakba. In tegenstelling tot de Israëlische feestdag valt Nakba Day altijd op dezelfde kalenderdag.
Daags voor de eerste Nakbadag zei Benjamin Netanyahu provocerend, dat niet Israël, maar de Palestijnse leiding verantwoordelijk was voor de Nakba. Deze dag op 15 mei 1998 werd georganiseerd in Palestijnse steden en vluchtelingenkampen in de Bezette gebieden en in steden in Israël. Demonstraties in Israël liepen uit op confrontaties met de politie, waarbij vier Palestijnen werden gedood en 71 verwond. Sinds 2005 worden ook wel gezamenlijke Joods-Palestijnse acties ondernomen, hoewel de (anti-)Nakbawet van 2011 dit voor NGO's lastiger maakt.
Op Nakba Day wordt in Israël traditioneel de "Nakbamars" of "Mars van Terugkeer" georganiseerd op een van de plekken van de tijdens de Nakba verwoeste Arabische dorpen. Het is een voortzetting van een oude traditie van Israëlische Palestijnen, om op hun vrije dag op de Israëlische Onafhankelijkheidsdag een bezoek te brengen aan de plek van het verwoeste dorp van hun voorouders.
Afhankelijk van de Hebreeuwse kalender, kunnen de Israëlische Onafhankelijkheidsdag en Nakbadag op dezelfde dag vallen. In 2017 was dit het geval en kon de jaarlijkse "Mars van Terugkeer" niet doorgaan, omdat de politie een vergunning weigerde met het excuus dat er onvoldoende beveilingscapaciteit was. De organisatie vond echter dat de weigering politieke redenen had.
Palestijnen in Gaza organiseerden op 30 maart 2018 een alternatieve "Great March of Return". Die dag werd gekozen omdat sinds 1976 op 30 maart jaarlijks de herdenkingsdag "Land Day" wordt gehouden. Daarbij worden demonstraties in 1976 tegen grootschalige landonteigeningen in Israël herdacht, waarbij zes ongewapende Palestijnen werden gedood. Oorspronkelijk zou de Great March duren tot Nakba Day op 15 mei 2018, de 70ste herdenkingsdag van de Nakba. De wekelijkse protesten gingen echter ook daarna door.
In maart 2011 keurde de Knesset de Nakba Law (Nakbawet) goed. Volgens deze wet kan staatssubsidie voor een openbare instelling worden ingetrokken, onder andere wanneer deze het bestaan van de Joodse staat afwijst, of de Onafhankelijkheidsdag van Israël (Independence Day) ziet als een dag van rouw. Palestijnen organiseren traditioneel manifestaties op Independence Day en op Nakba Day, bijvoorbeeld in de vorm van demonstraties voor het terugkeerrecht van de verdreven Palestijnen. Palestijnse vluchtelingen zijn uitgesloten van de Wet op de Terugkeer die in juli 1950 door Israël voor alleen Joden werd ingesteld.
Aanvankelijk wilden de initiatiefnemers een wet maken die herdenking van de Nakba strafbaar zou stellen, met gevangenisstraffen van drie jaar. Dit voorstel had echter onvoldoende steun. Discussies rond de wet van 2011 maakten dat de Nakba in de Israëlische pers meer dan ooit tevoren in de belangstelling stond. De mensenrechtenorganisaties ACRI en Adalah, die tevergeefs beroep aantekenden tegen de wet, betoogden dat de tekst van de wet ten onrechte suggereert dat Nakba Day het bestaan van Israël ontkent en deze is bedoeld om Arabische burgers neer te zetten als gevaarlijk en niet loyaal aan de staat. Mensenrechtengroepen beschouwen de Nakbawet als een poging om de vrijheid van meningsuiting van de Palestijnen en hun recht op herdenking in te perken en zeggen dat het behoud van hun eigen historie en cultuur wordt belemmerd.
De Verenigde Naties hebben in 1977, precies 30 jaar na VN-resolutie 181 – de eigenlijke oorsprong van de Nakba – 29 november uitgeroepen als de jaarlijkse International Day of Solidarity with the Palestinian People (Internationale dag van solidariteit met het Palestijnse volk). De organisatie daarvan is in handen van het VN-orgaan Division for Palestinian Rights (DPR).
Op 30 november 2022 gaf de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in Resolutie 77/23 aan de DPR de opdracht activiteiten te organiseren ter herdenking van de 75ste verjaardag van de Nakba. Deze resolutie, ter ondersteuning van het werk van de DPR als geheel, werd aangenomen met 90 stemmen tegen 30 en 47 onthoudingen. Hij werd door geen enkel Westers land gesteund; Nederland stemde er tegen en België onthield zich van stemming.
Resolutie 77/23 resulteerde in een herdenkings-bijeenkomst en een concert op 15 mei 2023, en een expositie in het hoofdkantoor van de VN in New York. Van de expositie werd een on-line fotoboek uitgegeven.
In 2024 verzocht de Algemene Vergadering de DPR om deze activiteiten jaarlijks voort te zetten en herinneringen en getuigenissen te archiveren, naast de organisatie van de International Day of Solidarity.
In een paneldiscussie van het UN Committee on the Exercise of the Inalienable Rights of the Palestinian People op 17 mei 2024, vergeleek de voorzitter Ardi Imseis de Oorlog in Gaza (2023-2025) met de Nakba en stelde dat dit geen twee aparte of te onderscheiden gebeurtenissen zouden zijn maar een aaneengesloten proces dat generaties Palestijnen raakt. Imseis waarschuwde dat de Israëlische regering zijn ware intenties niet langer zou verbergen en de Palestijnen drie opties zou laten: verdrijving, onderwerping of dood.