Newtonianisme is een verzamelnaam voor wetenschappelijke, filosofische en culturele denkbeelden en praktijken die vanaf het einde van de 17e en vooral in de 18e eeuw werden verbonden met het werk van de Engelse natuurfilosoof Isaac Newton. Het begrip verwijst in de eerste plaats naar de receptie van Newtons natuurfilosofie in de Principia (1687) en Opticks (1704), maar werd in de 18e eeuw ook gebruikt voor methodologische idealen en voor toepassingen of analogieën op terreinen als theologie, moraalfilosofie en de studie van de menselijke geest en samenleving.
Newtonianisme vormde een invloedrijke stroming binnen de Europese Verlichting, maar was geen uniforme filosofische school. Wat in verschillende landen en disciplines als „newtoniaans” gold, kon sterk uiteenlopen. Historici spreken daarom ook over verschillende vormen van receptie en toe-eigening van Newtons werk, waarbij auteurs die zichzelf of door anderen als newtoniaan werden beschouwd tevens ideeën uit andere filosofische en wetenschappelijke tradities gebruikten.
De term newtonianisme kan zowel in engere als in ruimere zin worden gebruikt. In engere zin duidt hij op natuurfilosofie die voortbouwde op Newtons bewegingswetten, zijn theorie van de universele zwaartekracht, zijn optica en zijn wiskundige behandeling van natuurverschijnselen. In ruimere zin omvat hij de manieren waarop Newtons wetenschappelijke reputatie en methodologische voorbeeld in de 18e eeuw werden ingezet in filosofische, religieuze en maatschappelijke discussies.
Een scherp onderscheid tussen „newtonianen” en niet-newtonianen is historisch niet altijd mogelijk. Onderzoek naar bijvoorbeeld John Theophilus Desaguliers laat zien dat uitgesproken verspreiders van Newtons natuurfilosofie tegelijk ideeën van andere natuuronderzoekers konden opnemen. De moderne wetenschapsgeschiedenis behandelt newtonianisme daarom doorgaans niet als een volledig gesloten stelsel van doctrines.
Evenmin vallen newtonianisme en de latere klassieke mechanica volledig samen. Newtons werk vormde een belangrijk uitgangspunt voor de 18e-eeuwse mathematische natuurkunde, maar de verdere mathematische uitwerking van de mechanica was mede het resultaat van latere bijdragen van continentale geleerden.
Een kenmerk van de Newtoniaanse natuurfilosofie was het streven om uiteenlopende natuurverschijnselen te beschrijven door middel van mathematisch geformuleerde beginselen. In de Principia bracht Newton verschijnselen als aardse valbewegingen en de bewegingen van hemellichamen onder één theoretisch kader van bewegingswetten en universele gravitatie. Voor zijn 18e-eeuwse lezers werd de mogelijkheid om uiteenlopende verschijnselen vanuit een beperkt aantal algemene beginselen te verklaren een belangrijk onderdeel van Newtons intellectuele prestige.
Dit wordt soms aangeduid als een mechanistisch of „raderwerk”-wereldbeeld. Die typering behoeft echter nuancering. In de 17e-eeuwse mechanische filosofie werden natuurprocessen veelal verklaard door materiedeeltjes, beweging en onderling contact. Newtons zwaartekracht riep juist discussie op omdat aantrekking niet zonder meer tot een dergelijk contactmechanisme kon worden herleid. Over de precieze verhouding tussen Newton en de mechanische filosofie bestaat dan ook historiografisch debat. Machamer, McGuire en Kochiras plaatsen Newton binnen een verbrede traditie van mechanische filosofie, terwijl onderzoek naar zijn opvattingen over werking op afstand laat zien hoe problematisch een eenvoudige vereenzelviging met het klassieke mechanistische model is.
Het newtonianisme kan daarom nauwkeuriger worden gekarakteriseerd door zijn nadruk op mathematische ordening, krachten, wetmatigheid en systematische verklaring dan door de voorstelling dat Newton zelf eenvoudigweg een volledig „klokvormig universum” zou hebben verdedigd.

In de 18e-eeuwse receptie werd Newton eveneens een voorbeeld voor een empirische en experimentele natuurfilosofie. Waarnemingen en experimenten moesten worden verbonden met mathematische of algemene beginselen, terwijl onbewezen speculaties niet dezelfde status mochten krijgen als conclusies die door verschijnselen werden ondersteund.
Een beroemd geworden formulering is Newtons hypotheses non fingo, doorgaans vertaald als „ik verzin geen hypothesen” of „ik vorm geen hypothesen”. Newton gebruikte deze woorden in het General Scholium dat aan de tweede editie van de Principia van 1713 werd toegevoegd, in de context van zijn weigering een nog niet uit de verschijnselen afgeleide oorzaak van de zwaartekracht als vaststaande natuurfilosofie te presenteren.
De uitspraak betekende niet dat Newton of alle newtonianen iedere vorm van hypothesevorming verwierpen. Onderzoek naar de verschillende versies van Newtons „Rules of Philosophizing” laat zien dat zijn taal over hypothesen ontstond binnen concrete natuurfilosofische controverses en niet zonder meer kan worden opgevat als een tijdloze algemene regel tegen theoretische veronderstellingen. Ook latere auteurs die Newton bewonderden, waaronder Émilie du Châtelet, ontwikkelden een positievere maar gereguleerde rol voor wetenschappelijke hypothesen.
In Groot-Brittannië ontstond in de eerste decennia van de 18e eeuw een netwerk van auteurs, docenten en demonstratoren die Newtons natuurfilosofie toegankelijk maakten voor een breder publiek. Desaguliers, lid van de Royal Society, speelde daarin een belangrijke rol. Zijn A Course of Experimental Philosophy gebruikte onder meer experimentele demonstraties om centrale onderdelen van de natuurfilosofie uit te leggen.
Ook hugenootse geleerden en bemiddelaars droegen bij aan deze verspreiding door vertalingen, recensies, boeken, correspondentie en publieke demonstraties. Hun activiteit laat zien dat de verspreiding van Newtons werk niet uitsluitend binnen universiteiten of gespecialiseerde wiskundige kringen plaatsvond.
Ook in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kreeg het newtonianisme in de vroege 18e eeuw een belangrijke plaats. Onder anderen Herman Boerhaave, Willem Jacob 's Gravesande en Pieter van Musschenbroek speelden een rol in de academische receptie en verspreiding van Newtoniaanse natuurfilosofie. Volgens wetenschapshistorica Ernestine van der Wall vond die receptie bovendien buiten strikt academische kringen plaats.
In de Republiek was de Newtoniaanse natuurfilosofie nauw verbonden met de fysicotheologie. De regelmaat en doelmatigheid die men in de natuur meende waar te nemen werden gebruikt als argument voor een scheppende en voorzienige God. Figuren als Bernard Nieuwentijt verbonden natuuronderzoek en natuurlijke theologie op deze wijze met elkaar.
In Frankrijk verliep de acceptatie van Newtons natuurfilosofie aanvankelijk in concurrentie met het cartesianisme. Vooral het begrip aantrekking, de theorie van de zwaartekracht en de precieze betekenis van kracht bleven onderwerp van wetenschappelijke en filosofische controverse.
Voltaire droeg in de jaren 1730 sterk bij aan de publieke bekendheid van Newton in Frankrijk. In zijn Lettres philosophiques (1734) stelde hij de Engelse Newtoniaanse filosofie tegenover het Franse cartesianisme. Zijn latere Éléments de la philosophie de Newton uit 1738 maakte delen van Newtons natuurfilosofie toegankelijk voor een niet-specialistisch publiek. De inzet van Newtons prestige maakte daarbij deel uit van bredere debatten over wetenschap, filosofie en de identiteit van de philosophe.
De verspreiding van het newtonianisme in Frankrijk kan echter niet uitsluitend aan Voltaire worden toegeschreven. Émilie du Châtelet bestudeerde Newton intensief, werkte aan de intellectuele omgeving waarin Voltaires Éléments ontstonden en publiceerde in 1740 haar Institutions de physique. Haar positie combineerde onderdelen van Newtoniaanse natuurkunde met filosofische elementen die onder meer aan Gottfried Wilhelm Leibniz waren ontleend. Haar receptie van Newton veranderde in de loop van de jaren 1738–1742 en illustreert daarmee het hybride karakter van het Franse newtonianisme. Du Châtelets Franse vertaling en commentaar op de Principia, waaraan zij tot haar dood in 1749 werkte, verscheen postuum.
Aan Schotse universiteiten werd Newtoniaanse natuurfilosofie eveneens belangrijk. De ontwikkeling ervan hing samen met veranderingen in het universitaire onderwijs en met het werk van onder anderen Colin Maclaurin. Newtons werk beïnvloedde er niet alleen wiskunde en natuurfilosofie, maar vormde ook een referentiepunt voor pogingen om mens en samenleving volgens een systematische en ervaringsgerichte methode te bestuderen.
De verhouding tussen newtonianisme en religie was niet eenduidig. Het is daarom misleidend om newtonianisme eenvoudigweg gelijk te stellen aan deïsme of aan het idee van een God die het universum na de schepping geheel aan zichzelf zou hebben overgelaten.
Newton zelf was sterk religieus, zij het op verschillende punten theologisch heterodox. In zijn natuurfilosofische en theologische denken kende hij God een actieve rol toe als schepper en heerser van het universum. De voorstelling dat Newtons natuurkunde op zichzelf rechtstreeks tot een volledig genaturaliseerd of deïstisch wereldbeeld leidde, is door wetenschapshistorici bekritiseerd.
Onder Newtons 18e-eeuwse lezers ontstonden verschillende religieuze interpretaties. In de Nederlandse Republiek werd Newtoniaanse natuurfilosofie bijvoorbeeld juist gebruikt ter ondersteuning van voorzienigheid en fysicotheologie en in polemieken tegen atheïsme en irreligie. Andere verlichtingsdenkers konden Newtoniaanse wetmatigheid later in meer naturalistische of deïstische kaders plaatsen. Het verband tussen Newtons eigen religieuze opvattingen en latere „Newtoniaanse” theologieën was daardoor historisch veranderlijk.
In de 18e eeuw werd het succes van de natuurfilosofie een voorbeeld voor pogingen om ook het menselijk denken systematisch te onderzoeken. Vooral binnen de Schotse Verlichting werd gesproken over een ervaringsgerichte „science of man”. Newtons voorbeeld speelde daarin een rol, maar de precieze omvang van die invloed verschilde van auteur tot auteur.
Bij David Hume is de verhouding tot Newton onderwerp van een omvangrijke historiografische discussie. Humes beroep op een experimentele methode en zijn gebruik van taal ontleend aan aantrekking hebben ertoe geleid dat zijn filosofie vaak als Newtoniaans werd geïnterpreteerd. Het is echter te eenvoudig om zijn associatieleer rechtstreeks als een psychologische versie van Newtons zwaartekracht te beschouwen. Moderne interpretaties benadrukken dat het model van Humes geest en zijn verklaringswijze niet zonder meer met Newtoniaanse mechanica samenvallen.
Een duidelijker natuurfilosofische verbinding bestaat bij David Hartley. In Observations on Man (1749) combineerde Hartley de oudere theorie van associatie van ideeën met een fysiologische theorie van trillingen in zenuwen. Wetenschapshistorici hebben deze trillingstheorie in verband gebracht met Newtoniaanse speculaties over de fysische werking van zenuwen en materie. Daarmee ontstond een invloedrijke vorm van associatiepsychologie waarin mentale processen en fysiologie met elkaar werden verbonden.
Ook de verhouding tussen newtonianisme en het werk van Adam Smith is onderwerp van wetenschapshistorisch onderzoek. Smith had grote bewondering voor Newtons vermogen om uiteenlopende verschijnselen binnen een samenhangend verklaringssysteem te brengen. In zijn postuum gepubliceerde History of Astronomy beschreef hij Newtons stelsel als uitzonderlijk succesvol en als een systeem dat een zeer groot filosofisch bereik had gekregen.
Daaruit volgt echter niet dat Smith zijn politieke economie eenvoudigweg als een kopie van Newtons mechanica opbouwde. De aard en omvang van de Newtoniaanse invloed op Smith blijven onderwerp van interpretatie. Onderzoek naar Smiths methode wijst erop dat hij naast systematische verklaringsidealen nadrukkelijk rekening hield met historische contingentie, instituties en uiteenlopende menselijke motieven.
Om die reden geldt de populaire vergelijking van Smiths „onzichtbare hand” met Newtons zwaartekracht niet als een neutraal historisch feit. Zij kan als interpretatieve analogie worden gebruikt, maar doet onvoldoende recht aan de institutionele en historische dimensies van Smiths economische en morele denken.
Newtoniaanse begrippen werden in de 18e eeuw soms ook politiek gebruikt. Een bekend voorbeeld is Desaguliers' gedicht The Newtonian System of the World, the Best Model of Government uit 1728. Daarin werd een parallel gelegd tussen natuurfilosofische orde en een bepaalde voorstelling van de Engelse politieke constitutie. Historisch onderzoek plaatst deze tekst in de context van hugenootse intellectuelen die de verspreiding van Newtons wetenschap verbonden met hun verdediging van Engelse religieuze en politieke vrijheden.
Dergelijke voorbeelden tonen dat Newtoniaanse taal politiek kon worden ingezet, maar zij rechtvaardigen niet de algemene conclusie dat begrippen als mensenrechten, rechtsstaat of laissez-faire rechtstreeks uit Newtons natuurkunde zijn afgeleid. De precieze relaties tussen natuurfilosofie en politiek verschilden per auteur en context.
Oudere geschiedbeelden presenteerden Newton soms als een vrijwel rechtstreeks fundament van een rationele en geseculariseerde Verlichting. In recenter onderzoek is dit beeld gedifferentieerd. Vooral de receptiegeschiedenis laat zien dat uiteenlopende groepen verschillende onderdelen van Newtons werk selecteerden en combineerden met reeds bestaande filosofische, religieuze en politieke overtuigingen.
De term newtonianisme blijft daardoor bruikbaar wanneer hij niet wordt opgevat als de naam van één onveranderlijk systeem. Britse experimentele newtonianen, Nederlandse fysicotheologen, Franse verdedigers en critici van Newton, Schotse moraalfilosofen en latere natuurkundigen konden allen op verschillende manieren met Newtons gezag en methoden omgaan. Het onderzoek naar die verschillen vormt een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van wetenschap en Verlichting.