Odeurrussula

Odeurrussula
Russula fragrantissima
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:ongeplaatst (incertae sedis)
Orde:Russulales
Familie:Russulaceae
Geslacht:Russula
Soort
Russula fragrantissima
Romagn. (1967)
Synoniemen

Russula laurocerasi var. fragrantissima

Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De odeurrussula (Russula fragrantissima) is een schimmel uit de familie Russulaceae. De soort behoort tot de groep van russula's met een vaak sterke, karakteristieke geur. Hij vormt ectomycorrhiza met bomen en komt voor in loofbossen en gemengde bossen. Kenmerkend zijn de grote, okergele tot geelbruine vruchtlichamen, de weinig gegroefde hoedrand en de opvallend sterke geur van anijs of bittere amandelen.

De soort werd in 1967 beschreven door de Franse mycoloog Henri Romagnesi.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft een diameter van 6 tot 10 (15) cm. Aanvankelijk is deze halfbolvormig, vervolgens gewelfd tot uitgespreid en uiteindelijk in het midden enigszins ingedeukt. De kleur varieert van geel en okergeel tot roestbruin, soms met roodbruine tinten. Bij vochtig weer is het hoedoppervlak kleverig, terwijl het bij droog weer mat wordt. De hoedhuid is alleen nabij de rand gemakkelijk af te trekken. De rand is bij volwassen exemplaren slechts kort en zwak gegroefd.

Lamellen

De lamellen staan tamelijk dicht opeen en zijn dun en bros. Ze zijn smal aan de steel aangehecht en kunnen onderling door dwarsverbindingen verbonden zijn. Aanvankelijk zijn ze crèmekleurig, maar bij het ouder worden ontstaan vaak roestbruine vlekken, vooral langs de sneden.

Steel

De steel is 4 tot 10 cm lang en 1,5 tot 3 cm dik. Hij is cilindrisch en bovenaan soms verbreed. Het oppervlak is witachtig en vertoont vaak overlangse rimpels. Vanaf de basis ontstaan bij oudere exemplaren roestkleurige tot bruine verkleuringen. De steel is aanvankelijk stevig en gevuld, maar wordt later sponsachtig, kamervormig of gedeeltelijk hol.

Vlees

Het vlees is wit, aanvankelijk stevig en later brosser of sponsachtig. Vooral bij de steelbasis en onder de steelhuid kan het roestbruin tot bruin verkleuren.

Geur en smaak

De odeurrussula heeft een zeer krachtige, karakteristieke geur die wordt omschreven als anijsachtig, naar marsepein of bittere amandelen. De geur blijft ook na het drogen van de vruchtlichamen langdurig aanwezig.

De smaak varieert van mild tot matig scherp. Bij jonge vruchtlichamen is vooral het vlees van de lamellen enigszins scherp, terwijl de steel en oudere vruchtlichamen een mildere smaak kunnen hebben.

Sporenprint

De sporenprint is crèmekleurig, overeenkomend met kleurklasse IIb.

Microscopische kenmerken

De sporen zijn breed ellipsoïde tot bijna bolvormig en meten 7,5–10 × 7–9 µm. De ornamentatie bestaat uit wratten en gedeeltelijk vleugelvormige kammen, die onderling verbonden zijn en een onvolledig netwerk vormen.

De hoedhuid (pileipellis) bevat relatief brede dermatocystiden. Bij het onderscheiden van nauw verwante soorten zijn zowel de vorm van deze cystiden als de hoogte en onderlinge verbindingen van de sporenornamentatie van belang.

Chemische reacties

Het vlees vertoont de volgende reacties met chemische reagentia:

Ecologie

De odeurrussula is een ectomycorrhizavormende soort die vooral wordt aangetroffen in loofbossen en gemengde bossen. Hij komt onder andere voor bij beuk (Fagus), eik (Quercus) en haagbeuk (Carpinus). Ook uit bossen met naaldbomen zijn vondsten bekend. De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk in de zomer en herfst, doorgaans van juli tot oktober.

Verspreiding

De odeurrussula is bekend uit verschillende delen van Europa, waaronder België en Tsjechië. De soort wordt daar als zeldzaam beschouwd.

In Nederland is de aanwezigheid van de odeurrussula niet met zekerheid vastgesteld. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland (1995) wordt één melding uit 1968 bij Eindhoven genoemd, maar het bijbehorende materiaal kon niet met zekerheid worden gedetermineerd. Volgens de NMV Verspreidingsatlas is er geen bewijs voor het voorkomen van de soort in Nederland. Voor het betrouwbaar vaststellen van Nederlandse vondsten wordt DNA-barcodering noodzakelijk geacht.

Gelijkende soorten

De odeurrussula lijkt sterk op de amandelrussula (Russula grata, ook bekend onder de naam Russula laurocerasi). Beide soorten hebben geelbruine hoeden en een karakteristieke amandelachtige geur.

De odeurrussula heeft doorgaans grotere vruchtlichamen, een sterker uitgesproken anijsgeur en een minder ver gegroefde hoedrand. Ook de microscopische sporenornamentatie verschilt. De soorten zijn niet altijd betrouwbaar uitsluitend op uiterlijke kenmerken te onderscheiden.

Taxonomie

De wetenschappelijke naam Russula fragrantissima werd in 1967 gepubliceerd door Henri Romagnesi in Les Russules d'Europe et d'Afrique du Nord.

Michel Bon beschouwde het taxon later als een variëteit van Russula laurocerasi en publiceerde in 1986 de combinatie Russula laurocerasi var. fragrantissima (Romagn.) Bon. Volgens Species Fungorum wordt Russula fragrantissima als geaccepteerde soortnaam behandeld.

Eetbaarheid

De odeurrussula wordt als oneetbaar beschouwd.