| Omphalinaceae | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||
| ||||||||
| Familie | ||||||||
| Omphalinaceae Vizzini, Consiglio & M. Marchetti (2020) | ||||||||
| ||||||||
Omphalinaceae is een familie van schimmels uit de orde Agaricales. De familie werd in 2020 beschreven door Alfredo Vizzini, Giovanni Consiglio en Mauro Marchetti. Het typegeslacht is Omphalina.
Moleculair-fylogenetisch onderzoek laat zien dat Omphalinaceae een afzonderlijke evolutionaire lijn binnen de Agaricales vormt. De familie werd aanvankelijk binnen de onderorde Tricholomatineae geplaatst. Op basis van fylogenomisch onderzoek werd in 2025 de onderorde 'Omphalinineae' ingesteld, met Omphalinaceae als typefamilie en vooralsnog enige familie.
De vruchtlichamen van soorten uit de Omphalinaceae zijn doorgaans omphalinoïde tot clitocyboïde paddenstoelen. De hoed is meestal droog en in het midden ingedeukt tot trechtervormig. De kleuren lopen onder meer uiteen van oker en roodbruin tot roestbruin, wijnbruin en oranjebruin. Een velum ontbreekt. De lamellen lopen gewoonlijk duidelijk langs de steel af. De sporenafdruk is wit tot crèmekleurig.
De basidiosporen zijn kleurloos en meestal gladwandig, hoewel bijvoorbeeld Infundibulicybe trachyspora fijn wrattige sporen heeft. Ze zijn inamyloïd en doorgaans acyanofiel. De basidia zijn knotsvormig en meestal viersporig. Cystiden in het hymenium ontbreken doorgaans of zijn slechts bij enkele soorten aanwezig. Het trama van de lamellen is aanvankelijk min of meer regelmatig en wordt later onregelmatiger en verweven. De pileipellis is opgebouwd als een cutis tot trichoderm. Gespen zijn aanwezig.
De meeste soorten zijn saprotroof en groeien op de bodem of tussen plantenstrooisel. Vooral soorten van Omphalina zijn vaak met mossen geassocieerd. De familie komt voornamelijk voor op het noordelijk halfrond, met de grootste diversiteit in gematigde en boreale gebieden.
Een bijzondere uitzondering op de hoofdzakelijk saprotrofe levenswijze is Omphalina licheniformis. Deze in China beschreven soort vormt een gelicheniseerde associatie met groene algen en is daarmee een van de uitzonderingen op de vrijwel volledige concentratie van gelicheniseerde plaatjeszwammen in de familie Lichenomphaliaceae.
Het geslacht Omphalina werd in het verleden veel ruimer opgevat dan tegenwoordig. Allerlei kleine, witsporige paddenstoelen met een centraal ingedeukte hoed werden tot dit geslacht gerekend. Moleculair onderzoek heeft aangetoond dat deze soorten over verschillende, niet nauw verwante groepen binnen de Agaricales zijn verdeeld. Soorten zijn daardoor onder meer ondergebracht in geslachten als Arrhenia, Lichenomphalia en andere groepen.
Fylogenetisch onderzoek ondersteunt een nauwe verwantschap tussen Omphalina in strikte zin en Infundibulicybe. De twee geslachten delen onder andere aflopende lamellen, meestal bruinachtige pigmenten en overeenkomstige kenmerken van de sporen en het lamellentrama.
Volgens de huidige fylogenetische afbakening omvat de familie twee bevestigde geslachten:
Van enkele soorten van Rimbachia is in moleculair onderzoek een mogelijke verwantschap met de Omphalinaceae gevonden. Het geslacht als geheel kan echter nog niet betrouwbaar in deze familie worden geplaatst, onder andere omdat de fylogenetische positie van de typesoort onvoldoende is vastgesteld.
De familie Omphalinaceae werd in 2020 formeel ingesteld door Vizzini, Consiglio en Marchetti in Index Fungorum nummer 462. De afbakening was gebaseerd op eerder moleculair onderzoek waaruit bleek dat Omphalina in strikte zin en Infundibulicybe samen een afzonderlijke evolutionaire lijn binnen de Agaricales vormen. Uit een uitgebreider zes-genenonderzoek uit 2024 kwam opnieuw een nauwe verwantschap tussen beide geslachten naar voren. Fylogenomisch onderzoek uit 2025 ondersteunde vervolgens een voldoende zelfstandige positie om deze lijn als de afzonderlijke onderorde Omphalinineae te behandelen.