| Werkwoordswijzen | ||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ||||||||||||||||||||||||
De optatief (Latijn: optātīvus, afgeleid van optāre ‘wensen’) is, in de grammatica van de Indo-Europese talen en met name van het Oudgrieks, een van de persoonlijke wijzen (modi) van het werkwoord.
Het Oudgrieks kende naast de indicatief (aantonende wijs, vb. βαδίζει ‘hij loopt’), de imperatief (gebiedende wijs, vb. βάδιζε ‘loop!’) en de conjunctief (aanvoegende wijs, vb. βαδίζῃ ‘dat hij lope’) ook de optatief (wensende wijs, vb. βαδίζοι ‘moge hij lopen’).
Oorspronkelijk diende de optatief om een (vervulbare) wens uit te drukken: bijvoorbeeld Γένοιτο ταῦτα. ‘Moge dat (toch) gebeuren.’.
Gaandeweg werd hij echter bij uitbreiding ook gebruikt:
De optatief is in het Oudgrieks te herkennen aan de jota in de uitgang.
Het gebruik van de Oudgriekse optatief ging in de loop der eeuwen verloren, en is uit het Nieuwgrieks volkomen verdwenen.
Oorspronkelijk heeft het Latijn wellicht ook een optatief gekend; dat blijkt uit de vormen s-i-m, s-i-s, etc. (van esse), en vel-i-m, vel-i-s, etc. (van velle).
Het Oergermaans kende ook nog een optatief, waaruit bijvoorbeeld de onregelmatige vervoeging in de tegenwoordige tijd van het Nederlandse werkwoord willen is voortgekomen (hij/zij wil, terwijl de te verwachten persoonsvorm hier wilt zou zijn).