| Parahippus Status: Uitgestorven Fossiel voorkomen: Vroeg-Mioceen | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Skelet van Parahippus tyleri | ||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||||
| Parahippus Leidy, 1869 | ||||||||||||||||
| Typesoort | ||||||||||||||||
| Parahippus cognatus | ||||||||||||||||
| Schedel van Parahippus cognatus | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Parahippus is een geslacht van uitgestorven paardachtige zoogdieren en een familielid van de moderne paarden, ezels en zebra's, dat voorkwam in het Vroeg-Mioceen (ongeveer twintig miljoen jaar geleden). Het leek erg op Miohippus, maar was iets groter, ongeveer een meter hoog op de schoft.
Ongeveer twintig miljoen jaar geleden, tijdens het Mioceen, veranderde een deel van het milieu op aarde: bossen en moerassen namen af door afkoeling terwijl er meer open vlakten ontstonden. Men gelooft dat deze ontwikkelingen veel kenmerken van de huidige paarden-voorouders hebben beïnvloed.
In 1858 benoemde Joseph Leidy de typesoort Parahippus cognatus. De geslachtsnaam betekent "naast het paard". De soortaanduiding betekent "verwant".
Parahippus was groter dan Miohippus. Het grote lichaam werd gedragen door vier stevige poten met drietenige voeten en een langer gezicht. De botten in de benen waren samengesmolten en dit, samen met de spierontwikkeling, liet Parahippus toe om met voorwaartse en achterwaartse passen te bewegen. Flexibele pootrotatie werd geëlimineerd, zodat het dier beter in staat was om snel naar voren te rennen op open terrein zonder dat het van de ene naar de andere kant hoefde te bewegen. Het belangrijkste is dat Parahippus op zijn middelste teen kon staan, in plaats van op voetkussens te lopen, waardoor het sneller kon rennen. Zijn gewicht werd ondersteund door ligamenten onder de vetlok naar de grote centrale teen. De zijtenen waren bijna rudimentair, en raakten zelden de grond.
Omdat bladrijk voedsel schaars was geworden, werden deze dieren gedwongen om te overleven op de nieuw geëvolueerde grassen die nu de vlakte overnemen en hun tanden pasten zich daarop aan. De extra molaarkam die bij Miohippus variabel was, werd permanent bij Parahippus. De molaren ontwikkelden hoge kronen en een harde bekleding voor het vermalen van het gras, dat meestal bedekt was met dik kiezelzuur en zand. De kiezen leken op molenstenen en dat was ook wel nodig, omdat door het kauwen van het taaie voedsel, slecht verteerbaar, het gebit veel te lijden had van slijtage. Het slijtageproces van het gebit werd iets vertraagd, doordat het email van de knobbels en de buitenste randen een laagje cement bevatte.
Het voedsel van dit dier bestond hoofdzakelijk uit moeilijk te kauwen en te verteren, nieuw ontwikkelde grassen, die kiezelzuren in hun celwanden hadden opgeslagen.
Resten van dit dier werden gevonden in Noord-Amerika.
Literatuur
Noten