| Parasietkorst | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||
| Normandina chlorococca (Leight.) Orange (2022) | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
De parasietkorst (Normandina chlorococca) is een korstmos uit de familie Verrucariaceae. Het is een korstvormige soort die vooral op boomschors groeit, vaak tussen of over mossen. De fotobiont is een groene alg van het geslacht Trebouxia.
De soort werd oorspronkelijk in 1879 door William Allport Leighton beschreven als Verrucaria chlorococca. Alan Orange plaatste de soort in 2022 in het geslacht Normandina. Bij een revisie van de korstvormige soorten van Normandina werd N. chlorococca onderscheiden van N. acroglypta op grond van onder meer moleculaire, morfologische en chemische kenmerken.
Het thallus is korstvormig en meestal dof grijsgroen wanneer het droog is en helderder groen wanneer het nat is. Het bestaat aanvankelijk uit kleine, bolle, goniocystachtige korrels, die later onregelmatig worden en met elkaar kunnen samenvloeien tot een oneffen korst. Soms is het thallus grotendeels beperkt tot een rand rond de peritheciën. Verspreid kunnen slecht begrensde soralen aanwezig zijn; de sorediën meten ongeveer 20–40 µm.
De zwarte peritheciën zijn ongeveer 0,2–0,45 mm in diameter en voor ongeveer een kwart tot driekwart in het thallus verzonken. Rond de opening is het oppervlak niet of slechts weinig ingedeukt.
De gebruikelijke kleurreacties van het thallus zijn negatief (K−, C−, KC− en P−). Met dunnelaagchromatografie kan soms een geringe hoeveelheid zeorine worden aangetoond; bij sommige exemplaren worden geen secundaire korstmosstoffen gevonden.
De asci zijn achtsporig en meten ongeveer 78–105 × 23–28 µm. Jonge asci zijn vrijwel cilindrisch en zeer dikwandig; bij rijping worden ze meer knotsvormig en dunwandiger.
De ascosporen zijn kleurloos, glad en ellipsoïde tot spoelvormig, met afgeronde uiteinden. Ze zijn 5–8-septaat en meten (22,5–)27,5–36(–39,5) × (6–)6,5–8(–9) µm..
Parasietkorst groeit voornamelijk op boomschors, vaak op of tussen afgestorven mossen op de schors. De soort wordt vooral aangetroffen op enigszins basenrijke tot matig zure schors. In Nederland wordt hij onder meer op laanbomen gevonden.
In Nederland is parasietkorst 'zeer zeldzaam'. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van korstmossen in de categorie 'Gevoelig'.