
Op een plaats waar betaald parkeren mogelijk is, mag men met een geldige parkeervergunning parkeren zonder te betalen. In Nederland moet voor het verkrijgen van een parkeervergunning van de gemeente een parkeervergunningbelasting worden betaald. De wettelijke basis daarvoor is opgenomen in artikel 225, lid 1 onder b. van de Gemeentewet (wordt hierna ook wel de 'b-belasting' genoemd). In die parkeervergunning staat op welke plaats, tijden en wijze geparkeerd mag worden zonder de gewone parkeerbelasting (de a-belasting) te betalen.
Het belastbaar feit van de parkeervergunningbelasting is de aanvraag van een parkeervergunning (en dus niet het parkeren zelf). De belastingplichtige is de aanvrager van de vergunning. Anders dan bij de uitvoering van de parkeerbelasting, is het College van burgemeester en wethouders het orgaan dat de vergunning afgeeft, en niet de heffingsambtenaar. De specifieke voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend — zoals de geldigheid voor een specifiek kenteken, een bepaalde zone of vastgestelde tijdstippen — staan doorgaans in de vergunning zelf en niet in de gemeentelijke verordening.
Voor parkeren op straat ben je de a-belasting verschuldigd, tenzij je een geldige parkeervergunning hebt (die is betaald met de b-belasting). De bijzondere regelingen voor de naheffing van parkeerbelasting op straat (de a-belasting) zijn niet van toepassing op de parkeervergunningbelasting. Zo kunnen de kosten van een naheffingsaanslag uitsluitend bij de a-belasting in rekening worden gebracht. Indien niet aan de voorwaarden van de parkeervergunning wordt voldaan (bijvoorbeeld een onjuist kenteken in het registratiesysteem of buiten de vergunningzone geparkeerd), wordt dit juridisch gelijkgesteld aan parkeren zónder vergunning. In dat geval is de reguliere parkeerbelasting (a-belasting) verschuldigd, ook al heb je een vergunning. Naheffing van a-belasting is niet mogelijk als een locatie uitsluitend is aangewezen voor vergunninghouders en niet tevens als algemene betaaldparkerenplaats.
De vergunninghouder heeft een onderzoeksplicht. Dit houdt in dat de bestuurder moet verifiëren of de vergunning die hij heeft geldig is op de gekozen locatie en op het gekozen tijdstip. Bijvoorbeeld: in een stad is de vergunning geldig voor stadsdeel A, maar niet in de grote winkelstraat van dat stadsdeel van maandag tot en met zaterdag tussen 09.00 en 18.00 uur. Een parkeervergunning biedt geen garantie op een beschikbare parkeerplaats; het ontbreken van parkeerruimte kan niet met succes worden aangevoerd in een procedure tegen een naheffingsaanslag.
In steeds meer gevallen is in het landelijk parkeerrechtenbeheersysteem bekend welke vergunningen op welk kenteken zijn afgegeven.
Een Europese gehandicaptenparkeerkaart is wettelijk geen parkeervergunning. Het geeft het recht om te parkeren op invalidenparkeerplaatsen, maar het is geen garantie dat daar gratis mag worden geparkeerd. Als een bestuurder die in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart parkeert op een algemene parkeerplaats, is sowieso de a-parkeerbelasting verschuldigd, tenzij de gemeenteraad in de lokale verordening een specifieke vrijstelling of aanvullende regeling voor gehandicapten heeft opgenomen.