Paskaart

Paskaart van Oost Indië door Johannes van Keulen (1689)

Paskaarten waren 17e- en 18e-eeuwse kaarten ten behoeve van de navigatie op zee. De paskaarten werden gebruikt om de koers uit te zetten en de afgelegde afstand af te passen, in tegenstelling tot de leeskaarten, die alleen een beschrijving gaven.

Kompaslijnen

Paskaarten toonden een topografische weergave van kustlijnen, rivieren en eilanden en waren voorzien van een netwerk van kompaslijnen of loxodromen. De kaarten kwamen voort uit de oudere portolanen, die in de 13e eeuw in het Middellandse zeegebied ontstonden. Aanvankelijk werd de naam portolaan of portulaan ook in het Nederlandse taalgebied gebezigd, maar halverwege de 16e eeuw kwam het woord paskaart in zwang. De naam vindt zijn oorsprong in het gebruik van de passer om de afstand af te meten. Veelal werden paskaarten samen gebruikt met een leeskaart.

Verschil met Portolaan

Hoewel het onderscheid met de portolaan niet heel duidelijk is, zijn er enkele verschillen aan te wijzen:

Gedrukte paskaarten

Willem Blaeu vervaardigde in zijn drukkerij blanco paskaarten met kompaslijnen op grote vellen perkament. Deze kaarten werden gebruikt door schippers en stuurlieden om snel en gemakkelijk hun observaties bij verkenning van onbekende kusten in te tekenen. De perkamenten vellen waren zeer geliefd vanwege hun duurzaamheid en hun grootte; Blaeu's plaatpers was uniek in de wereld van de cartografie vanwege zijn cilinderomvang van 80 cm.