Het Petitionnement was een stap in de politisering van de jonge Vlaamse Beweging. Het bestond uit een stel verzoekschriften aan koning Leopold I, een aantal parlementsleden, vier bisschoppen en de burgemeesters en pastoors van alle grote gemeenten. De verzoekschriften formuleerden grieven vanwege de Nederlandstalige Belgen en eisten het gebruik van het Nederlands in diverse geledingen van de administratie en het gerecht, evenals bepaalde Nederlandstalige hogere opleidingen.
Sinds de Belgische onafhankelijkheid in 1830 was het Nederlands in het Vlaamse openbare leven in de verdrukking gekomen. De grondwet voorzag in principe vrij taalgebruik, maar in de praktijk verliepen de wetgeving en de administratie vrijwel uitsluitend in het Frans. Het was in het jonge België ook niet vanzelfsprekend om voor de rechten van Nederlandstaligen op te komen, omdat men dan gemakkelijk met de vijand in het noorden kon worden geassocieerd: het Verdrag van Londen, waarbij Nederland de Belgische onafhankelijkheid erkende, was pas op 19 april 1939 getekend.
Het petitionnement (soortnaam) als politiek drukkingsmiddel bestond in verschillende Europese landen sinds het einde van de 18de eeuw. De naam is ontleend aan het Franse pétitionnement en onder die naam had de Franstalige Belgische oppositie de taalpolitiek van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in vraag gesteld.
In januari 1840 verspreidden de Gentenaren Ferdinand Snellaert en Philip Blommaert een verzoekschrift, vermoedelijk van de hand van Jan Frans Willems. Een aantal Leuvense intellectuelen namen afstand van de radicale formulering en verspreidden een eigen versie. Ook vanuit Antwerpen werd een eigen petitie gelanceerd, ditmaal in zowel een 'volkse' als een 'stedelijke' versie. In totaal ondertekenden naar schatting 13.000 mensen een van de 214 verschillende petities uit 170 Vlaamse gemeenten.
De petities waren allen (onder anderen) aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers gericht, maar hebben daar nooit het voorwerp gevormd van een debat. Wel is de Vlaamse kwestie sindsdien nooit weggeweest uit de Belgische politieke agenda. Bovendien waren er op lokaal vlak wél concrete gevolgen, onder meer inzake de communicatie tussen gemeentebesturen en burgers.
Katholiek kamerlid Pierre de Decker verdedigde het petitionnement in zijn Du petitionnement en faveur de la langue flamande. Hij zou in 1856 als regeringsleider de Vlaamse Grievencommissie instellen.