| Abdij van Sint Salvator | ||||
|---|---|---|---|---|
gravure van de cisterciënzerabdij met op de voorgrond de Grote Pieter Potstraat en links van de kapel de Kleine Pieter Potstraat | ||||
| Land | ||||
| Regio | Bisdom Antwerpen | |||
| Religie | Rooms-Katholieke Kerk | |||
| Kloosterorde | Cisterciënzers | |||
| Gebouwd in | 1447 | |||
wapenschild abdij | ||||
| ||||


De Sint-Salvatorabdij, ook bekend als de Pieter Potabdij, was een abdij in Antwerpen waarvan de monniken behoorden tot de orde der cisterciënzers. Deze monastieke gemeenschap werd gesticht onder leiding van een prior, op gronden die eigendom waren van Pieter Pot. De laatste was een zakenman uit Dordrecht, die zich in het begin van de 15e eeuw in Antwerpen had gevestigd. Later werd het klooster verheven tot abdij, die werd opgeheven tijdens de Franse periode, waarbij de monniken verjaagd werden. De voormalige conventsgebouwen werden in 1797 openbaar verkocht en omgevormd tot woonhuizen. Enkel de kapel is bewaard gebleven. De Grote en Kleine Pieter Potstraat zijn genoemd naar de stichter van deze abdij.
Pieter Pot was een rijk zakenman, geboren op 20 augustus 1385, op het feest van Sint-Bernardus, afkomstig uit Dordrecht, die zich in 1418 te Antwerpen had gevestigd. Hij overleed vroom op dezelfde datum omstreeks 1447, en werd samen met zijn echtgenote Maria Terrebroots bijgezet in de kapel van het klooster, waar hun praalgraf door de monniken met grote zorg werd onderhouden. Op een deel van zijn erf bouwde hij van 1433 af een kapel, toegewijd aan Sint-Salvator, waarbij een aalmoezenhuis werd gevoegd. In 1445 werd het aalmoezenhuis opgedragen aan de cisterciënzer- of Bernardijnenorde om er een klooster te stichten dat het liefdadigheidswerk zou verderzetten. Zo ontstond de zogenaamd Sint-Salvator- of Pieter Potpriorij, die werd ingehuldigd in 1447, en twee jaar later al vergroot. Pieter Pot, die in 1450 overleed, werd samen met zijn vrouw in de kapel begraven. Hun graftombe werd tijdens de beeldenstorm vernield. In 1581 werden de kapel en het klooster in beslag genomen door het Calvinistisch bewind, leeggehaald en ingericht als stapelplaats voor het leger. Kort daarop werd een nieuwe straat getrokken door het erf van het klooster. Toen de kloosterlingen weer in het bezit kwamen van hun goed lieten zij de straat bestaan, die de Kleine Pieter Potstraat genoemd werd. De kapel werd in 1591 hersteld en heringericht.
De verheffing van het conventuele prioraat van Sint-Salvator tot abdij vond plaats met toestemming van Claudius Vaussin, abt van Cîteaux, en van de abt van Ter Duinen, die als vicaris-generaal optrad. Het generaal kapittel oordeelde dat de monastieke gemeenschap financieel draagkrachtig genoeg was om vierentwintig religieuzen te onderhouden. De prior werd gemachtigd de abtswijding te ontvangen, zij het zonder mijter, maar met alle rechten, privileges en gunsten die aan de abbatiale waardigheid verbonden waren. Deze beslissing werd bekrachtigd op 7 november 1652. De abdij beleefde in het midden van de zeventiende eeuw een bloeiperiode, mede als gevolg van het aanzienlijke aantal bedevaarders dat de relieken van XXXVI heiligen kwam vereren. Onder Johannes Depester werd de abt weliswaar gemijterd, maar de voormalige kloosterkapel zou nooit de graad van abdijkerk behalen.
Tijdens het abbatiaat van Petrus Van de Perre brak de Franse periode aan; de monniken werden verdreven en de conventsgebouwen openbaar verkocht en omgevormd tot woonhuizen. Alleen de kapel, bekend als de Pieter Potkapel, is bewaard gebleven, hoewel de toren in 1802 werd gesloopt.


Na de verheffing tot abdij in 1652, met approbatie van de abt-generaal in Citeaux, werden er abten verkozen wiens abbatiaat duurde tot hun overlijden. Deze ongemijterde abten hadden een wapenspreuk.Abt de Pester verzocht de paus om gemijterd te worden, hetgeen in een bul werd toegestaan, aangezien dit, volgens de tekst, “niet weinig zou bijdragen tot de luister van het klooster, de orde en de kerk, en bij het volk een grotere devotie en eerbied zou opwekken”. Na het verkrijgen van deze bul van paus Clemens droeg de abt-generaal er zorg voor dat de abt van Sint-Salvator spoedig met de mijter werd bekleed. Abt Jozef de Pester werd vervolgens, na goedkeuring van zijn verzoek door Rome, plechtig gemijterd in de kapel van het bisschoppelijk paleis door bisschop Carolus de Espinosa op het feest van Sint-Thomas, 21 december.
| abbatiaat | Spreuk | ||
|---|---|---|---|
| 1e abt | Petrus Spers | 1650-1654 | ut potiar patior |
| 2e abt | Benedictus Blommaert | 1654-1668 | Flores apperuerunt |
| 3e abt | Franciscus Diericx | 1668-1688 | Dominvs providebet |
| 4e abt | Anselmus Boels | 1688-1695 | Non invideo |
| 5e abt | Bernardus Weerts | 1695-1707 | Hospes et Exvl |
| 6e abt | Petrus Van Can | 1707-1730 | in virtute et iustitiae |
| 7e abt | Bernardus Danielsens | 1730-1731 | Devm Desidero |
| 8e abt | Johannes Depester | 1731-1755 | Fungite florescent |
| 9e abt | Petrus de Laet | 1755-1774 | odore et splendore |
| 10e abt | Petrus Van de Perre | 1774-1801 | zelo et constantia |